Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201428286 nr. 732

28 286 Dierenwelzijn

Nr. 732 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 april 2014

Bij deze beantwoord ik, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, uw vragen van 2 april jl. over besmetting met Q-koorts bij Duitse melkveebedrijven.

U vraagt mij naar aanleiding van een artikel in de Boerderij van 28 maart 2014, dat stelt dat 63% van de Duitse melkveebedrijven besmet is met Q-koorts, wat dit betekent voor de volksgezondheidsaspecten in Nederland, of deze gegevens ook beschikbaar zijn voor andere landen en of de Q-koorts bacterie Coxiella burnetii op melkveebedrijven milder is dan de variant die bij geiten voorkomt.

Het feit dat op een belangrijk deel van de Duitse melkveebedrijven in de tankmelk antilichamen zijn gevonden tegen Coxiella burnetii heeft geen gevolgen voor de volksgezondheid in Nederland. Het is al langer bekend dat Coxiella burnetii op veel melkveebedrijven aanwezig is. Bij runderen komt vrijwel altijd een andere stam voor dan de stam die bij geiten en mensen voorkwam tijdens de Q-koortsuitbraak in Nederland. De stam die bij runderen voorkomt is zelden bij mensen gevonden. Koeien en rundveebedrijven zijn ook niet in verband gebracht met uitbraken van Q-koorts bij mensen. In Nederland werd in een onderzoek in 2011 op 82% van de melkveebedrijven antistoffen tegen de Q-koortsbacterie aangetoond (RIVM/GD/LTO1). Soortgelijke percentages worden zowel in Europa (EFSA2) als in Noord-Amerika (CDC3) bij onderzoek op melkveebedrijven gevonden.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers