Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2003-2004 | 28294 nr. 7 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2003-2004 | 28294 nr. 7 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 juni 2004
Bij deze doe ik mijn toezegging gestand u een brief te zullen doen toekomen over medezeggenschap van deelnemers bij rechtstreeks verzekerde regelingen, gedaan tijdens het algemeen overleg van de vaste commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 11 maart 2004 (Kamerstukken II 2003/04, 28 294, nr. 5).
Medezeggenschap bij rechtstreeks verzekerde regelingen
Een werkgever kan de uitvoering van een pensioentoezegging op verschillende manieren organiseren: hij kan zich aansluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds, hij kan een eigen ondernemingspensioenfonds oprichten en hij kan een verzekeraar vragen de regeling uit te voeren. In het laatste geval spreken we van een rechtstreeks verzekerde regeling. Met de aanduiding «rechtstreeks verzekerde regeling» is dus alleen iets gezegd over de wijze van uitvoering van de pensioenregeling; het zegt niets over de inhoud van de regeling. In de praktijk komt het ook voor dat een aantal werkgevers gezamenlijk besluiten de uitvoering van hun pensioenregeling aan een verzekeraar toe te vertrouwen. Dit om toch schaalvoordelen te behalen zonder de kosten van het opzetten van een pensioenfonds te hoeven dragen. De keuze voor de wijze van uitvoering wordt door de sociale partners gezien als een onderdeel van hun verantwoordelijkheid voor de arbeidsvoorwaarden. Pensioen is immers een arbeidvoorwaarde.
Als een werkgever een verzekering ter uitvoering van een pensioenregeling wil aangaan, dan is instemming vereist van de ondernemingsraad (WOR, art 27, lid 1 onder a). In het overleg tussen werkgever en ondernemingsraad is naast de inhoud van de regeling zoals intredeleeftijd, hoogte van pensioengrondslag, indexering, franchise en premies ook de wijze van uitvoering aan de orde. Het ligt in de rede dat de inhoud van het contract van de werkgever met de verzekeraar bekend is bij de ondernemingsraad omdat dit onderdeel uitmaakt van het voorgenomen besluit van de werkgever. Het instemmingsvereiste geldt niet als in de CAO, waaraan de werkgever gebonden is, al afspraken over de uitvoering van de pensioenverzekering zijn gemaakt (WOR, art. 27, lid 3).
Meestal wordt met de verzekeraar een contract gesloten voor een periode van 5 of 10 jaar. In het contract zijn de verplichtingen van werkgever en verzekeraar ten opzichte van elkaar beschreven. Daar waar beleidsvrijheid is in de uitvoering van de pensioenregeling wordt die beleidsvrijheid benoemd en de verantwoordelijkheid voor het maken van keuzes belegd (meestal bij de werkgever). Het ligt in de aard van een verzekeringspolis om zo weinig mogelijk beleidsvrijheid voor de contractpartners open te laten. Soms echter wordt in de polis geregeld dat bij overrente winstdeling zal plaatsvinden. De bestemming van de winst is niet altijd van te voren bepaald: het kan leiden tot premiereductie of tot uitbreiding van de aanspraken of tot verhoging van indexatie van uitkeringen en aanspraken.
Bij de medezeggenschap rond rechtstreeks verzekerde regelingen is voor gepensioneerden (en andere niet-actieve deelnemers als nabestaanden en slapers) in de huidige praktijk geen rol weggelegd. Omdat over de pensioentoezegging in het kader van het arbeidsvoorwaardenoverleg afspraken worden gemaakt kan een niet meer in het arbeidsproces actieve ex-werknemer allen via de vakbond invloed uitoefenen.
Verhouding tot medezeggenschap van gepensioneerden bij pensioenfondsen
In de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) zijn geen bepalingen opgenomen over medezeggenschap bij rechtstreeks verzekerde regelingen, omdat het onderbrengen van de uitvoering van een pensioenregeling bij een verzekeraar werd gezien als het inkopen van een administratieve dienstverlening door de werkgever in overleg met zijn ondernemingsraad. Dat in de PSW wel nadere regels zijn gesteld ten aanzien van de medezeggenschap bij pensioenfondsen heeft te maken met het karakter van pensioenfondsen als sociale instellingen. Die instellingen hebben de afgelopen jaren een vermaatschappelijking ondergaan, wat onder invloed van een emanciperende ouderenbeweging ook in de bestuursstructuur tot uitdrukking is gekomen in de afspraken over verbetering van de kwaliteit van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen in de achtereenvolgende convenanten tussen de Stichting van de Arbeid en het Coördinatieorgaan van samenwerkende ouderenorganisaties.
Bovendien blijkt in de praktijk van de uitvoering dat inhoud en uitvoering van een pensioenregeling wel te onderscheiden zijn maar niet goed te scheiden. Door de toenemende complexiteit van de uitvoering van pensioenregelingen is bij werkgevers, werknemers, gepensioneerden en pensioenuitvoerders het onderwerp pension fund governance nadrukkelijk op de agenda komen te staan. Vragen als «Welke verantwoordelijkheden kunnen worden onderscheiden bij de uitvoering van een pensioenregeling?», «Zijn de verantwoordelijkheden binnen een pensioenfonds goed belegd?» en «Wie legt aan wie waarover verantwoording af over de uitgeoefende bevoegdheden bij de uitvoering van een pensioenregeling?» dringen zich op. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het pensioenstelsel in Nederland hecht ik groot belang aan het zuiver voeren van de discussie over pension fund governance. Daarom heb ik in samenspraak met alle betrokken partijen het initiatief genomen tot een onderzoek wat enerzijds een goed overzicht moet geven van hoe pensioenfondsen thans invulling geven aan pension fund governance (good and bad practices) en anderzijds welke mogelijkheden zich – ook vanuit internationaal perspectief – aandienen voor verbetering van de sturing en beheersing van pensioenfondsen. In het kader van het onderzoek wordt op 30 juni een conferentie met belanghebbenden belegd. Het onderzoek zal half juli worden opgeleverd. Op welke termijn onder betrokkenen consensus zal ontstaan over de in de Nederlandse situatie meest optimale vorm van pension fund governance laat zich nog moeilijk raden. Het is mijn voornemen om de uitkomsten van deze discussie te betrekken bij de vormgeving van de Pensioenwet.
Bij de onderhavige discussie over de uitvoering van rechtstreeks verzekerde pensioenregelingen staat niet de «governance» van de verzekeringsmaatschappij ter discussie op een manier als bij pensioenfondsen. De uitkomsten van de discussie over pension fund governance kunnen echter ook aanknopingpunten opleveren voor het vraagstuk van de wettelijke regeling van medezeggenschap bij de uitvoering van pensioenregelingen door een verzekeringsmaatschappij.
Medezeggenschapsconvenant en rechtstreeks verzekerde regelingen
Door de Stichting van de Arbeid en het Coördinatieorgaan samenwerkende ouderenorganisaties is in een tweetal convenanten een aantal afspraken gemaakt om verbetering te brengen in de kwaliteit van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen. Afspraak is dat bij alle pensioenfondsen van enige omvang medezeggenschap van gepensioneerden vorm en inhoud moet krijgen, waarbij sprake dient te zijn van een evenredige vertegenwoordiging van gepensioneerden en een adequate faciliëring van deelnemersraden.
Het eerste convenant had ook betrekking op de medezeggenschap van gepensioneerden bij rechtstreeks verzekerde regelingen. De afspraken van juni 1998 luidden alsdus.
Aan de partijen betrokken bij pensioenregelingen die zijn ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij (werkgevers, vertegenwoordigers van betrokken vakorganisaties of ondernemingsraden) en waar de medezeggenschap van de deelnemers aan deze regelingen thans alleen kan worden uitgeoefend door de OR, zal nadrukkelijk in overweging worden gegeven te komen tot de instelling van een deelnemersvergadering ingeval sprake is van een relatief aandeel van ten minste 10% gepensioneerden ten opzichte van het totale aantal actieve en gepensioneerde deelnemers, zulks met een minimum van 25 gepensioneerden, dan wel van 1000 of meer gepensioneerden. Voorts zal worden aanbevolen dat de actieve en de gepensioneerde deelnemers over de inhoud van dit convenant worden geïnformeerd.
In het op 28 februari 2003 ondertekende tweede convenant wordt door de convenantpartijen vastgesteld dat de uitvoering van het convenant 1998 bij de rechtstreeks verzekerde regelingen veel te wensen heeft overgelaten. Partijen hebben in het nieuwe convenant gezamenlijk geconcludeerd dat het wenselijk is dat voor de medezeggenschap bij rechtstreeks verzekerde regelingen wettelijke maatregelen worden getroffen. Naar het oordeel van de convenantpartijen kan de inhoud van de wettelijke maatregelen overeenkomen met de afspraken zoals die in het convenant 1998 waren opgenomen.
De aanbeveling richt zich op werkgevers en vertegenwoordigers van vakbonden en ondernemingsraden. De deelnemersvergadering, zo staat in het tweede convenant, zou moeten worden ingesteld door de werkgever. Verder worden geen bijzonderheden (bevoegdheden, samenstelling, frequentie van bijeenkomen) genoemd. Het convenant biedt kortom weinig houvast voor het opstellen van een wettelijke regeling.
Uitgangspunten voor een wettelijke regeling
Vanuit het besef dat het uitvoeren van een pensioenregeling door een pensioenfonds of rechtstreeks door een verzekeraar wezenlijk van elkaar verschilt (zie Kamerstukken II 2001/02, 26 537, nr. 4) en vanuit het besef dat er ook in de uitvoering van rechtstreeks verzekerde regelingen sprake kan zijn van beleidsruimte, waarbij de belangen van actieve en niet-actieve deelnemers van elkaar verschillen, kom ik tot een aantal uitgangspunten aan de hand waarvan ik in overleg met betrokkenen in het kader van de Pensioenwet verder uitwerking wil geven aan de medezeggenschap bij rechtstreeks verzekerde regelingen.
1. Aansluiting bij convenant: naar mijn stellige overtuiging heeft het via wetgeving opleggen van gedragsverandering alleen kans van slagen, als daarvoor draagvlak is bij de betrokken partijen. Daarom wil ik in de wettelijke regeling zo veel mogelijk aansluiten bij de afspraken in het convenant;
2. Informatieverstrekking: uit gesprekken met zowel de Stichting van de Arbeid als het CSO is mij gebleken dat een deel van het onbehagen bij gepensioneerden over de uitvoering van pensioenregelingen door verzekeraars is gelegen in de informatie die wordt verstrekt aan gepensioneerden over inhoud en uitvoering van de regeling. Het voornemen is in de Pensioenwet nadere voorschriften over de informatieverstrekking door pensioenuitvoerders aan deelnemers op te nemen over inhoud en wijze van uitvoering van de regeling (onder andere over indexering, maar ook over beleggingsbeleid, vermogenspositie, premiestelling, etc.). Daardoor wordt de uitvoeringspraktijk voor gepensioneerden en actieve deelnemers begrijpelijker. Door meer inzicht te verstrekken in de overwegingen van de pensioenuitvoerder om de uitvoering in te richten zoals die is ingericht, kan heel wat onbehagen worden weggenomen;
3. Medezeggenschap volgt zeggenschap: medezeggenschap kan per definitie alleen worden uitgeoefend op verantwoordelijkheden en bevoegdheden die aan de zeggenschap kleven. Bij een rechtstreeks verzekerde regeling ligt de zeggenschap bij de werkgever, die kan besluiten na instemming van de ondernemingsraad. De wijze van uitvoering maakt onderdeel uit van het contract. Zoals al opgemerkt doet zich slechts een beperkt aantal keuzemomenten voor in de uitvoering van het contract. Het is redelijk dat de werkgever zich op die momenten vergewist van de opvattingen van de ondernemingsraad en gepensioneerden. Het ligt dus in de rede te zoeken naar mogelijkheden voor de niet in de ondernemingsraad vertegenwoordigde deelnemers in de rechtstreeks verzekerde pensioenregeling om invloed uit te oefenen op het overleg tussen werkgever en ondernemingsraad. Denkbaar is voor te schrijven dat de werkgever in zijn afwegingen omtrent besluitvorming met betrekking tot de uitvoering van de rechtstreeks verzekerde regeling ook de opvattingen van gepensioneerden moet betrekken. De werkgever zal een vorm moeten vinden om de opvattingen onder gepensioneerden daaromtrent te peilen en om die tot genoegen van ondernemingsraad en gepensioneerden verwoorden in zijn voorgenomen besluit. In de praktijk zou de vereniging van gepensioneerden, waarin de gepensioneerden van de onderneming zich hebben georganiseerd, het recht kunnen krijgen om gehoord te worden door de werkgever. Met een dergelijke invulling van de betrokkenheid van gepensioneerden wordt ook aangesloten op de afspraak in het tweede convenant om de medezeggenschap van gepensioneerden vooral ook via verenigingen van gepensioneerden te laten verlopen.
4. Beperking administratieve lasten: in aansluiting op de afspraken in het convenant stel ik me voor de verplichting tot het organiseren van medezeggenschap bij rechtstreeks verzekerde regelingen te beperken tot die regelingen, waarbij 250 of meer deelnemers betrokken zijn. Gelet op enerzijds het grote aantal rechtstreeks verzekerde regelingen (in 2002 40 000)1 en het betrekkelijk geringe aantal deelnemers (in 2002 13,5% van het totaal aantal deelnemers in aanvullende pensioenregelingen)1 en anderzijds de informatiebehoefte onder actieve deelnemers in rechtstreeks verzekerde regelingen kies ik er niet voor om de getalscriteria van het convenant over te nemen. In vergelijking met het in het convenant genoemde criterium – 10% gepensioneerden met een minimum van 25 – zullen er wel meer regelingen onder een wettelijke bepaling vallen, maar zal het eenvoudiger zijn te bepalen welke regelingen dat dan zullen zijn.
Aan de hand van bovengeschetste uitgangspunten meen ik recht te kunnen doen aan de intenties van de Stichting van de Arbeid en het CSO om gepensioneerden te betrekken in de medezeggenschap bij de uitvoering van rechtstreeks verzekerde pensioenregelingen door verzekeringsmaatschappijen. Enerzijds door heldere voorschriften in de Pensioenwet op te nemen over de informatieverstrekking door pensioenuitvoerders aan deelnemers in een pensioenregeling. En anderzijds door in de Pensioenwet de werkgever te verplichten de opvattingen van gepensioneerden nadrukkelijk te betrekken bij en te presenteren aan zijn ondernemingsraad ten behoeve van het overleg over een voorgenomen besluit tot wijziging of vernieuwing van een contract voor de uitvoering van een rechtstreeks verzekerde pensioenregeling bij een verzekeringsmaatschappij.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28294-7.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.