Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 mei 2013
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) heeft mij de zienswijze «Zorgplicht Natuurlijk
Gewogen» aangeboden over het welzijn van semi- en niet-gehouden dieren. Deze zienswijze
heb ik aan uw Kamer aangeboden op 9 januari 2013 (Kamerstuk 28 286, nr. 611). Ik heb toen mijn inhoudelijke reactie opgeschort zodat ik eerst de meningen van
maatschappelijke organisaties kon horen.
In de eerste plaats ben ik de RDA erkentelijk dat zij op eigen gezag haar expertise
heeft ingezet bij het vraagstuk over de verantwoordelijkheid van de mens ten aanzien
van het welzijn van niet-gehouden en semi-gehouden dieren. De belangstelling in de samenleving voor het welzijn van in het wild levende
dieren groot is. Dat is onder meer gebleken bij het beheer van de grote grazers in
de Oostvaardersplassen, bij het beheer van de damherten in de Amsterdamse Waterleiding
Duinen en bij de bultrug die strandde op de Razende Bol bij Texel.
Centraal staat voor mij de vraag hoe overheid en natuurbeherende organisaties omgaan
met het welzijn van dieren in de natuur en hoe dat wordt afgewogen ten opzichte van
andere belangen. De benadering vanuit natuuroptiek was in het verleden vooral gebaseerd
op ecologische overwegingen. Een benadering vanuit dierenwelzijn is echter gebaseerd
op andere waarden en kent andere argumenten. Ik zie het als uitdaging en noodzaak
om deze velden dichter bij elkaar te brengen.
De zienswijze bevat waardevolle begrippen en uitgangspunten. De Raad beschrijft dierenwelzijn
als de mogelijkheid van een populatie om zich aan te passen aan de uitdagingen die
de omgeving stelt. De RDA neemt de morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van
dieren als vertrekpunt dat verplicht tot onderzoek hoe in een specifieke situatie
de zorgplicht ingevuld moet worden. Deze zorgplicht wordt niet bepaald door het feit
of een dier wel of geen houder heeft, maar door de mate waarin de mens de zelfredzaamheid
van een dier inperkt. De zorgplicht kan reden zijn om wel of niet in te grijpen. Dat
is afhankelijk van de situatie.
De RDA gaat in op de juridische bepaling dat onnodig lijden voorkomen moet worden. Hierbij maakt de RDA onderscheid in noodzakelijk lijden (verbonden aan het doel dat het lijden veroorzaakt), onvermijdbaar lijden (afhankelijk van externe, niet te beïnvloeden factoren) en aanvaardbaar lijden (maatschappelijk geaccepteerd). De noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid
van lijden worden in eerste instantie door de beheerder ingeschat.
Vervolgens is het van belang om te onderzoeken of er maatschappelijk draagvlak is
voor deze beoordeling, want dat bepaalt of er sprake is van «aanvaardbaar» lijden.
Zoals uw Kamer gemeld, heb ik een ronde tafel bijeenkomst belegd met deelnemers van
de kant van terreinbeheerders, natuurorganisaties, dierenbeschermers, jagers en wetenschappers.
Bij deze bijeenkomst bleek waardering voor de zienswijze. Het biedt een kader bij
besluiten over het welzijn van dieren en helpt om te bepalen of er wel of niet moet
worden gehandeld. In de ronde tafel bijeenkomst kwam naar voren dat situationele factoren
bepalen of er sprake is van noodzakelijk lijden. Het doel van een natuurgebied is
een andere dan van een recreatiegebied. Bij wilde dieren in ruime arealen is de zorgplicht
miniem en heeft die de vorm van een afblijfplicht.
Ik vind de zienswijze waardevol. Het biedt een bruikbaar kader voor eigenaren en beheerders
om besluiten te nemen die het welzijn van in het wild levende dieren aangaan. Elke
eigenaar of beheerder heeft de vrijheid – binnen de bestaande juridische kaders –
om het beheer van zijn gebied uit te voeren naar eigen inzicht. Als dit tot discussie
leidt is het voor de dialoog van belang dat gemaakte afwegingen zichtbaar zijn. Dit
speelt vooral indien het beheer (deels) komt uit publieke middelen. De zienswijze
kan helpen bij het transparant maken van de afweging, mede door het gebruik van de
definitie voor dierenwelzijn en de begrippen noodzakelijk, onvermijdbaar en aanvaardbaar
lijden.
Een goed voorbeeld van het nut van de concepten die de RDA nu in bredere zin hanteert,
is de toepassing ervan in het advies van de commissie-Gabor (2010), dat de basis is
voor het huidige beheer van de grote grazers in de Oostvaardersplassen. De commissie
stelde vast dat in de Oostvaardersplassen de begrenzing van het gebied door de mens
wordt bepaald en concludeerde dat grote grazers in de Oostvaardersplassen zich bevinden
tussen volledig wild en gedomesticeerd/beheerd. Vertrekkend vanuit de natuurdoelstellingen
voor dit specifieke gebied, kreeg de door de commissie geadviseerde zorgplicht uiteindelijk
de vorm van «vroeg-reactief beheer». Daarbij worden dieren tijdig afgeschoten, als
duidelijk is dat zij de winter niet zullen halen en zo wordt onnodig lijden beperkt.
Ik hoop dat ik met het organiseren van de ronde tafel bijeenkomst een bijdrage heb
geleverd aan bekendheid van deze zienswijze bij belanghebbenden en aan het debat met
verschillende maatschappelijke groepen over het omgaan met dieren in de natuur.
Daarnaast zal ik de zienswijze gebruiken waar dat voor mijn beleid van toepassing
is. Voorbeelden hiervan zijn het «protocol strandingen zeezoogdieren» en de Natuurvisie.
De staatssecretaris van Economische Zaken,
S.A.M. Dijksma