28 286
Dierenwelzijn

nr. 309
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2009

Met deze brief wil ik u informeren over de manier waarop ik het welzijn en de gezondheid van gehouden dieren in Nederland ga monitoren.

Ik ben voornemens om jaarlijks een «Staat van het dier» te gaan uitbrengen: een monitoringsrapportage waarin het niveau van dierenwelzijn en diergezondheid van gehouden dieren in Nederland wordt beschreven. Deze rapportage geeft inzicht in de ontwikkeling van het welzijn en de gezondheid van gehouden dieren en het effect van het dierenwelzijns- en diergezondheidsbeleid. Het biedt handvatten om, daar waar nodig, het beleid bij te sturen. De eerste «Staat van het dier» zal in februari 2010 verschijnen, tegelijkertijd met de tweede voortgangsrapportage over de Nota dierenwelzijn en de Nationale agenda diergezondheid.

Onderzoek door WUR-ASG

Mede naar aanleiding van de motie van het Kamerlid Thieme (PvdD, Tweede Kamer 2007–2008, 31 472, nr. 14) heb ik de Animal Sciences Group van Wageningen-UR (WUR-ASG) gevraagd hoe het niveau van dierenwelzijn en diergezondheid in Nederland inzichtelijk kan worden gemaakt en hoe de voortgang kan worden gemeten. Het perspectief van het dier is hierbij leidend.

WUR-ASG heeft eind mei het rapport «Indicatoren voor dierenwelzijn en diergezondheid» opgeleverd (zie bijlage 1).1 Het rapport bevat een inventarisatie van mogelijke indicatoren voor dierenwelzijn en diergezondheid. WUR-ASG heeft onderscheid gemaakt tussen outcome en outputindicatoren. Bij outcome gaat het om het effect dat met de inzet van het beleid wordt nagestreefd. In het geval van dierenwelzijnsbeleid gaat het om de daadwerkelijke verbetering van het welzijn vanuit het perspectief van het dier. Bij output gaat het om de concrete producten/prestaties van het beleid die moeten bijdragen aan de verbetering van het dierenwelzijn (de outcome).

Outcome indicatoren

Outcome indicatoren zijn slechts beperkt beschikbaar. Alleen voor een aantal dierziekten bij dieren in de veehouderij zijn nu indicatoren beschikbaar.

Deze worden namelijk jaarlijks gemonitord door de Gezondheidsdienst voor Dieren. Outcome indicatoren worden momenteel wel ontwikkeld in het kader van het EU-project Welfare QualityR. Dit project beoogt om eind 2009 voor een aantal diersoorten een welzijnsmonitor op te leveren vanuit het perspectief van het dier. De welzijnsmonitor combineert dierenwelzijn en diergezondheid en vormt de operationalisering van de vijf vrijheden van Brambell. Momenteel lopen in Europa pilots voor melkkoeien, vleeskoeien, vleeskalveren, zeugen, vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens. Het project wordt ook door LNV financieel ondersteund. Nederland is coördinator voor de ontwikkeling van de welzijnsmonitor voor vleeskalveren. Of de welzijnsmonitor van Welfare QualityR breed ingezet gaat worden, is sterk afhankelijk van acceptatie/benutting door marktpartijen en ook van het tot stand komen van een Europese organisatie die de methodiek onderhoudt en beheert. Ik wacht de resultaten van het EU-project af en zal op een later moment bekijken of er bruikbare en betaalbare indicatoren en meetmethoden van afgeleid kunnen worden voor de «Staat van het dier». Voorlopig kan gebruik worden gemaakt van de inschattingen van experts die hun beeld over welzijn en diergezondheid onderbouwen met beschikbare informatie uit de literatuur. Deze zogenaamde expertview levert een inventarisatie van ongerief en een inschatting van de ernst daarvan op populatieniveau. WUR-ASG heeft in 2007 in opdracht van het ministerie van LNV een dergelijke inventarisatie uitgevoerd voor runderen, varkens, paarden, pluimvee en nertsen1 en in 2009 voor konijnen, kalkoenen, eenden, schapen en geiten2. Deze expertview is in feite een geschatte outcome indicator.

Output indicatoren

Output indicatoren meten het welzijn van dieren indirect via de «omgeving»: de fysieke omgeving van het dier en het bewustzijn van houders, burgers & consumenten. Ze bestrijken een breder terrein dan alleen het perspectief van het dier. Output indicatoren:

• geven inzicht in het aandeel van bedrijven dat bovenwettelijke, welzijnsbevorderende maatregelen heeft genomen;

• geven inzicht in de naleving van wettelijke eisen ten aanzien van welzijn en gezondheid;

• geven inzicht in gebruik van dierbehandelingsmiddelen;

• meten deelname aan en effect van stimuleringsmaatregelen gericht op dierenwelzijn en diergezondheid;

• geven informatie over de infrastructuur (kwalitatief en beschikbaarheid) van de diergezondheidszorg;

• zeggen iets over bewustwording bij burgers/consumenten ten aanzien van dierenwelzijn en verandering in hun koopgedrag en/of omgang met dieren;

• geven informatie over kennisontwikkeling (onderzoek, onderwijs en voorlichting) gericht op dierenwelzijn en diergezondheid, inclusief het vinden van oplossingen voor strijdige belangen.

De combinatie van outcome en output indicatoren geeft een goed beeld van de inspanningen en het effect van het dierenwelzijns- en diergezondheidsbeleid.

Staat van het dier

Aangezien niet alle indicatoren even relevant zijn om op te nemen in een «Staat van het dier» heb ik uit het ASG-rapport een keuze van 20 indicatoren gemaakt. In bijlage 2 is de selectie in een schema opgenomen.1 Bij de keuze heb ik mij laten leiden door het perspectief van het dier en de in de Nota dierenwelzijn en Nationale agenda diergezondheid geformuleerde doelen.

Omdat het begrip indicator voor verwarring kan zorgen, noem ik in het schema de indicatoren meetpunten. De term indicator wordt namelijk vooral gebruikt in het kader van de rijksbegroting. Een indicator dient in dat kader ter verantwoording van beleid. De «Staat van het dier» is bedoeld om betrokkenen te informeren over de ontwikkeling van het welzijn en de gezondheid van gehouden dieren en het effect van het dierenwelzijns- en diergezondheidsbeleid.

Op grond van de eerste «Staat van het dier» zal ik bezien of hiervan ook een indicator kan worden afgeleid voor het dierenwelzijns- en diergezondheidsbeleid in de LNV-begroting vanaf 2011.

Gezien het feit dat het dierenwelzijnsbeleid in ontwikkeling is, kunnen ook de meetpunten aan verandering onderhevig zijn. Ze kunnen wijzigen door nieuwe inzichten of omdat er nieuwe meetpunten beschikbaar komen.

De meetpunten in de «Staat van het dier» hebben betrekking op gehouden dieren, met uitzondering van proefdieren. Voor proefdieren bestaat een geheel eigen regelgeving en rapportage2, onder verantwoordelijkheid van de minister van VWS. Momenteel zijn niet van alle diercategorieën gegevens beschikbaar. De «Staat van het dier» is dan ook een groeidocument dat in de loop der tijd steeds meer informatie over de verschillende diercategorieën zal bevatten.

In de loop van 2009 zullen voor de betreffende meetpunten gegevens worden verzameld, zodat in februari 2010 de eerste «Staat van het dier» over het jaar 2009 kan worden gepubliceerd.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

ASG-rapport 71, Ongerief bij runderen, varkens, paarden, pluimvee en nertsen: inventarisatie en prioritering, 2007.

XNoot
2

ASG-rapport 160, Ongerief bij konijnen, kalkoenen, eenden, schapen en geiten: inventarisatie en prioritering, 2009.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
2

Wet op de Dierproeven en ZoDoende, de jaarlijkse rapportage over aantallen en soort proefdieren, soort experimenten en classificatie van het ongerief dat de dieren hebben ondergaan.

Naar boven