Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201728286 nr. 902

28 286 Dierenwelzijn

Nr. 902 VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 27 december 2016

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Economische Zaken over de brief van 28 juni 2016 over de antwoorden op vragen van de commissie over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren in verband met diverse wijzigingen op het gebied van dierenwelzijn (Kamerstuk 28 286, nr. 882).

De vragen en opmerkingen zijn op 13 september 2016 aan de Staatssecretaris van Economische Zaken voorgelegd. Bij brief van 23 december 2016 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Vermeij

De griffier van de commissie, Nava

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Verbod op het vriesbranden van runderen

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren in verband met diverse wijzigingen op het gebied van dierenwelzijn en de antwoorden op vragen van de commissie hierover. Naar aanleiding van het ontwerpbesluit en de antwoorden hebben de leden van de VVD-fractie nog enkele kritische vragen, met name over het onderwerp vriesbranden als methode van individuele koeherkenning, het zogenoemde koudmerken.

In de beantwoording geeft de Staatssecretaris aan dat het voor bedrijven mogelijk is om over te stappen naar een andere vorm van koeherkenning omdat het overgrote deel van de melkveehouders, 90%, geen gebruik maakt van vriesbranden als methode voor individuele herkenning. Er is dus een relatief kleine groep melkveehouders die de overstap niet gemaakt heeft en misschien ook moeilijker kan maken. De verwijzing naar het feit dat 90% van alle melkveehouders gebruik maakt van een andere wijze van koeherkenning zegt in de ogen van de leden van de VVD-fractie niet zoveel voor de resterende 10% van de melkveehouders, omdat er sprake kan zijn van bedrijfsspecifieke situaties waardoor de overstap bemoeilijkt wordt dan wel tot hoge kosten zal leiden. Andere methoden vormen hier kennelijk geen volwaardig, betaalbaar alternatief, of zijn in de woorden van de Staatssecretaris in zijn beantwoording «minder geschikt» bevonden door de melkveehouders. In de ogen van de leden van de VVD-fractie is dit nog steeds een aanzienlijk deel, 1600 bedrijven, waar rekening mee dient te worden gehouden. Kan de Staatssecretaris aangeven wat in zijn ogen het verschil is tussen «geen volwaardig alternatief» en zijn woorden dat de resterende groep veehouders de andere methoden «minder geschikt» vindt? In de ogen van de leden van de VVD-fractie staat hier hetzelfde en is er nog geen sprake van een volwaardig, betaalbaar alternatief. Is de Staatssecretaris bereid om in lijn met de aangehouden motie van het lid Rudmer Heerema (Kamerstuk 28 286, nr. 876) de ontheffing voor koudmerken te verlengen zolang er geen volwaardig alternatief is?

In de beantwoording noemt de Staatssecretaris een aantal alternatieven voor het vriesbranden van de koe, zoals een halsband in combinatie met elektronische herkenning, of het herkennen aan de vlekken, lichaamsbouw en aan de uier. Kenmerkend voor koudmerken is dat de dieren van een afstand gemakkelijk te identificeren zijn aan een nummer dat middels vriesbranden op de bil is aangebracht. Kan de Staatssecretaris nader aangeven hoe met name het herkennen aan de vlekken, lichaamsbouw of de uier een volwaardig, waterdicht alternatief is voor het koudmerken als koeherkenningsmiddel? Is de Staatssecretaris het met de leden van de VVD-fractie eens dat bij de methoden van herkenning de kans op fouten vele malen groter is, zeker bij een stalsysteem waarbij de koe met de bil naar de melkveehouder toe staat? Ook halsbanden bieden in een stalsysteem waarbij de koe met de bil naar de melkveehouder toe staat geen alternatief voor het koudmerken als methode van koeherkenning. Kan de Staatssecretaris hier nader op ingaan?

Ook voor de herkenning van de koe op grotere afstand, bijvoorbeeld bij weidegang, is de methode koudmerken een goede methode om de koe op de achterzijde te herkennen. De leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris of de genoemde alternatieven in de beantwoording van het schriftelijk overleg voldoen om op een goede manier de koe op de achterzijde te herkennen op grotere afstand? Zo ja, kan de Staatssecretaris aangeven waarom deze middelen een volwaardig alternatief zijn waarbij er minder fouten worden gemaakt?

Is de Staatssecretaris met de leden van de VVD-fractie van mening dat het intrekken van de ontheffing en een volledig verbod op koudmerken een gevolg kan hebben voor de weidegang omdat koeherkenning bemoeilijkt wordt?

Het vriesbranden van koeien is een hulpmiddel bij de koeherkenning. Afhankelijk van de specifieke eisen die een melkveehouder stelt aan een systeem van koeherkenning, bijvoorbeeld de herkenning op grotere afstand of vanaf de achterzijde van het dier, is naar zijn oordeel wel of geen sprake van een volwaardig alternatief. Of een alternatief voor een melkveehouder voldoet, is dus sterk afhankelijk van de specifieke wensen of voorkeur van die melkveehouder. De kosten kunnen daarbij een afweging zijn. Er zijn mij geen alternatieve systemen voor visuele waarneming bekend waarmee de koe op de achterzijde visueel kan worden herkend op grotere afstand; wel zijn er elektronische systemen op de markt en in ontwikkeling die het op afstand kunnen zoeken en identificeren van dieren ondersteunen. In vergelijking met visuele waarneming garanderen zulke systemen een hogere nauwkeurigheid en minder kans op fouten.

Melkveehouders verrichten vrijwel alle zorgtaken aan hun dieren in de stal. Ook koeien die weidegang genieten, verblijven een belangrijk deel van de tijd in de stal. Ik verwacht daarom geen negatieve gevolgen van een verbod op koudmerken op de weidegang. Ook om deze reden zie ik geen aanleiding om af te zien van het verbieden van de ingreep.

Met inwerkingtreding van dit voorgenomen wijzigingsbesluit wordt koudmerken als ingreep verboden. Tot de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit blijft het koudmerken als derde ingreep echter toegestaan.

Eerder hebben de leden van de VVD-fractie aangegeven dat zij signalen hebben ontvangen dat het koudmerken ook voor het werk van de dierenarts en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in sommige stalsystemen bemoeilijkt wordt wanneer koudmerken verboden wordt. In de beantwoording bij het schriftelijke overleg geeft de Staatssecretaris aan dat bestaande andere koeherkenningsmiddelen voldoen. De leden van de VVD-fractie willen de Staatssecretaris vragen of andere koeherkenningsmiddelen voor die stalsystemen, waar nu nog gebruik wordt gemaakt van koudmerken, een 100% waterdicht alternatief vormen voor het werk van de NVWA en de dierenarts. De leden van de VVD-fractie willen nogmaals aangeven dat zij signalen hebben ontvangen van onder meer dierenartsen dat koeherkenning op grotere afstand in de wei middels koudmerken veel duidelijker is dan bijvoorbeeld via een halsnummer. Is dit signaal op geen enkele manier bekend gemaakt aan het ministerie? Kan de Staatssecretaris hier nader op in gaan?

Zoals ook aangegeven in de antwoorden op eerder gestelde vragen over dit wijzigingsbesluit (Kamerstuk 28 286, nr. 882) hebben zowel de NVWA als de KNMvD aangeven dat zij hun werk goed kunnen blijven doen indien koeien geen koudmerk hebben. Er zijn geen signalen die dat tegenspreken bij mijn ministerie bekend. Overigens is het vriesbranden een managementtool voor de houder, en geen (Europees) erkend identificatiemiddel. De NVWA zal altijd aan de hand van erkende identificatiemiddelen de dieren controleren.

De Staatssecretaris beoogt met het verbod op koudmerken het aantal ingrepen te verminderen. Is de Staatssecretaris bereid om aan de bedrijven die koudmerken gebruiken als koeherkenning in plaats van twee oormerken één oormerk toe te staan?

De Europese Verordening (EG) nr. 1760/2000 ziet op de identificatie- en registratie van runderen en schrijft voor dat ieder dier twee identificatiemiddelen heeft. Nu zijn dat twee oormerken. Vanaf 28 juli 2019 is het volgens de Verordening (EG) nr.1760/2000 mogelijk om 1 oormerk te combineren met een chip of een maagbolus. Vriesbranden is volgens deze Verordening geen erkende wijze van identificatie. Daarom kan een koudmerk (ook op termijn) niet dienen ter vervanging van een oormerk.

Ik wil er nogmaals op wijzen dat mijn beleid erop gericht is om het aantal ingrepen bij het dier te verminderen en dat, in navolging van het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden, ik voornemens ben om de ingreep koudmerken als zodanig te verbieden. Dat betekent ook dat, als vanaf 28 juli 2019 de mogelijkheid ontstaat om 1 oormerk te combineren met een bolus (Europese Verordening nr. 1760/2000), koudmerken als tweede ingreep niet is toegestaan.

De leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris wat het intrekken van de ontheffing kan betekenen voor kleinschalige en biologische melkveehouders. Bij een eventueel verbod zullen er kosten moeten worden gemaakt om over te gaan op een ander herkenningssysteem. Deze kosten kunnen voor een kleinschalige, biologische boer aanzienlijk zijn. Kan de Staatssecretaris aangeven of het wenselijk is dat door het voorgenomen algehele verbod op koudmerken, wanneer dat er komt, kleinschalige biologische melkveehouders in de financiële problemen komen? Zo nee, waarom wordt de ontheffing dan niet verlengd totdat er sprake is van een volwaardig en betaalbaar alternatief?

Daarnaast kan een verbod gevolgen hebben voor die melkveehouders die willen overschakelen naar een biologische bedrijfsvoering. Het verbod, als kostenverhogende maatregel, kan een extra drempel opwerpen. Acht de Staatssecretaris dit wenselijk?

De Tweede Kamer heeft voor de zomer een petitie in ontvangst genomen, «Behoud koudmerken voor goede koeherkenning» (http://www.petities24.com/behoud_koudmerken_voor_goede_koeherkenning), waarbij verschillende melkveehouders aangeven dat koudmerken cruciaal is voor hun bedrijfsvoering, zowel binnen de stal maar ook bij weidegang. Kan de Staatssecretaris een reactie geven op de bezwaren van de petitieaanbieders en de petitie?

Bestaande en in overschakeling zijnde biologische melkveebedrijven hebben qua kosten van een alternatief koeherkenningssysteem geen nadeel ten opzichte van reguliere melkveebedrijven. Kleinere bedrijven kunnen weliswaar minder gebruik maken van schaalvoordelen, daar staat echter tegenover dat individuele koeien op kleinere bedrijven over het algemeen beter door de houder visueel worden herkend.

Voor het overige verwijs ik naar mijn hierboven gegeven antwoord op vragen over koudmerken. Daar ben ik reeds ingegaan op de bezwaren van de petitieaanbieders welke betrekking hebben op de weidegang, het melken en verzorgen en op de 10% bedrijven die koudmerken toepassen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de beantwoording van de vragen van de commissie over de wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren in verband met diverse wijzigingen op het gebied van dierenwelzijn op 28 juni 2016. Hierover hebben deze leden nog enkele vragen.

Verbod op het vriesbranden van runderen

De leden van de CDA-fractie willen de Staatssecretaris nogmaals verzoeken om zich te verdiepen in methodes voor koeherkenning. Deze leden zijn er niet van overtuigd dat gebruik van halsbanden of elektronische herkenning een altijd functionerend alternatief bieden voor koeherkenning en dat alternatieven voor koudmerken altijd minder afbreuk doen aan dierenwelzijn. Deze leden dringen er bij de Staatssecretaris op aan om de voor- en nadelen van verschillende wijzen van koeherkenning kwalitatief inzichtelijk te maken op aspecten als de systeemzekerheid, dierenwelzijn, gebruiksgemak en kosten. De leden van de CDA-fractie dringen er bij de Staatssecretaris op aan koudmerken in stand te houden.

Visuele herkenning van de tekening van de koe scoort goed op dierenwelzijn en kosten, maar minder goed op systeemzekerheid en gebruiksgemak vanwege de kans op vergissingen bij de melkveehouder of zijn medewerkers. Elektronische systemen (veelal een halsband met een chip) scoren goed op alle aspecten, maar de kosten zijn veelal hoger. Koudmerken kenmerkt zich door lage kosten maar is ongunstig voor dierenwelzijn omdat het een ingreep betreft. De systeemzekerheid bij koudmerken is geringer omdat net als bij visuele herkenning vergissingen kunnen optreden. Het gebruiksgemak van koudmerken varieert. Zo is er een betere herkenning op grotere afstand en in bepaalde melksystemen, maar koudmerken schiet tekort bij de toepassing van gecomputeriseerde systemen bij het voeren en melken.

Koetrainer

De leden van de CDA-fractie zijn tevreden te vernemen dat de Staatssecretaris deskundigenadvies vraagt ten aanzien van het gebruik van de koetrainer. Deze leden vragen door wie het deskundigenadvies wordt uitgevoerd en of de sector bij het advies en het vervolg daarvan wordt betrokken.

Het advies is uitgebracht door Bureau Vetvice dat zowel de positieve als negatieve aspecten van het gebruik van de koetrainer in beeld heeft gebracht. Daarbij is ook gekeken naar ervaringen en wetgeving in Canada en Zwitserland waar grupstallen veel voorkomen. Vetvice is van mening dat het gebruik van de koetrainer, mits op de juiste wijze ingezet, leidt tot een verbetering van de leefomstandigheden van de koe in de grupstal. Vetvice adviseert de aandacht te richten op voorlichting van de melkveehouders over de wijze waarop de koetrainer goed ingezet kan worden. Ik ben met de sector in overleg over de adviezen van Vetvice.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

Verbod op het vriesbranden van runderen

De leden van de SGP-fractie hebben enkele nadere vragen over het voorstel om het vriesbranden of koudmerken van runderen te verbieden.

Is de veronderstelling juist dat het sterk afhankelijk is van het stalsysteem en de grootte van het bedrijf (externe werknemers, erfbetreders) of elektronische koeherkenning voldoet als alternatief? Is de veronderstelling juist dat elektronische koeherkenning voor bijvoorbeeld bedrijven met een zogenaamde zij-aan-zij melkstal geen geschikt alternatief is voor koudmerken, en dat herkenning aan het uiterlijk in de praktijk niet realistisch is?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het gegeven antwoord op vragen van de VVD-fractie en de CDA-fractie over dit onderwerp.

In de toelichting op het ontwerpbesluit wordt aangegeven dat in samenspraak met de sector zal worden gekeken welke andere alternatieven mogelijk zijn en welk nader onderzoek daarvoor nodig is, en dat het derhalve nog niet mogelijk is al een inschatting te geven van de bedrijfseffecten. Welk onderzoek is nog nodig? Hoe lang gaat dat duren? Wordt gewacht met het van kracht laten worden van de bepaling met betrekking tot het koudmerken tot dit traject is afgerond en melkveehouders de kans hebben gekregen om eventueel om te schakelen naar een ander (stal)systeem, bijvoorbeeld door invoering per 1 januari 2018? Wil de Staatssecretaris rekening houden met het feit dat de prijzen in de melkveehouderij laag zijn en bedrijven weinig ruimte hebben om extra investeringen te doen?

Ik acht het niet wenselijk om de in het wijzigingsbesluit opgenomen bepalingen met betrekking tot het koudmerken langer uit te stellen. Als gevolg van de huidige lage melkprijzen hebben bedrijven thans weinig ruimte om extra investeringen te doen. De sector, de Nederlandse Melkveehoudersvakbond en LTO zijn echter al geruime tijd op de hoogte van deze voornemens. Sinds de inwerkingtreding van het verbod op de derde ingreep in 1996 heeft de sector immers gelegenheid gehad om over te schakelen op alternatieven.

Wordt koudmerken wel toegestaan als met gebruik van een maagbolus maar één oornummer meer nodig is?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar een vraag van de VVD op dit onderwerp.

Is de veronderstelling juist dat het overgrote deel van de Europese landen koudmerken gewoon toestaat? Ziet het er naar uit dat andere Europese landen binnenkort over zullen gaan tot een verbod op koudmerken?

In een onderzoek van Wageningen Universiteit «Initiatives to reduce mutilations in the EU» (http://edepot.wur.nl/374964) van maart 2016, vindt u een overzicht van de lidstaten waar vriesbranden is toegestaan. Een aantal lidstaten waar vriesbranden is toegestaan geven aan dat vriesbranden in de praktijk doorgaans geen gebruik is. In Oostenrijk en Duitsland is vriesbranden verboden. Of andere lidstaten over zullen gaan tot een verbod is mij niet bekend.

Is de veronderstelling juist dat bij (het keurmerk) biologische landbouw geen probleem wordt gemaakt van koudmerken? Zo ja, waarom wil de Staatssecretaris verder gaan dan de eisen voor het keurmerk biologische landbouw?

Er is vanuit de biologische regelgeving geen verbod op koudmerken. Het voorliggende ontwerpbesluit heeft echter een generiek karakter en maakt geen uitzondering voor de biologische veehouderij.

Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de beantwoording van de Staatssecretaris op vragen die eerder werden gesteld door deze leden. Zij willen graag nog enkele vervolgvragen stellen.

Scheidingsleeftijden primaten

De leden van de PvdD-fractie hebben de Staatssecretaris verzocht om de leeftijden te verhogen waarop jonge apen van hun ouders gescheiden mogen worden. De Staatssecretaris zegt hiertoe niet bereid te zijn en stelt dat de scheidingsleeftijden gebaseerd zijn op adviezen van de Wageningen Universiteit (WUR). De leden van de PvdD-fractie benadrukken nogmaals dat zij de voorgestelde leeftijden te laag vinden. Zij wijzen er op dat de voorgestelde leeftijden in het voorstel voor wijziging Besluit houders van dieren niet conform de WUR-adviezen zijn. In het WUR-rapport (ASG rapport 728, Separation ages for primates in new Dutch legislation, april 2013, p. 26) wordt voor beermakaken, Java-apen en resusapen een minimumscheidingsleeftijd van vier jaar voorgesteld en voor chimpansees een minimumscheidingsleeftijd van zes jaar. In het voorstel voor wijzing van het Besluit Houders van Dieren zijn echter scheidingsleeftijden van respectievelijk één jaar en vijf jaar opgenomen. Aangezien de Staatssecretaris zegt de adviezen van WUR te willen volgen, vragen deze leden de Staatssecretaris de leeftijden aan te passen en in lijn te brengen met het hierboven genoemde WUR-advies. Graag een reactie hierop van de Staatssecretaris.

De voorgestelde leeftijd van 3–4 jaar voor makaken is volgens het rapport van de Wageningen Universiteit een ideale leeftijd voor mannelijke makaken die in dierentuinen worden gehouden. De voorgestelde 6 jaar voor chimpansees in het rapport betreft de leeftijd die minimaal aangehouden zou moeten worden indien een jong na de scheiding niet in een groep leeftijdgenoten wordt geplaatst. Zoals ook uiteen gezet in de Nota van toelichting bij het Besluit houders betreffen de leeftijden opgenomen in het besluit geen optimale of wenselijke leeftijden. Het besluit bevat de minimale regels teneinde een langdurig verstoord welzijn bij jong en ouderdier te voorkomen. Deze leeftijden zijn overgenomen uit het bovengenoemde rapport. De voor deze apen ideale of minst belastende leeftijd zal veelal hoger zijn en is mede afhankelijk van het individuele dier zelf en van de omstandigheden waarin het dier voor en na scheiding wordt gehouden. Met de leeftijden in het besluit wordt beoogd excessen te voorkomen en de ondergrens te duiden die bij het niet respecteren daarvan kan leiden tot strafrechtelijke vervolging.

Verdoving van vissen bij doden

De leden van de PvdD-fractie zijn ontevreden over het antwoord van de Staatssecretaris over de verdoving van vissen bij het doden. De Europese Commissie laat nog voor onbepaalde tijd op zich wachten met haar reeds in 2014 beloofde verslag over de mogelijkheid om voorschriften in te voeren die zien op de verdoving van vissen bij het doden. De Staatssecretaris, die zegt dat vissenwelzijn zijn aandacht heeft, neemt hier genoegen mee en onderneemt geen enkele actie om het welzijn van vissen bij het doden te verbeteren. De leden van de PvdD-fractie lezen dat de Europese Commissie voornemens is om een nieuwe studie te laten verrichten naar het doden van kweekvis. Het is opmerkelijk dat er voor een nieuwe studie gekozen wordt, in plaats van het uitbrengen van het verslag waar we op wachten sinds 2014. Deze leden vernemen daarom graag wat de reden is dat er, twee jaar na de toezegging door de Europese Commissie, verdere vertraging ontstaat door het initiëren van een nieuwe studie. De leden vernemen ook graag wat de reden is dat het in 2014 beloofde verslag nooit is gepubliceerd, wat het doel is van deze nieuwe studie, door wie deze nieuwe studie uitgevoerd gaat worden en wat de beoogde termijn is waarop deze nieuwe studie afgerond en gepubliceerd zal worden.

De Europese Commissie maakt haar eigen afwegingen en stelt haar eigen prioriteiten. De aanhoudende vraag om aandacht voor dit onderwerp mijnerzijds lijkt de Europese Commissie juist te hebben overtuigd van het belang hiervan.

Navraag bij de Europese Commissie over de voortgang van de studie die in de brief van 29 juni jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 882) wordt aangehaald, leert dat de opdracht voor deze studie inmiddels is gegund en uitgevoerd zal worden door een consortium geleid door het adviesbureau IBF consulting. Deze studie heeft als doel het verzamelen van data over de huidige wijze waarop kweekvis in Europa wordt geslacht en getransporteerd. Ook zal er een assessment gedaan worden naar hoe en de mate waarin welzijnsaspecten worden meegenomen en zullen economische data verzameld worden over specifieke voorschriften voor de slacht en het transport.

De Europese Commissie verwacht dat de studie na de zomer van 2017 gereed zal zijn en streeft ernaar eind 2017 een rapport, gebaseerd op de studie, te kunnen presenteren aan de Raad van de Europese Unie en het Europees parlement.

Koetrainer

De leden van de PvdD-fractie willen van de Staatssecretaris weten waarom hij, in tegenstelling tot eerdere uitspraken, niet overgaat tot een verbod maar een deskundigenadvies nodig acht voor het gebruik van elektrische schokken om koeien te dwingen om niet te mesten en te urineren op de plek waar zij geacht worden te liggen, ook wel koetrainer genoemd. Welke nieuwe inzichten zijn er om terug te komen op het voornemen tot een verbod en welke belangen spelen hierbij een rol? De leden van de fractie van de PvdD vragen de Staatssecretaris met nadruk zich te houden aan het eerdere voornemen om de koetrainer met dit besluit te verbieden.

In mijn antwoorden van 29 juni jl. op de vragen van de vaste commissie voor Economische Zaken over het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit diergeneeskundigen en het Besluit houders van dieren is uiteengezet waarom ik een deskundigenadvies nodig acht (Kamerstuk 28 286, nr. 882). Ik verwijs u derhalve naar deze antwoorden.