28 286
Dierenwelzijn

nr. 21
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 juni 2004

Naar aanleiding van onder andere het AO dierenwelzijn van 11 februari jl., het VAO van 19 februari jl., enkele schriftelijke Kamervragen en het vragenuurtje op 25 mei jl., informeer ik u hierbij over de stand van zaken ten aanzien van de aangenomen moties en de toezeggingen.

Moties Ormel c.s. (28 286, nr. 7) over de wettelijke basis voor het welzijn en houden van gezelschapsdieren, Waalkens c.s. (28 286, nr. 10) over toetsing en certificering van de verkoop van huisdieren, Snijder-Hazelhoff c.s. (28 286, nr. 13) over algemene regels voor groepen van huisdieren en Van den Brink c.s. (28 286, nr. 19) over Europese regelgeving voor het houden en verzorgen van gezelschapsdieren.

In brieven en in debatten heb ik u reeds laten weten dat dierenwelzijn voor mij een belangrijk onderwerp is en dat ik op dit punt wil streven naar een andere verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en samenleving. Wetten maken die niet te controleren en te handhaven zijn, is niet de oplossing waar ik voor kies. Dat betekent alleen maar meer regels, een grotere lastendruk en een sterke neiging tot ontduiking. Dit geldt zeker op het terrein van de gezelschapsdieren.

Daarnaast is voor mij een belangrijk ijkpunt dat we met elkaar in het hoofdlijnenakkoord met name op het terrein van dierenwelzijn hebben afgesproken te zullen streven naar een level playing field. Ik streef na dat de Nederlandse welzijnsregels in de pas lopen met de welzijnsregels die in Europees verband worden afgesproken. Dit geldt niet alleen ten aanzien van productiedieren, maar ook ten aanzien van gezelschapsdieren. Op korte termijn is er geen zicht op Europese regelgeving op het terrein van gezelschapsdieren.

Bovengeschetste ontwikkelingen gaan niet vanzelf; er is het nodige denkwerk nodig om nieuwe wegen te vinden. Daarom is ook het onderwerp dierenwelzijn – primair beperkt tot gezelschapsdieren – betrokken bij het lopende project Bruikbare rechtsorde dat onderdeel uitmaakt van het kabinetsprogramma Andere Overheid. Binnen dit project zal vanuit de doelmatige verantwoordelijkheidsverdeling worden gekeken naar bruikbare alternatieven op het beleidsterrein dierenwelzijn (certificering, voorlichting, etc.).

Voorts heb ik u in januari per brief (DL. 2003/4130) aangegeven dat ik op het gebied van gezelschapsdieren een werkconferentie wil organiseren. Tijdens de conferentie zal het vraagstuk van de verantwoordelijkheidsverdeling centraal staan. En hoewel de verantwoordelijkheid voor de gezondheid en het welzijn van de dieren primair bij de houder ligt, wil dat niet zeggen dat zonder hulp van andere partijen gekomen kan worden tot een beter welzijn voor gezelschapsdieren. Bij partijen blijkt er sprake van een bereidheid hierover mee te denken en ook verantwoordelijkheid te nemen. Dat is ook al gebleken uit het feit dat de door de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) opgestelde lijsten ter invulling van artikel 33 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren op een breed draagvlak kunnen rekenen en dat is voor het eerst. Uiteraard zal bij de conferentie ook de rol van de overheid aan de orde zijn.

Overigens zal ik bij de conferentie tevens het Honden- en Kattenbesluit betrekken alsmede de meerwaarde van een door de sector eventueel in het kader van certificering op te zetten identificatie- en registratiesysteem. Immers, deze onderwerpen liggen in elkaars verlengde.

Uiteraard worden voor de conferentie de relevante maatschappelijke organisaties uitgenodigd van onderzoekswereld, bedrijfsleven tot de dierenbeschermingsorganisaties. Daarnaast zal ik de RDA vanuit zijn expertise nadrukkelijk betrekken bij de organisatie van de conferentie zelf. Hierover is met de RDA al overleg gevoerd. In de genoemde brief van januari wordt nog gesproken over een werkconferentie in het voorjaar; ik kan u nu meedelen dat de conferentie in de eerste helft van oktober zal worden gehouden.

Uiterlijk december dit jaar zal ik u via een brief informeren over de uitkomsten van de conferentie en de door mij voorgestelde lijn.

Motie Van der Ham c.s. (28 286 nr. 16) over een eenvoudige verdoving van castratie van biggen.

Binnen het EFSA-onderzoek wordt gekeken naar alle mogelijke vormen om het onverdoofd castreren van biggen uit te bannen. De resultaten van dit onderzoek komen in de tweede helft van dit jaar beschikbaar. Afhankelijk van de uitkomsten zal ik, wanneer er reële mogelijkheden zijn, tijdens het Nederlandse voorzitterschap actie ondernemen om hier een vervolg aan te geven.

Motie Oplaat/Ormel (28 286, nr. 12), verzoek tot streven naar verbod op het castreren van biggen in de Europese Unie.

In reactie op de motie heb ik reeds aangegeven het onderwerp castreren van biggen in EU-verband aan de orde te willen brengen. Ik wil dit doen in relatie tot de hierboven genoemde actie naar aanleiding van het EFSA-onderzoek.

Motie Snijder-Hazelhoff c.s. (28 286, nr. 14) inzake een algemeen keuringspunt op Schiphol.

Zoals u weet is de luchthaven Schiphol een Buitengrens Inspectiepost (BIP). Op deze post zijn vier private keuringspunten ingericht waarvan er één – namelijk die van KLM – diverse erkenningen heeft voor de keuring van levende dieren. De overheid heeft hier geen keuringspunten. Op basis van politieke keuzes zijn ongeveer 10 jaar geleden de bestaande keuringspunten geprivatiseerd. KLM staat toe dat haar keuringspunt ook door andere luchtvaartmaatschappijen wordt gebruikt, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

Deze voorwaarden zijn erop gericht om dierenwelzijnsproblemen te voorkomen. Om lange wachttijden voor de dieren te voorkomen verlangt KLM bijvoorbeeld dat veterinaire gezondheidscertificaten worden ingediend vijf dagen voordat een keuring zal plaatsvinden.

Concluderend kan worden gesteld dat er op Schiphol een keuringspunt beschikbaar is waar alle luchtvaartmaatschappijen gebruik van kunnen maken. Het past binnen het beleid van dit kabinet dat een private partij hier zelf verantwoordelijkheid heeft genomen en dat deze partij daaraan ook voorwaarden heeft gesteld om het dierenwelzijn te verbeteren. Het inrichten van een algemeen publiek keuringspunt druist in tegen de eerder genoemde politieke keuzes alsmede tegen het beleid van dit kabinet. Het is ook niet nodig, nog afgezien van de hoge kosten die daarmee zouden zijn gemoeid.

Brief minister aan Europese Commissie over dodingsmethoden van gekweekte vis.

Op vragen inzake dodingsmethoden van gekweekte vis heb ik tijdens het AO toegezegd een brief te zullen sturen naar de Europese Commissie om te bepleiten dat de Europese Commissie komt met regelgeving op dit terrein. Ik kan u melden dat deze brief inmiddels is verzonden.

Aanscherping straffen dierenmishandeling.

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Herijking strafmaxima heeft mijn ambtgenoot van Justitie toegezegd om aan de Tweede Kamer een brief te sturen waarin wordt ingegaan op enkele onderwerpen die tijdens deze behandeling aan de orde waren. De minister van Justitie zal – conform verzoeken van uw Kamer en toezeggingen mijnerzijds daaromtrent – bij deze brief tevens de vraag betrekken of moet worden overgaan tot verhoging van het op dierenmishandeling gestelde strafmaximum.

Implementatie verdoofde castratie biggen ouder dan zeven dagen.

Tijdens het AO heb ik de Kamer toegezegd zo spoedig mogelijk te komen met een reparatiemaatregel betreffende de implementatie van verdoofde castratie van biggen ouder dan zeven dagen.

Een wijziging van het Varkensbesluit is ter hand genomen. Aangezien het hier om een zogenaamde Algemene Maatregel van Bestuur gaat vraagt de procedure enige tijd. Mijn streven is erop gericht dat het Varkensbesluit eind dit jaar op dit punt is aangepast.

Alternatieven voor uierbranden en versnipperen van 1-dagshaantjes.

Ten aanzien van het uierbranden heeft LNV het initiatief genomen tot overleg met het bedrijfsleven. Tot mijn vreugde voelt het bedrijfsleven zich betrokken en wordt in goede samenspraak op korte termijn onderzoek op dit terrein uitgevoerd. Verdere ontwikkelingen wacht ik dan ook af.

Op dit moment zijn er geen diervriendelijker alternatieven voorhanden voor het versnipperen van eendagskuikens. Ik zal het overleg met het bedrijfsleven treden en de vraag voorleggen welke alternatieven het ziet, hoe het de (technische, financiële en maatschappelijke) haalbaarheid daarvan inschat en welke stappen het op dit terrein zal gaan zetten. Indien nodig ben ik bereid dit te faciliteren, bijvoorbeeld via onderzoek.

Bestialiteit.

Onder verwijzing naar mijn antwoord op vragen gesteld door de leden Eerdmans en Van Velzen en door de leden Waalkens en Wolfsen (Aanhangsel van de handelingen 1257 onderscheidenlijk 1259) bericht ik u dat ik ten behoeve van mijn standpuntbepaling onder andere advies gevraagd heb aan de Raad voor Dierenaangelegenheden.

Mede gezien het overig overleg dat voor mijn standpuntbepaling over de strafbaarstelling van bestialiteit nodig is, zal ik u daarover eerst na de zomer kunnen rapporteren.

Controles Honden- en Kattenbesluit.

Tijdens het vragenuur van 25 mei jl. heb ik u beloofd om u schriftelijk te informeren over de door de Algemene Inspectiedienst (AID) van mijn ministerie uitgevoerde controles naar de naleving van het Honden- en Kattenbesluit 1999.

U treft deze informatie aan in het onderstaande overzicht van uitgevoerde controles die de AID al dan niet in samenwerking met de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming heeft verricht. Controles worden in de regel onaangekondigd uitgevoerd. Indien een proces verbaal wordt opgemaakt, wordt dit altijd gezonden naar het Openbaar Ministerie. Indien nodig worden hercontroles ingesteld; dit kan een fysieke of een administratieve controle zijn. Zoals bekend behoort het overigens niet tot de bevoegdheid van de minister van LNV om te bepalen of tot daadwerkelijke vervolging wordt overgegaan, noch wat de eventuele strafmaat zal zijn.

• Het jaar 2002

Op 1 maart 2002 is het Honden- en Kattenbesluit 1999 van kracht geworden; bedrijven dienden zich voor 1 mei 2002 aan te melden. In het totaal is in dat jaar 647 uur besteed aan controles Honden- en Kattenbesluit 1999. Er zijn 102 controles uitgevoerd, waarbij 11 overtredingen zijn geconstateerd. Er is twee keer proces verbaal opgemaakt. Voor de overige overtredingen is een waarschuwing gegeven.

• Het jaar 2003

In dit jaar werd aan het Honden- en Kattenbesluit 1999 ruim 1100 uur besteed. Er zijn in totaal 72 controles geweest waarbij 39 overtredingen zijn vastgesteld. Daarbij zijn vijf processen verbaal opgemaakt, voor de overige overtredingen is een waarschuwing gegeven. In Zuid-Nederland zijn twee gevallen van illegale hondenhandel geconstateerd. De honden waren gehuisvest in varkensschuren. Er is proces verbaal opgemaakt. Er was geen aanleiding om de honden in beslag te nemen.

• Het jaar 2004

In het eerste kwartaal van 2004 werd 132 uur besteed aan het Honden- en Kattenbesluit 1999. De AID heeft in 2004 samen met de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming en de politie 14 verdachte adressen bezocht in het noorden van Nederland. Enkele fokkers kregen de toezegging dat er op korte termijn een hercontrole plaats zal vinden in verband met het welzijn van de honden. De controle werd mede uitgevoerd naar aanleiding van klachten van omwonenden. In vergelijking met een soortgelijke controle vier jaar geleden in dit gebied zijn de activiteiten van de illegale fokkers afgenomen. Ook werden er geen schrijnende gevallen geconstateerd waarbij de dieren ernstig verwaarloosd waren.

Daarnaast zijn er nog 20 adressen bezocht elders in het land, waarbij één overtreding is vastgesteld. Daartegen is waarschuwend opgetreden vanwege het niet naleven van de verzorgingsvoorschriften.

De bovenstaande bevindingen van de AID wekken niet de indruk dat de dierenwelzijnsregelgeving op grootschalige wijze door de hondenhandel wordt overtreden. Niettemin neem ik de signalen van de Dierenbescherming serieus en wil ik onderzoeken of deze signalen kloppen. Binnen een gewijzigde verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en samenleving – zoals aan het begin van deze brief is aangegeven – is het naar mijn mening de taak van de overheid om in te grijpen daar waar sprake is van misstanden en excessen. Om die reden heb ik de Dierenbescherming gevraagd om in aanvulling op het Zwartboek gegevens door te geven waar sprake zou zijn van misstanden en excessen, zodat door de AID nader onderzoek kan worden ingesteld. In de nabije toekomst zal – zoals ik recentelijk in uw Kamer heb betoogd – de samenwerking tussen LNV en de Dierenbescherming verder worden uitgewerkt om een effectieve controle verder vorm te geven.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

C. P. Veerman

Naar boven