28 285
Benoeming van een Voorzitter

nr. 8
BRIEF VAN HET LID JORRITSMA-LEBBINK

Aan de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 28 mei 2002

Graag motiveer ik met deze brief waarom ik mij kandidaat stel voor de functie van voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Het parlement vormt voor mij het hart van onze democratie. Een hart waar de stem van de kiezer zich direct dient te vertalen in een zorgvuldige controle van de regering. En waar de balans wordt bewaakt zodat macht niet leidt tot machtsmisbruik. Kortom, een plek waar de gekozene met een mandaat van de kiezer het laatste woord dient te hebben in alle zaken die burgers direct betreffen.

Het is van belang dat zo'n belangrijk orgaan continu nadenkt over een adequate uitoefening van haar controlerende en medewetgevende taak, maar ook oog houdt voor een open en intensieve communicatie met de burger. Alleen zo kan er sprake zijn van een duidelijk zichtbare band tussen volk en volksvertegenwoordiging.

In de periode dat mevrouw Van Nieuwenhoven voorzitter van de Tweede Kamer was zijn onder haar leiding vele verbeteringen doorgevoerd. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de instelling van het Onderzoeks- en Verificatiebureau om de controlerende taak van de Tweede Kamer te versterken. Ik beschouw het als een uitdaging om door te gaan op de door haar ingeslagen weg van vernieuwing.

In de afgelopen 20 jaar heb ik brede politieke ervaring opgedaan die ik nu graag zou willen inzetten voor de Tweede Kamer als geheel. Indien ik tot voorzitter gekozen word, ben ik vanzelfsprekend voor de volle periode beschikbaar.

Ook als Tweede Kamerlid heb ik altijd belangstelling getoond voor en ben ik betrokken geweest bij het functioneren van de Tweede Kamer, bijvoorbeeld als plaatsvervangend lid van de Commissie Werkwijze (1989–1994). Voor mij is duidelijk dat het de eerste taak van de voorzitter is om toe te zien op een ordentelijk verloop van de beraadslagingen en de besluitvorming. Ik heb kennis van het reglement van orde en respecteer het, hoewel artikel 154 mij eveneens lief is.

Misschien mag ik ten aanzien van het functioneren van de Tweede Kamer een paar observaties doen, die erop gericht zijn de controlerende taak van het parlement nog meer te versterken en tegelijkertijd haar rol als volksvertegenwoordiger meer zichtbaar en voelbaar te maken voor een breder publiek. Hiertoe zou ik graag het debat willen aangaan, over o.a.:

1. Hoe we bij een algemeen overleg en nota-overleg het debat meer zouden kunnen richten op een discussie met de bevoegde bewindspersoon om het beleid te kunnen controleren en minder met mede Tweede Kamerleden.

2. Hoe wij het instrument van moties zouden kunnen versterken om daarmee het beleid van de regering effectiever te kunnen beïnvloeden.

3. Hoe we de normale vergadertijden nog meer in ere zouden kunnen herstellen. Dit past ook in een efficiënte en effectieve vergaderwijze van de Tweede Kamer zelf.

4. Hoe we tot een duidelijker en levendiger plenair debat kunnen komen, bijvoorbeeld door meer korte interrupties en minder statements.

5. Hoe we juist als Tweede Kamer in zouden kunnen spelen op technologische vernieuwingen, zeker wanneer die ertoe kunnen leiden dat het debat toegankelijker wordt voor een breed publiek. Het gebruik van nieuwe media kan hierbij een instrument zijn, maar dient nooit een doel op zich te worden.

Een laatste observatie betreft de Tweede Kamer als organisatie. Ik wil mij graag inzetten voor het verbeteren van de organisatie, zeker wanneer de verbeteringen worden ingegeven door de medewerkers die er werken en willen blijven werken. Hiertoe zou ik graag gesprekken willen voeren met de diensten van de Kamer, de fractiestaven en derden die een relatie hebben met de Tweede Kamer.

Vanzelfsprekend dienen alle vernieuwingen op een breed draagvlak van de Tweede Kamer te kunnen rekenen en in nauwe samenwerking met de Commissie Werkwijze op voorstel van het Presidium tot stand te komen.

Elke functie kent specifieke verantwoordelijkheden. Voor het kamervoorzitterschap geldt vanzelfsprekend de eis om boven partijen te kunnen staan. De kamervoorzitter is er voor de gehele kamer. Als Vice-Premier heb ik mogen ervaren dat ook bij het vervangen van de Minister-President in de Ministerraad geldt dat de voorzitter boven – in dit geval – de coalitiepartijen moet staan.

Niet in de laatste plaats hoop ik aandacht te kunnen besteden aan de onderlinge verhoudingen die enerzijds alle ruimte moeten laten voor scherpe debatten en politieke meningsverschillen, maar die anderzijds gebaseerd moeten zijn op wederzijds respect.

Laat ik ter afsluiting nog een andere vrouwelijke kamervoorzitter als voorbeeld stellen: Mevrouw Betty Boothroyd, de eerste vrouwelijke «Speaker» en de eerste die brak met de traditie van het dragen van een pruik. «Order, order» klonk nog nooit zo gedecideerd en toch altijd vriendelijk als onder haar voorzitterschap van het Britse Lagerhuis.

Voor een toelichting op mijn motivatie ben ik vanzelfsprekend beschikbaar.

Met vriendelijke groet,

A. Jorritsma-Lebbink

Naar boven