Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200528244 nr. 96

28 244
Enquête Bouwnijverheid

nr. 96
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 4 april 2005

De commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de regering naar aanleiding van de brief van 9 maart 2005 inzake het schikken van verhaalsacties inzake bouwfraude (kamerstuk 28 244, nr. 94).

De regering heeft deze vragen beantwoord bij brief van 1 april 2005. Vragen en antwoorden, voorzien van een inleiding, zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Buijs

De griffier van de commissie,

Van der Leeden

Inleiding

Hierbij doen wij u mede namens de minister van Economische Zaken de antwoorden toekomen op de schriftelijke vragen en opmerkingen van uw Kamer naar aanleiding van de brief van de minister van VROM van 9 maart 2005 (Tweede Kamer 28 244, nr. 94) over het schikken van verhaalsacties inzake bouwfraude. Vanwege de overlap tussen de verschillende vragen geven wij hieronder per hoofdthema een antwoord. Specifieke vragen die niet onder een bepaald thema vallen beantwoorden wij aan het einde van deze brief. Wij starten met een korte chronologische beschrijving van de gang van zaken rondom het verhalen van schade.

Vragen1

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

1

Wie hebben namens het kabinet onderhandeld met Bouwend Nederland en de andere betrokken overheden en welk mandaat hadden de onderhandelaars?

2

Klopt het bericht dat alle betrokken partijen het in principe eens waren over een schikking of regeling ter grootte van € 65 miljoen?

3

Op welke wijze zou het bedrag van € 65miljoen tussen de verschillende overheden worden verdeeld?

4

Waarom ziet het kabinet nu af van een schikking? In de op 22 maart jl. door de Kamer georganiseerde hoorzitting liet onderhandelaar S. Schaap van de Unie van Waterschappen weten dat het weigeren van een schikking is gebaseerd op de hoogte van het bedrag dat het rijk tegemoet zou kunnen zien en vanwege een «principiële opstelling». Als dit laatste het geval is, waarom heeft minister Brinkhorst tijdens debatten met de Kamer dan steeds aangedrongen op een snelle oplossing en de gesuggereerde schikking?

5

Kan een inschatting gemaakt hoeveel juridische procedures gevoerd moeten worden, wat de beoogde inzet is en hoe lang dergelijke procedures mogelijk kunnen duren?

6

Namens de Stichting Regres deelde onderhandelaar J. van Zanen tijdens bovengenoemde hoorzitting mee dat de juridische kosten inmiddels 68 maal € 4000 bedragen. Hoeveel geld heeft het rijk reeds moeten uitrekken voor juridische procedures?

7

Wat wordt de rol van de Raad van Arbitrage in de discussie over de vaststelling van de te vergoeden bedragen?

8

Bent u bereid alsnog aan de onderhandelingstafel plaats te nemen om tot een schikking of regeling te komen?

9

Hoe oordeelt u over de mogelijkheid dat bij de «principiële benadering» door het rijk de andere overheden afzonderlijk met Bouwend Nederland tot een schikking zullen komen? Is het u bekend dat de andere overheden dit laatste niet uitsluiten en acht u een «alleingang» van het rijk wenselijk?

10

Kunt u een totaaloverzicht geven van het aantal bedrijven dat inmiddels een boete en/of sanctie opgelegd heeft gekregen en om welke bedragen het daarbij gaat? Kunt u tevens een indicatie geven van het aantal lopende juridische procedures tegen bouwbedrijven?

11

Wat betekenen de opgelegde sancties voor het midden- en kleinbedrijf in de bouw? Komt de continuïteit van deze bedrijven in gevaar?

Inbreng van de leden van de PvdA-fractie:

12

Wanneer heeft het kabinet besloten te gaan onderhandelen om zo te komen tot een schikking met het bedrijfsleven over het terugbetalen van de geleden schade? Was dit een kabinetsbesluit? Zo neen, van welke minister(s) was dit dan wel en besluit?

13

Welke stappen zijn gezet sinds de start van de onderhandelingen? Wanneer hebben welke ministers hierbij aan tafel gezeten? Is er tussentijds ruggespraak geweest met andere kabinetsleden?

14

Op 24 januari 2004 verklaarden de ministers van Economische Zaken (EZ), Verkeer en Waterstaat (VW) en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) dat wanneer er voor 15 februari jl. overeenstemming zou worden bereikt over een substantiële tegemoetkoming van de bouwsector aan overheidsopdrachtgevers, alle rijksopdrachtgevers de civiele procedures stop zullen zetten. Is dat waar?

15

In november 2004 was de boetesystematiek van de NMa al bekend. Daarin zijn de kortingspercentages opgenomen bij terugbetalen van de geleden schade aan de opdrachtgevers. Wisten de leden van het kabinetsleden in respectievelijk november en januari jl. van de wens van de ministers van EZ, VW en VROM om tot schikken over te gaan? Hebben de overige ministers zich hier tegen verzet? Zo neen, hoe is dan de uitspraak van de Minister-President op 4 maart 2005 te duiden dat om principiële reden besloten is niet te schikken maar de gang naar de rechter te maken? Wat waren die principes waar de Minister-President het tijdens de wekelijkse persconferentie over had?

16

Met welke insteek zijn de ministers van VW en VROM de onderhandelingen begonnen? Wat had de hoogste prioriteit, het verhalen van de geleden schade of het snel normaliseren van de verhoudingen met de sector? Tijdens de bovengenoemde hoorzitting verklaarden o.a. de vertegenwoordigers van de waterschappen en de provincies dat de insteek van de betreffende minister sterker lag op het normaliseren van de verhoudingen in de sector dan het vergoeden van de schade. Wat was de reden van het kabinet om deze afweging zo te maken?

17

Hebben de ministers van VW en VROM tijdens het onderhandelen een voorbehoud gemaakt?

18

In bovengenoemde de hoorzitting in de Kamer is door verschillende personen gesproken over een conceptakkoord. Is de regering bereid dit conceptakkoord sturen naar de Kamer te sturen?

19

In uw brief spreekt u over een potentiële claim van € 150 miljoen. Is het terugkrijgen van dit bedrag het vertrekpunt van de regering geweest bij de onderhandelingen? Zo neen, waarom is dit bedrag niet als vertrekpunt gekozen? Heeft dit bedrag een rol gespeeld in de onderhandelingen? Zo ja welke?

20

Hoe is het bedrag van de principeovereenkomst van € 50 miljoen totstandgekomen? Klopt de rekensom van Bouwend Nederland dat dit ongeveer 1% van de door de NMa gehanteerde aanbestedingsomzet is? Welke rol heeft deze systematiek in de onderhandelingen gespeeld? Is het waar dat Bouwend Nederland bereid was een bedrag van € 50 miljoen aan schade terug te betalen? Wat heeft de betaling van € 15 miljoen aan het PISB-programma te maken met het betalen van schadevergoedingen van bouwbedrijven aan opdrachtgevers?

21

Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen schikken bij overtreding van wetten en regels en het schikken bij het betalen van een schadevergoeding? Wat is dit geval aan de orde? Heeft bij de afweging van het kabinet op 4 maart jl. een rol gespeeld dat de Kamer zich negatief heeft uitgelaten over het schikken van strafzaken in het kader van de bouwfraude?

22

De heer Schaap van de Unie van Waterschappen verklaarde in de hoorzitting van de Kamer dat het kabinet met een lager rijksdeel van de overeengekomen €50 miljoen voor de gezamenlijke overheden genoegen nam, om de deal rond te krijgen. Klopt dat?

23

Wat zijn de te verwachten kosten voor de overheid voor de gang naar de rechter?

24

Klopt het dat wanneer de boetes van de NMa hoger uitvallen, er daardoor een hoger schikkingsbedrag vanuit Bouwend Nederland op tafel komt? Oftewel als de NMA-boetes hoger uitvallen stijgt dan het bedrag dat Bouwend Nederland als schadevergoeding betaalt? Klopt het dat Bouwend Nederland € 5 miljoen van de € 50 miljoen schadevergoeding terugkrijgt door een lagere NMA-boete? Klopt het dat daardoor er per saldo maar een schadevergoeding van € 45 miljoen wordt betaald?

25

De Kamer en het kabinet hebben de conclusies van de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid onderschreven dat het beter is aanbestedingsgeschillen voor te leggen aan de rechter in plaats van aan de Raad van Arbitrage. Verwacht u dat er voldoende expertise bestaat om deze rechtszaken tot een goed einde te brengen? En is de samenstelling van de Raad van Arbitrage zo gewijzigd dat tegemoet gekomen is aan de kritiek van de Enquêtecommissie? Zo ja, is die Raad dan wel toegerust om aanbestedingsgeschillen te beslechten? Zo neen, is de samenstelling dan niet onevenwichtig?

26

Hoe beoordeelt u de uitspraak van de heer Schaap van de Unie van Waterschappen in de Cobouw van 9 maart jl., waarin hij stelt dat «van een minister toch wordt verwacht dat die daar met enig mandaat zit»? Wat was het mandaat van de betrokken ministers? Was de ministerraad op 4 maart jl. de eerste gelegenheid dat u over uw mandaat gesproken heeft?

27

Heeft u op 1 maart jl. gezegd dat u het akkoord met een positief advies zou voorleggen aan het kabinet?

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

27

In de brief van 11 juli 2003 heeft het kabinet een fasegewijze aanpak uiteengezet voor het verhalen van de schade ten gevolge van prijsafspraken in de bouw. Eerst worden proefprocessen gestart en op basis van de uitkomst daarvan stelt het kabinet een vervolglijn vast. In de brief van 9 maart 2005 geeft het kabinet aan deze aanpak te blijven volgen.

In de afgelopen twee jaar is volgens deze leden weinig voortgang geboekt met de proefprocessen. Op grond van welke kennis en ervaringen denkt het kabinet dat binnen afzienbare tijd de proefprocessen tot een (goed) einde gebracht kunnen worden? Hoe groot acht het kabinet de kans om, bij een negatieve evaluatie van deze proefprocessen, alsnog tot een schikking te komen?

28

Op welke wijze heeft het kabinet bij de beslissing om af te zien van een schikking, laten meewegen hoe hoog de proceskosten zullen zijn voor de gerechtelijke stappen die opdrachtgevers (in het bijzonder kleine gemeenten) moeten nemen om de geleden schade via de rechterlijke weg te verhalen?

29

Is het kabinet van mening dat het treffen van een schikking had bijgedragen aan een goede (betere) verhouding tussen overheidsopdrachtgevers en Bouwend Nederland? Welk belang hecht het kabinet aan deze relatie?

30

Tijdens de hoorzitting in de Tweede Kamer d.d. 22 maart 2005 kwam naar voren, dat de overheidspartijen (Stichting Regres, IPO en Unie van Waterschappen) het bedrag van € 50 miljoen aan de lage kant vinden. In de brief van 9 maart jl. geeft het kabinet aan dat het lage schikkingsbedrag één van de redenen was om af te zien van de schikking. Kortom, geen van de overheidsopdrachtgevers was tevreden met het bereikte bedrag. Is het kabinet van mening dat alle middelen zijn benut om tot een voor de opdrachtgevers aanvaardbare hoogte van het schikkingsbedrag te komen, maar dat meer dan €50 miljoen «er niet in zat»?

31

Namens de rijksoverheid zijn de ministers van VROM en VW direct betrokken geweest bij de onderhandelingen met Bouwend Nederland. Hoe (in)direct waren ook de ministers van EZ en Financiën hierbij betrokken?

32

Het schikkingsbedrag (of dat nu € 50 miljoen zou zijn of meer) zou op een bepaalde manier verdeeld moeten worden tussen de betrokken overheden. Was hiervoor een vaste verdeelsleutel afgesproken tussen de overheidsopdrachtgevers? Of was de onderlinge verdeling mede afhankelijk van de hoogte van het uiteindelijke schikkingsbedrag?

33

Tijdens de hoorzitting d.d. 22 maart 2005 heeft Bouwend Nederland aangegeven hoe tot het bedrag van € 50 miljoen is gekomen. Hiervoor hebben het ministerie van VROM (ambtelijk niveau) en Bouwend Nederland om de tafel gezeten. Het bedrag van € 50 miljoen is ontstaan, door 1% te nemen van de totale omzet van de bedrijfstak. Deze omzet is gesteld op circa 5 miljard euro. 1% hiervan levert het bedrag op van € 50 miljoen.

Kan meer gedetailleerd worden aangegeven hoe, en op basis van welke uitgangspunten, deze berekeningen zijn gemaakt? Heeft het kabinet (bij monde van haar vertegenwoordigers aan de onderhandelingstafel) kanttekeningen geplaatst bij deze berekeningsmethode? Zo ja, welke kanttekeningen waren dit en op welk moment in het onderhandelingsproces zijn deze opmerkingen ingebracht? Zo neen, waarom is dit niet gebeurd?

34

De aanpak van de bouwfraude heeft gevolgen voor de liquiditeit en solvabiliteit van bouwbedrijven (of de schade nu uiteindelijk wordt verhaald via een schikking, dan wel via rechtszaken). Vragen overheidsopdrachtgevers bij aanbestedingen nog steeds om inzicht in de financiële positie van bouwbedrijven?

35

Hoe verklaart het kabinet zijn beslissing om eerst deel te nemen aan overleg met Bouwend Nederland (met de inzet om tot een schikking te komen), om vervolgens om principiële redenen af zien van zo'n schikking? Als op principiële gronden niet ingestemd kan worden met een schikking, zou overleg over een schikking toch nooit van start moeten zijn gegaan?

36

Hoeveel geld heeft de rijksoverheid tot op dit moment besteed aan advocatenkosten in deze kwestie?

37

Wat is de visie van de landsadvocaat op het verloop tot nu toe van de proefprocessen en op de beslissing van het kabinet om niet in te stemmen met de schikking?

38

Welke consequenties heeft het gegeven dat niet tot een schikking is gekomen, voor de afspraken die met de NMa zijn gemaakt over kortingen op boetes?

39

Op welke wijze is becijferd dat totale potentiële claims ongeveer € 150 miljoen bedragen? Is dit, zoals in de brief van 9 maart jl. is aangegeven, op basis van de selectie van 1000 zaken uit de schaduwboekhouding? Of speelt hierbij ook de 8,5% uit het rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid een rol?

40

Hoeveel geld dient er uiteindelijk in totaal in de «pot» van het PSIB-fonds te stromen? Wat is de verdeling tussen de publieke en private financiële bijdrage aan het PSIB-programma, is die 50%-50% of anders? Hoe verhoudt de € 15 miljoen die Bouwend Nederland via de schikking aan dit programma zou bijdragen zich tot de private bijdragen?

Inbreng van de leden van de SP-fractie

41

De leden van de SP-fractie weten wat de ontbindende voorwaarden van het akkoord zijn. Is er sprake van een voorlopig akkoord of is het werkelijk definitief?

42

De leden van de SP begrijpen niet waarom is gekozen voor een schikking van € 50 miljoen. Wat is de reden van deze beperking en hoe valt dit bedrag te rijmen met de potentiële claim van € 150 miljoen (blijkende uit de brief van 9 maart jl.) en/of de potentiële claim van € 360 miljoen volgens het ministerie van Economische Zaken en de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid?

43

Kunt u een overzicht sturen van alle verschillende regelingen met bijbehorende kortingen?

44

Bent u voorstander van het stellen van minimum standaarden voor openbare aanbestedingen om paal en perk te stellen aan de frauduleuze praktijken in de bouwwereld? Wat vindt u van harde sancties tegen bedrijven die betrapt worden op omkoping, zoals zwarte lijsten met frauderende bouwbedrijven en het subiet annuleren van contracten als van omkoping sprake is?

45

Wat vindt u van het feit dat slechts één procent van de bedrijven opdraait voor de schikking en de boetes en dus een grote groep de dans ontspringt? Bent u van mening dat er nog energie gestoken moet worden om de overige 99% te onderzoeken en ook op te laten draaien voor hun gedrag? Wat is uw reactie op het artikel in de Cobouw van 7 februari jl.waarin wordt gesteld dat «spreken is zilver, zwijgen is goud»? Past deze uitlating volgens u in het idee van snel «schoon schip» maken? Hoe kan volgens u de schadelast evenwichtiger worden verdeeld over de bedrijven?

46

Wat is uw reactie op het onderzoek van Transparency International (TI) waaruit blijkt dat de bouwfraude overal en nog steeds plaats vindt en de bouwwereld ongebruikelijk sterk vatbaar is voor corruptie? (bron: Volkskrant 17 maart jl.) Vermoedt u dat dit ook nog steeds in Nederland het geval is? Deelt u de mening van TI dat dit komt doordat bouwprojecten weinig gestandaardiseerd zijn en met de hoeveelheid benodigde handtekeningen en vergunningen de kat op het spek wordt gebonden? Welke oplossing ziet u voor deze problemen?

47

Komen bedrijven die zich niet vrijwillig voor 1 mei 2004 bij de NMa hebben gemeld op een zwarte lijst te staan?

48

Is er volgens u een verband tussen het overtreden van de Mededingingswet (waar inmiddels veel bedrijven voor veroordeeld zijn door de NMa) en prijsopdrijving oftewel economisch geleden schade?

49

Kan de Kamer de kabinetsreactie omtrent de klokkenluidersregeling nog vòòr het Algemeen Overleg over de bouwfraude van 5 april a.s. verwachten?

Inbreng van de leden van de GroenLinks-fractie

50

Deze leden vragen u een concreet overzicht te bieden van de tijdstippen waarop onderhandeld is met ondernemingen om tot een schadevergoeding te komen en welke resultaten qua hoogte van het bedrag geambieerd werden. Op welk moment hebben de overheidsorganen de selectie van zaken uitgevoerd en op welk moment stond het schadebedrag van € 150 miljoen vast voor de potentiële claims? Wanneer zijn welke bedragen als onderhandelingsinzet gekozen? Welke redenen bestonden er om te kiezen voor deze schikkingsbedragen?

51

Wat bedoelt u met de opmerking: «in eerste aanleg heeft de civiele rechter zich niet bevoegd geacht om over zijn bevoegdheid te oordelen»? Houdt dit in dat de rechter onbevoegd was om zijn bevoegdheid te beoordelen, wat volgens deze leden onbestaanbaar is, of houdt dit in dat de rechter zich onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van de zaken?

52

Kunt u aangeven op welke gronden de Raad van Arbitrage zich wél bevoegd heeft geacht om kennis te nemen van deze zaken? Vindt u – gezien de constatering van de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid dat de scheidsgerechten van de Raad van Arbitrage, althans in de ogen van menige opdrachtgever, door hun samenstelling de schijn van partijdigheid blijken te wekken (28 244, nrs 5–6, pag. 279) – wenselijk dat de Raad van Arbitrage zich in dit soort zaken als forum opwerpt?

Inbreng van de leden van de fractie van de ChristenUnie

54

Hoe hard zijn de potentiële claims van ongeveer € 150 miljoen?

55

In hoeverre bestaat er een relatie tussen de in het vooruitzicht gestelde boetevermindering door NMa en het bod van Bouwend Nederland van in totaal € 65 miljoen?

56

Hadden de onderhandelaars namens het rijk die zijn betrokken bij het schikkingsvoorstel een duidelijk mandaat meegekregen? Zo ja, kan dat nader worden onderbouwd?

57

Wat verstaat u onder een adequaat voorstel met betrekking tot de hoogte van het bedrag en het risico dat overheidspartijen lopen?

58

Dat de bedrijven niet genoeg zouden willen betalen is «niet het punt», stelt de Minister-President: «Wij denken dat de gang naar de rechter de beste methode is om recht te doen aan datgene wat we altijd tegen elkaar hebben gezegd: zorgen dat je je maximaal inzet om de schade te verhalen.» Sluit het streven naar een maximale inzet het instrument schikken eigenlijk niet uit? Hoe verhoudt het standpunt van de Minister-President zich tot de opmerking in de brief dat schikken alleen in overweging kan worden genomen indien sprake zou zijn van een adequaat voorstel?

59

Op welke wijze zijn de andere betrokken overheden gekend in de stappen die het kabinet heeft gezet, tot en met het besluit te kiezen voor de juridische route?

60

Is de oprichting van een «goodwillfonds» na het kabinetsbesluit van 4 maart jl. nog in beeld?

61

Hoe zwaar hebben, gelet op het kabinetsbesluit de «koninklijke route» te gaan volgen, de belangen van het midden- en kleinbedrijf meegewogen?

62

Hoe groot acht het kabinet de kans dat de rechtsprocedure uiteindelijk tot een groter bedrag dan € 65 miljoen zal leiden?

63

Valt niet te voorzien dat claimende partijen die relatief geringe claimbedragen hebben (zoals provincies en waterschappen), zullen afhaken, terwijl ze bij een schikking tenminste nog op een bedrag kunnen rekenen?

Antwoorden

Verloop van de procedures rond verhalen van schade

In maart 2003 publiceert de Parlementaire Enquêtecommissie Bouwnijverheid de zgn. Bos-schaduwboekhouding op internet. Vervolgens besluit het kabinet om schade door prijs- of kartelafspraken te verhalen op betrokken aannemers. In juli 2003 spreekt het kabinet hiervoor een algemene lijn af en wel in de vorm van een fasegewijze aanpak. Op basis van de resultaten van enkele proefprocessen zal het kabinet een besluit nemen over de resterende (geselecteerde) zaken. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 11 juli 2003 (Tweede Kamer 28 244, nr. 51).

In september 2003 hebben de betrokken departementen ten behoeve van deze proefprocessen vier zaken geselecteerd, die vervolgens in de loop van 2003 bij de rechter aanhangig zijn gemaakt. Omdat het in de ogen van de Landsadvocaat om een onrechtmatige daad gaat en niet om een geschil rondom aanbesteden, zijn deze vier zaken aanhangig gemaakt bij de civiele rechter en niet bij de Raad van Arbitrage. De redenen om niet naar de Raad te stappen hebben dus geen relatie met de in het kader van de bouwenquête genoemde schijn van partijdigheid van de Raad. Het gaat hier om een juridische keuze. (vraag 52 deels)

Ook andere overheden hebben dezelfde aanpak gevolgd als de rijksoverheid, i.c. eerst proefprocessen en ook via de civiele rechter.

Gedurende het verloop van procedures heeft er onder coördinatie van VROM afstemming plaatsgevonden tussen de procederende departementen en ook met de Stichting Regres, de Unie van Waterschappen en de procederende provincies.

Pas in mei 2004 komt de rechtbank Den Haag tot een uitspraak over de zaak van het Zuiveringschap Hollandse Eilanden en Waarden (tegenwoordig Hollandse Delta) met betrekking tot zijn bevoegdheid. Die was namelijk aangevochten door de gedagvaarde aannemers. De rechter oordeelt dat hij pas tot een oordeel over zijn bevoegdheid mag komen nadat de Raad van Arbitrage over zijn bevoegdheid heeft geoordeeld. Het gaat hier in de ogen van de rechter om een zaak die eerst voorgelegd moet worden aan de Raad. Pas als de Raad oordeelt niet bevoegd te zijn zal hij zich gaan buigen over zijn bevoegdheid. Ook in een zaak van Rijkswaterstaat komt de rechtbank Groningen in september 2004 tot een vergelijkbaar vonnis. Tegen beide zaken is beroep ingesteld. (vraag 51)

Intussen is de Raad van Arbitrage ook de vraag voorgelegd over de bevoegdheid, nu op instigatie van de overheidsopdrachtgevers. De eerste uitspraak van de Raad van Arbitrage is recent, 4 februari 2005, bekend geworden. De Raad acht zich wel bevoegd op grond van zijn uitleg van het arbitraal beding dat is opgenomen in een van toepassing verklaard aanbestedingsreglement (het UAR EG 1991). (vraag 52 deels)

Tot nu toe is in geen enkele zaak de inhoud aan bod gekomen.

De proefprocessen verlopen dus tot nu toe zeer traag.

Mandaat met betrekking tot schikken

In oktober 2004 publiceert de NMa de wijze waarop de GWW-sector voor geconstateerde overtredingen van de mededingingswet zal worden beboet. Daarin staat onder andere dat de directeur-generaal van de NMa bij het vaststellen van de hoogte van de boete rekening kan houden met de schadeloosstelling die bedrijven betaald hebben. Dit is gebaseerd op de algemene boeterichtsnoeren van de NMa. In de publicatie van oktober 2004 worden geen kortingpercentages genoemd. (vraag 15 deels) Dit is aanleiding voor Bouwend Nederland om informeel bij diverse overheidsopdrachtgevers (Rijkswaterstaat, Stichting Regres, UvW en de gemeente Amsterdam) te polsen of men interesse heeft in een regeling van alle procedures die betrekking hebben op het verhalen van schade. De eerste zeer informele en aftastende gesprekken vinden – met ons goedvinden – eind december 2004 plaats. Namens de rijksoverheid waren daarbij alle procederende departementen en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) betrokken en verder ook de Stichting Regres, de UvW, het IPO, Prorail en de gemeente Amsterdam. In een latere fase sluiten zich hier ook de gemeenten Rotterdam en Haarlemmermeer bij aan. Ook hierbij functioneert VROM als coördinator. Gezien de relatie met de NMa-boetes wordt het ministerie van EZ ambtelijk op de hoogte gehouden van de gang van zaken. Ook zijn er contacten met de NMa. Vanuit de rijksoverheid worden de besprekingen met de bouw getrokken door de departementen van VROM en V&W gezamenlijk vanuit hun mandaat voor het verlenen van bouwopdrachten en de daaruit voortvloeiende rechtshandelingen. In dit stadium gaat het slechts om verkennende gesprekken. (vragen 1, 15 deels en 26)

Deze eerste besprekingen leveren het beeld op dat het de moeite waard is om te trachten tot een collectieve regeling te komen. De bouwsector legt een bepaald bedrag op tafel om tegemoet te komen aan door de overheid ervaren nadelen van de kartelafspraken. De overheidsopdrachtgevers zien collectief af van verdere verhaalsacties, ook op basis van nog niet openbare boekhoudingen c.q. prijsafspraken, die betrekking hebben op de periode voor 1 januari 2003. De insteek van de rijksoverheid is vanaf het begin iets meer gericht op het verbeteren c.q. normaliseren van de verhoudingen, dan bij de andere overheden, waar de financiële tegemoetkoming veeleer de bovenhand voert. Langdurige procedures zijn niet bevorderlijk voor goede verstandhoudingen en kunnen ook remmend werken voor het werk van de Regieraad Bouw, een initiatief van de rijksoverheid. (vraag 16)

Op 24 januari 2005 komt de NMa met de uitgangspunten naar buiten ten aanzien van de versnelde procedure voor de GWW-sector. Daarin is nader ingegaan op de mogelijkheden om rekening te houden met betaalde schadevergoedingen. Als bouwbedrijven en overheidsopdrachtgevers tot een collectieve regeling komen, dan zal de NMa 10% van de betaalde schadevergoeding (financiële tegemoetkoming) in mindering brengen op de boete in de versnelde procedure. In de overwegingen stelt de NMa nadrukkelijk dat het komen tot een collectieve regeling beschouwd wordt als een belangrijk onderdeel van het schoon schip maken (Tweede Kamer 28 244, nr. 92).

Gelijktijdig met deze publicatie van de NMa brengt de minister van EZ mede namens zijn collega's van VROM en V&W een persbericht uit met als kernboodschap dat de door de NMa geboden mogelijkheid deze drie ministers aanspreekt. Daarbij wordt benadrukt dat dit voorstel aangegrepen moet worden om een akkoord te bereiken om zo de verhoudingen te verbeteren. Als de bouwsector een substantieel bedrag betaalt dan zijn deze bewindslieden bereid alle lopende civiele procedures stop te zetten. (vragen 14, 31 en 56)

Vanaf dat moment worden de onderhandelingen concreter en wordt toegewerkt naar een bestuurlijk overleg waarin een principe-akkoord kan worden besproken. Uiteindelijk vindt dit bestuurlijk overleg op 1 maart 2005 plaats. Tussentijds vindt afstemming plaats met de procederende departementen en worden EZ en de NMa op de hoogte gehouden. In het bestuurlijk overleg, waaraan de ministers van VROM en V&W namens de rijksoverheid deelnamen, is met Bouwend Nederland overeenstemming bereikt over een principe-akkoord. Hierbij is door alle partijen, ook door Bouwend Nederland, een voorbehoud gemaakt van goedkeuring door de verschillende besturen. Dit geldt ook voor de rijksoverheid. Expliciet is gezegd dat het akkoord tijdens de ministerraad van 4 maart 2005 besproken zou worden. Daarbij is ook gesteld dat de ministers van VROM en V&W positief staan tegenover het akkoord. Alle betrokken overheden waren op de hoogte van deze gang van zaken. (vragen 12, 13, 17, 27 (PvdA), 41 en 59)

Waar Minister Brinkhorst tijdens debatten met de Tweede Kamer heeft aangedrongen op een snelle oplossing, heeft hij met name de bouwbedrijven willen oproepen te kiezen voor de versnelde sanctieprocedure van de NMa. Het kabinet streeft ernaar dat bouwbedrijven (snel) schoon schip maken en dat de verhoudingen met de bouwsector zich spoedig normaliseren. Compensatie van opdrachtgevers in de vorm van een schikking kan ook deel uitmaken van dat proces. (vraag 4 deels)

Schikkingsbedrag

Zoals in elk onderhandelingstraject is gezocht naar dat resultaat dat voor beide partijen aanvaardbaar is. Bij de afweging aan de kant van de overheidsopdrachtgevers over de hoogte van een eventuele tegemoetkoming aan maatschappelijk geleden schade is het totale bedrag aan claims een belangrijk referentiepunt geweest. Alle betrokken overheidspartijen tezamen hebben in ruim duizend zaken de claims opgeteld, die zij zelf maximaal haalbaar zagen. Dit leverde een beeld op van een bedrag tussen de € 120 en € 150 miljoen. De onderbouwing van deze bedragen is deels afgeleid van de bedragen die in de Bos-schaduwboekhouding genoemd zijn en deels op basis van de door de enquêtecommissie berekende 8,8% schade voor 200 specifieke gevallen. De bandbreedte is het resultaat van enig gevoel van relativering bij de verschillende overheden voor de beschikbare gegevens bij het berekenen van de maximaal haalbare claim. (vragen 39 en 54)

Op basis van deze gegevens hebben de overheden gezamenlijk, nog tijdens de aftastende fase, een bedrag van € 100 miljoen genoemd. Op dat moment was niet bekend welk kortingspercentage de NMa zou gaan hanteren en ook waren het boetebedrag en de hoogte van de grondslag voor de NMa-boetes volledig onbekend. Van de kant van Bouwend Nederland werd erg afhoudend gereageerd op dit bedrag. (vragen 19 en 50 deels)

In de verdere onderhandelingen – na 24 januari 2005 – heeft zowel voor de overheid als voor Bouwend Nederland als belangrijk referentiepunt de grondslag voor de boetes van de NMa een rol gespeeld en daarnaast ook de kortingspercentages voor betaalde tegemoetkomingen. Verder werd door eenieder het feit dat er een collectieve regeling diende te zijn voordat de NMa deze korting zou willen geven als een belangrijke randvoorwaarde gezien.

Uiteindelijk is een bedrag overeengekomen van € 50 miljoen, bij elkaar te brengen door een bijdrage van 1% van de grondslag van de NMa-boetes, te weten de aanbestedingsomzet voor het jaar 2001. Dit bedrag is het resultaat van een intensief onderhandelingstraject waarin beide partijen noodgedwongen concessies moeten doen. De overheidspartijen vinden het bedrag weliswaar aan de lage kant maar nog net aanvaardbaar en Bouwend Nederland zegt dat het bedrag het maximaal haalbare is. (vraag 30)

Het bedrag is dus op 1% van deze omzet gesteld met een minimale – gezamenlijke – opbrengst van € 50 miljoen. De verwachting is dat de omzet van de vier bouwsectoren op ongeveer € 5 miljard ligt. Op deze manier is het voor Bouwend Nederland mogelijk om ook andere sectoren dan alleen de GWW-sector te betrekken bij een bijdrage aan het schikkingsbedrag. Een vanaf het begin onderkend nadeel van deze opzet is dat het onzeker is of wel een totaalbedrag van € 50 miljoen gehaald zou worden. Daar komt nog bij dat Bouwend Nederland geen harde garantie wilde geven voor de genoemde € 50 miljoen. In het principe-akkoord staat dan ook dat pas wanneer € 50 miljoen wordt gehaald de overheid afziet van verder procederen. (vragen 24 deels, 33, 42 en 50 deels)

De boetevermindering door de NMa en het bod van Bouwend Nederland zijn in zoverre met elkaar verbonden dat de NMa de bouwsector eenincentive heeft willen bieden om een bedrag te betalen aan overheidsopdrachtgevers ter compensatie van financiële claims. De NMa heeft hierbij een boetevermindering in het vooruitzicht gesteld van 10% van het betaalde compensatiebedrag met een maximum van 10% van de boete. De vermindering zal steeds per individueel bedrijf worden berekend aan de hand van de bijdrage van dat bedrijf aan het totale compensatiebedrag. Bij een totaal compensatiebedrag van € 50 miljoen zou de boetevermindering bij de NMa op ongeveer € 5 miljoen zijn uitgekomen. Daarnaast is nog van belang dat de NMa een aantal eerder (in 2003) opgelegde boetes in de GWW-sector met 45% wil bijstellen. Ook deze aanpassing is echter afhankelijk van overeenstemming over een collectieve compensatieregeling (Tweede Kamer 28 244, nr. 89). (vragen 24 deels en 55)

Als onderdeel van de schikking, maar bovenop het bedrag van € 50 miljoen, zal Bouwend Nederland een bijdrage van € 15 miljoen geven aan het onderzoeksprogramma PSIB. De totale omvang van dit onderzoeksprogramma bedraagt ruim € 40 miljoen. Er is een BSIK-subsidie verleend van € 15 miljoen. Het gelijke bedrag moet ingebracht worden door private partijen, terwijl daarnaast nog circa € 13 miljoen wordt gezocht voor projecten buiten BSIK-verband. Met de bijdrage van Bouwend Nederland zou een omvangrijk aandeel hierin zijn veiliggesteld. (vragen 20 en 40)

In het bestuurlijk overleg tussen alle betrokken overheidspartijen en Bouwend Nederland is een principe-akkoord bereikt over een voorstel waarin beide elementen zitten: € 50 miljoen, te verdelen onder de opdrachtgevers en € 15 miljoen als een bijdrage van de bouwsector voor PSIB. Wel is nog aangedrongen op garantie van de bijdrage van € 50 miljoen van de kant van Bouwend Nederland, maar deze kon op 1 maart niet gegeven worden. (vraag 2)

Het principe-akkoord kan in principe ingezien worden door uw Kamer. Het gaat echter over een principe-akkoord. Dit houdt in dat over details nog gesproken moet worden. Wanneer uw Kamer een andere opstelling van het kabinet zal vragen dan geven wij de voorkeur eraan nu het principe-akkoord nog niet te openbaren. De hoofdlijnen van het akkoord worden in onze ogen voldoende in de antwoorden op de vragen van uw Kamer beschreven. (vraag 18)

Voor de verdeling van het schikkingsbedrag tussen de verschillende overheden is een sleutel afgesproken onafhankelijk van de hoogte van het uiteindelijke bedrag. Deze verdeelsleutel wordt voor ongeveer 50% bepaald door de hoogte van de (gemiddelde) claim en ook voor ongeveer 50% door de gemiddelde aanbestedingsomzet van elk van de deelnemende partijen.

Toen echter bleek dat het schikkingsbedrag niet meer dan € 50 miljoen zou bedragen hebben de andere overheden het Rijk verzocht met een kleiner deel uit de opbrengst genoegen te nemen. Dit verzoek is gedaan ook met oog op het feit dat PSIB door de andere overheden beschouwd wordt als een programma van het Rijk. Met een kleinere opbrengst voor het Rijk hebben we op 1 maart 2005 in beginsel ingestemd. Hierbij speelde wederom de wens om schoon schip te maken een belangrijke rol. (vragen 3, 22 en 32)

Kabinetsbesluit

Aan schikkingen zijn onlosmakelijk principiële elementen verbonden. De reeks van gebeurtenissen die uiteindelijk de aanloop hebben gevormd naar de Parlementaire Enquête Bouwnijverheid heeft dit laten zien. In de reactie op de bevindingen van de Enquêtecommissie Bouwnijverheid heeft het kabinet aangegeven zich ook via het civiele spoor maximaal in te zetten om de geleden schade op de bouwbedrijven te verhalen. Een algemene schikking is toen expliciet van de hand gewezen. Het kabinet heeft voor deze opstelling brede steun gehad in de Tweede Kamer.

Om die reden is in dit verband gesproken over het voeren van procedures als de «koninklijke weg». Dit laat onverlet dat de afweging om deze weg tot het einde te bewandelen versus het treffen van een schikking bij voortduring gecompliceerd is. Daarbij spelen verschillende elementen een rol.

In de eerste plaats is daar de wens om de geleden benadeling te verhalen op degenen die illegaal hebben gehandeld en hen met hun fouten te confronteren. De – ook maatschappelijke – genoegdoening is hierbij in het geding. Dit klemt vanuit de overheid bezien te meer waar het hier gaat om grote maatschappelijke benadeling en derving van algemene middelen. Los van het bedrag dat gemoeid is met een eventuele schikking en los van alle andere afwegingen, pleit deze wens vóór het voeren van juridische procedures. Mede omdat hierbij sprake is van de objectieve vaststelling van de geleden schade door een onpartijdige derde. Hierbij speelt tevens een rol, dat de overheid ook in fraudeprocedures verwikkeld is in andere sectoren. Hoe de overheid zich opstelt in de ene sector kan gevolgen hebben voor de afwikkeling van zaken in andere sectoren.

Daartegenover staat dat er tevens de wens is om «schoon schip» te maken met de bouwsector. Hiermee is ook een beleidsmatig belang gediend. Juridische procedures, zeker als deze lang voortslepen en kostbaar zijn, kunnen dit in de weg staan.

De kosten van de procedures nopen daarnaast ook tot een zelfstandige afweging. Uit de brief van de minister van VROM van 9 maart jl. heeft u op kunnen maken dat in totaal circa 1000 zaken zijn geselecteerd. Hiermee zullen – voor alle partijen – aanzienlijke advocaat- en proceskosten gemoeid zijn.

En tot slot moet uiteraard ook een inschatting worden gemaakt van het bedrag dat middels een schikking op de sector kan worden verhaald, versus het bedrag dat mogelijk via de rechter kan worden verhaald.

Alles overwegend is het kabinet van mening dat de voortzetting van de proefprocessen conform de eerder afgesproken gedragslijn op dit moment de voorkeur verdient. Mocht blijken dat de Tweede Kamer in deze afweging inmiddels tot een andere conclusie komt, dan is het kabinet vanzelfsprekend bereid de discussie hierover aan te gaan.

Uiteraard staat het andere overheden dan de rijksoverheid vrij om van deze lijn af te wijken. Het kabinet zou dit in dit stadium evenwel betreuren. De geleden schade is immers in alle gevallen op de belastingbetaler afgewenteld. Een gezamenlijke aanpak zou daarom in alle gevallen de voorkeur van het kabinet genieten. (vragen 4 deels, 8, 9, 15, 21 deels, 28, 29, 35, 57 en 58)

De belangen van het midden- en kleinbedrijf hebben niet op een specifieke manier meegewogen bij het kabinetsbesluit over de schikking. De positie van het midden- en kleinbedrijf wordt wel op een bijzondere manier meegewogen in de sanctieprocedure van de NMa. (vraag 61)

Koninklijke weg: rechtsprocedures

Door de verschillende overheden zijn tot nu toe 11 proefprocessen gestart bij de civiele rechter. Als de Raad van Arbitrage bevoegd is, dan zullen de overheden zeer waarschijnlijk gedwongen worden, ook reeds in de proeffase, tot een relevant groter aantal proefprocedures. Waarschijnlijk ligt dit in de orde van grootte van 50 tot 100.

Vooral in de fase van de proefprocessen moet rekening gehouden worden met een lange duur. Wanneer bij de civiele rechter en de Raad van Arbitrage wordt geprocedeerd dan moet rekening gehouden worden met een doorlooptijd van 4 tot 6 jaar, eventueel verlengd met 2 jaar wanneer in cassatie gegaan wordt. (vragen 5 en 27 (VVD) deels)

De lange duur van de processen kan een reden zijn voor overheden om af te haken; zeker wanneer het geclaimde bedrag aan de lage kant is. In het traject tot nu toe hebben in feite al enkele overheidspartijen zich teruggetrokken of op het laatst besloten toch maar niet te gaan procederen. (vraag 63)

Als blijkt dat de proefprocessen voor de overheden succesvol zijn verlopen dan is een regeling op basis van de verwachte uitkomst van de overige zaken een gebruikelijke gang van zaken. Als de proefprocessen een negatief resultaat laten zien dan ligt het voor de hand dat de overheden de overige zaken intrekken en zal er zeker geen sprake kunnen zijn van een schikking o.i.d. (vraag 27 (VVD) deels)

Het merendeel van de kosten van de gerechtelijke procedures is verbonden aan de proeffase. Dit is zeker het geval wanneer de overheden gedwongen worden om het aantal proefprocedures fors uit te breiden. Voor alle overheden tezamen wordt geschat dat de totale kosten (juridische kosten en apparaatskosten) tussen € 7,5 en € 15 miljoen liggen. (vraag 23) Overigens heeft de rijksoverheid tot dusverre in totaal bijna € 200 000,– met betrekking tot de vier gevoerde proefprocessen betaald. (vragen 6 en 36)

Of een groter bedrag dan € 65 miljoen toegewezen wordt via rechtsprocedures is zeer lastig te beantwoorden. Eerlijkheidshalve moeten we erkennen dat uitgaande van de thans bekende claims er een kans bestaat op een groter bedrag dan € 65 miljoen, maar uiteraard is er ook de kans op gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen. (vraag 62)

Raad van Arbitrage voor de Bouw

Er zijn ook enkele vragen gesteld over de rol en de positie van de Raad van Arbitrage voor de Bouw. Naar aanleiding van de Parlementaire Enquête Bouwnijverheid zijn twee gescheiden acties uitgevoerd die beide betrekking hebben op de Raad van Arbitrage.

Met de komst van het ARW 2004 worden aanbestedingsgeschillen voorgelegd aan de rechtbank in plaats van de Raad van Arbitrage. Voor zover bekend heeft deze wijziging geen problemen qua rechtsgang of anderszins opgeleverd. Over het algemeen gaat het bij aanbestedingsgeschillen om rechtsvragen. Bovendien biedt het Wetboek van Rechtsvordering in art. 194 de mogelijkheid om getuige-deskundigen in te schakelen. Overigens heeft deze wijziging geen betrekking op de zaken waarover in het kader van de besproken regeling geprocedeerd wordt. (vraag 25)

Daarnaast is door het departement van V&W een proces in gang gezet om de structuur van de Raad van Arbitrage zo te wijzigen dat de samenstelling evenwichtiger wordt. Voor de afronding van dit proces heeft de minister van V&W een onafhankelijke adviseur ingeschakeld om bestuur en voorzitter te selecteren. De kern van de nieuwe structuur behelst het opnemen van opdrachtgevers in het bestuur van de Raad van Arbitrage en ook in het College van Arbiters. (vraag 52 deels)

Omdat de Raad van Arbitrage zich bevoegd acht met betrekking tot de schadeclaims zal de Raad zich ook uit gaan spreken over de hoogte van het te vergoeden bedrag. (vraag 7)

NMa-boetes

De NMa heeft in de afgelopen jaren (met name in 2003) een groot aantal bouwbedrijven in verschillende sectoren beboet wegens kartelgedrag. In een bijlage bij dit stuk vindt u een overzicht. Daarnaast is op dit moment de afronding van de definitieve boetebeschikkingen in de versnelde procedure naar aanleiding van het grote kartelonderzoek in de GWW-sector aan de orde. Hierbij zijn ongeveer 340 ondernemingen betrokken. Eind april is de NMa voornemens om de onderzoeken in de installatiebranche af te ronden. De NMa is voornemens ook hierbij een versnelde sanctieprocedure toe te passen. De NMa streeft ernaar om in april ook de eerste onderzoeken in de categorie «overige deelsectoren» af te ronden en eind juni de onderzoeken in de woning- en utiliteitsbouw. Op het moment dat de onderzoeken zijn afgerond, starten de (versnelde) sanctieprocedures. Onderzoek en sanctieprocedure zijn gescheiden trajecten. (vraag 10)

De NMa heeft in haar boetesystematiek rekening gehouden met de positie van het midden- en kleinbedrijf. Ten eerste wordt de hoogte van de boete berekend aan de hand van de (aanbestedings)omzet van het desbetreffende bedrijf. Op deze manier wordt steeds rekening gehouden met de omvang en de draagkracht van de bouwbedrijven. Ten tweede heeft de NMa bedrijven met een jaaromzet van minder dan € 10 miljoen (MKB) een 15% lagere boete in het vooruitzicht gesteld ten opzichte van bedrijven met een hogere omzet. Hiermee wordt voorkomen dat een groot aantal kleinere bedrijven in financiële problemen komt en om die reden niet kiest voor de versnelde procedure. Voor zover bedrijven hebben aangegeven dat hun continuïteit in gevaar komt als gevolg van de NMa-boete, gaat de NMa dit na en neemt zonodig passende maatregelen, zoals een betalingsregeling. (vraag 11)

De Kamer verzoekt om een overzicht van de verschillende regelingen met bijbehorende kortingen. Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de brief van de NMa die de Minister van Economische Zaken op 4 februari heeft doorgestuurd naar de Tweede Kamer (Tweede Kamer 28 244, nr. 89). In deze brief wordt uiteengezet hoeveel bouwbedrijven in de GWW-sector een boete kunnen verwachten van de NMa, wat de berekeningsgrondslag voor de bruto-boete (bepaalde percentages van de aanbestedingsomzet in 2001) zal zijn en met welke percentages de boete vervolgens verminderd wordt. Hierbij zijn onder meer genoemd: clementie, kiezen voor de versnelde procedure (incl. een extra regeling voor het MKB, zie ook het antwoord op vraag 11), het doorzenden van informatie aan de Belastingdienst en compensatie van opdrachtgevers. (vraag 43)

De NMa is inmiddels doorgegaan met de sanctieprocedure. Onlangs zijn boetes vastgesteld in de versnelde procedure. De NMa zal daar zeer binnenkort mededelingen over doen. Indien er op korte termijn toch een collectieve regeling met opdrachtgevers komt, dan is de NMa bereid om haar eerdere toezegging om 10% van het bedrag dat een onderneming bijdraagt aan de collectieve regeling in mindering te brengen op de boete (met een maximum van 10% van die boete) alsnog gestand te doen. De NMa zal dan nieuwe besluiten nemen waarin de boetevermindering is verwerkt. (vraag 38)

Het idee dat een grote groep bouwbedrijven de dans ontspringt is niet juist. Zoals reeds is aangegeven heeft aanzienlijk meer dan de helft van de Nederlandse bouwbedrijven (gemeten naar omzet) zich vrijwillig gemeld bij de NMa naar aanleiding van de 1-mei-oproep (zie het antwoord op Schriftelijke Kamervragen van de vaste commissie voor Economische Zaken over de brief van de Minister van Economische Zaken d.d. 14 oktober 2004, Tweede Kamer 28 244, nr. 85). Daartoe behoren alle grote bouwbedrijven. Bedrijven die zich vrijwillig hebben gemeld krijgen, onder voorwaarden, een reductie van de boete. Naar aanleiding van die meldingen zijn in de onderzoeken van de NMa in de GWW-sector nog eens circa 300 andere bedrijven in beeld gekomen. Het is dus zeker niet zo dat zwijgen beter is dan spreken, integendeel. De onderzoeken in de woning- en utiliteitsbouw, de installatiebranche en andere sectoren zullen later door de NMa worden afgerond.

Voor het overige geldt natuurlijk dat de NMa steeds moet kunnen bewijzen dat een onderneming betrokken is bij een kartelafspraak. Een enkele aanwijzing of vermelding is daarvoor onvoldoende. Indien de NMa in de toekomst nieuwe informatie zal verkrijgen over bedrijven die nu nog niet bekend zijn bij de NMa dan kan tegen die bedrijven alsnog ook een onderzoek worden gestart. (vraag 45)

Het verband tussen een overtreding van de mededingingsregels en prijsopdrijving zal steeds van geval tot geval bekeken moeten worden waarbij alle relevante omstandigheden meegewogen dienen te worden. Prijsopdrijving vertaalt zich niet altijd ondubbelzinnig in hogere winsten. Het prijseffect leidt tot maatschappelijke doelmatigheidsverliezen die niet altijd in de resultatenrekening van een bedrijf zijn terug te vinden. Daarbij hoeft het niet alleen te gaan om een afname van de productie, maar ook om inefficiënt produceren en om onderlinge betalingen buiten de boeken om. Deze inefficiënties komen uiteindelijk als kosten in de officiële boekhoudingen terecht. Slechts de netto-kartelwinst, de daadwerkelijke prijsopdrijving, zal leiden tot een waarneembaar hogere winst. (vraag 48)

Sancties

Bij het eventueel opleggen van sancties door de overheidsopdrachtgevers is de regel dat het Europese en nationaal aanbestedingsrecht kaderstellend is. Dit houdt in dat er geen algemene zwarte lijst mag worden opgesteld maar dat per aanbesteding beoordeeld moet worden of een sanctie zoals uitsluiten is toegestaan. Bedrijven die zich niet vrijwillig gemeld hebben bij de NMa voor 1 mei 2004 mogen niet per definitie uitgesloten worden. Er zal altijd eerst een overtreding (van bijvoorbeeld de mededingingswet) geconstateerd moeten worden. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van de lijst van bedrijven die de NMa beboet. Deze lijst is op dit moment nog niet bekend. Op basis van deze lijst moet de aanbestedende dienst nagaan of uitsluiting een adequaat en proportioneel middel is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met de omvang van het werk en met maatregelen die door het desbetreffende bedrijf intussen zijn genomen. (vraag 47)

Ook het stellen van minimum standaarden vooraf om paal en perk te stellen aan frauduleuze praktijken moet geplaatst worden in een Europees kader. Om dit beleid vorm te geven zijn in februari 2004 beleidsregels integriteit en uitsluiting voor bouw, milieu en ict gepubliceerd, waar het Rijk zich aan dient te houden. Een vragenlijst over integriteitsaspecten die vooraf door inschrijvers ingevuld moet worden en het leveren van harde bewijzen voor eigen verklaringen op het moment van gunning zijn daarmee normale praktijk geworden bij aanbestedingen door de rijksoverheid. Als omkoping geconstateerd wordt ook tijdens het contract dan is uitsluiting of annuleren van het contract wel mogelijk. (vraag 44)

Overige vragen:

Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen schikken bij overtredingen van wetten en regels en het schikken bij het betalen van een schadevergoeding? (vraag 21 deels)

Bij wetsovertredingen kan het OM een zogenaamde transactie aanbieden, waarbij de verdachte aan vervolging kan ontkomen door de voorgestelde sanctie, veelal een boete, te accepteren. Ten onrechte wordt in plaats van het begrip transactie nogal eens de term schikking gebezigd, die niet thuishoort in het straf- of bestuursrecht. Met een schikking of beter gezegd een vaststellingsovereenkomst wordt beoogd een civiel geschil tussen partijen te beëindigen in plaats van het aan de civiele rechter voor te leggen.

Vragen aanbestedende diensten bij aanbestedingen nog steeds om inzicht in de financiële positie van bouwbedrijven? (vraag 34)

Ja.

Wat is de visie van de Landsadvocaat op het verloop tot nu toe van de proefprocessen en op de beslissing van het kabinet om niet in te stemmen met de schikking? (vraag 37)

De Landsadvocaat is op aanvraag adviseur van de regering voor in het algemeen juridische aangelegenheden. De Landsadvocaat adviseert niet in politieke aangelegenheden en beleidskeuzes. Daarom is de eventuele visie van de Landsadvocaat op deze beslissing van het kabinet niet van belang. Aan de Landsadvocaat is de kabinetsbeslissing voor het niet schikken dan ook niet voorgelegd.

Over het verloop van de proefprocedures heeft de Landsadvocaat de volgende visie:

In de proefprocessen is tot dusverre uitsluitend aan de orde geweest of de civiele rechter dan wel de Raad van Arbitrage tot berechting bevoegd is. Dat is op zichzelf niet verrassend, gezien de grote achterliggende belangen. Eén van die belangen is dat aannemers verwachten dat zij zich in arbitrage kunnen beroepen op een zeer korte termijn voor het aanhangig maken van de vorderingen tot schadevergoeding, hetgeen in voorkomende gevallen tot een extra verweer kan leiden ten opzichte van de civiele procedure. Hoewel het debat over de bevoegdheidsvraag de nodige tijd heeft gevergd en onvermijdelijk nog zal vergen, is van groot belang dat ondubbelzinnig wordt vastgesteld wie tot het berechten van de geschillen bevoegd is, alvorens inhoudelijk wordt voortgeprocedeerd. Aldus wordt zoveel mogelijk voorkomen dat achteraf nog discussie plaatsvindt over de vraag of een inhoudelijk vonnis bevoegd is gewezen.

Wat is uw reactie op het onderzoek van Transparency International (TI) waaruit blijkt dat de bouwfraude overal en nog steeds plaats vindt en de bouwwereld ongebruikelijk sterk vatbaar is voor corruptie? (bron: Volkskrant 17 maart jl.) Vermoedt u dat dit ook nog steeds in Nederland het geval is? Deelt u de mening van TI dat dit komt doordat bouwprojecten weinig gestandaardiseerd zijn en met de hoeveelheid benodigde handtekeningen en vergunningen de kat op het spek wordt gebonden? Welke oplossing ziet u voor deze problemen? (vraag 46)

Het onderzoek van Transparancy International geeft aan dat de bouwfraude zich niet alleen in Nederland voordoet maar een wereldwijd voorkomend probleem is. Van belang is om een onderscheid te maken tussen kartelafspraken bij aanbestedingen enerzijds en corruptie en omkoping anderzijds. Het onderzoek van Transparancy International richt zich met name op het laatste. Ook in Nederland heeft zich in de afgelopen jaren een aantal gevallen van corruptie en omkoping voorgedaan. Deze zaken zijn of worden via het strafrecht vervolgd. Ten aanzien van kartelafspraken is de NMa de bevoegde instantie.

Het kabinet hecht aan een goed functionerende bouwsector. De noodzakelijke verandering moet primair van de sector zelf komen, maar er is ook een belangrijke rol voor de overheid weggelegd. Zo wordt in het kader van de herziening van de aanbestedingsregels een verplichting in het leven geroepen voor alle aanbestedende diensten om de integriteit van potentiële opdrachtnemers in o.a. de bouw te onderzoeken. Indien een potentiële opdrachtnemer niet-integer blijkt te zijn, dient hij in beginsel uitgesloten te worden van de aanbestedingsprocedure. Ook vanuit het Kennisnet Aanbesteden dat opgericht is met het oogmerk alle overheidsopdrachtgevers te professionaliseren wordt aandacht geschonken aan het aspect van integriteit. Ook het instellen van de Regieraad Bouw dient het veranderingsproces op gang te brengen en te houden.

Is de oprichting van een «goodwillfonds» na het kabinetsbesluit van 4 maart jl. nog in beeld? (vraag 60)

In het principe-akkoord tussen overheidsopdrachtgevers en Bouwend Nederland is geen sprake van een «goodwillfonds» of iets dergelijks. Als er tot betaling zou komen dan zou dit niet via een fonds gaan.

Kan de Kamer de kabinetsreactie omtrent de klokkenluidersregeling nog het voor Algemeen Overleg over de bouwfraude van 5 april a.s. verwachten? (vraag 49)

Ja. \ {bijl}Bijlage}

De NMa heeft in april 2003 een boete opgelegd van in totaal EUR 1 232 000,- (vier maal EUR 308 000,-) aan de volgende bedrijven: Koninklijke Wegenbouw Stevin B.V., Ballast Nedam Infra Noord Oost, Gruno Wegenbouw B.V. en Koop Tjuchem B.V. voor het maken van onderlinge afspraken rond een onderhandse aanbesteding van de Groningse gemeente Scheemda.

De NMa heeft in december 2003 aan 22 bouwbedrijven boetes opgelegd voor overtredingen van het kartelverbod. Het ging hier om de volgende zaken:

1. Negen bouwondernemingen wegens verboden aanbestedingsafspraken met betrekking tot het onderhoud van wegen in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe. Het gaat in deze zaak om de volgende bedrijven: Ballast Nedam Infra Noord Oost B.V. (EUR 240 000), Koop Tjuchem B.V. (EUR 677 000), Oosterhof-Holman Infra B.V. (EUR 313 000), Reef Infra B.V. (EUR 429 000), Wegenbouwmaatschappij J. Heijmans B.V. (EUR 289 000), Koninklijke Wegenbouw Stevin B.V. (EUR 240 000), BAM NBM Wegenbouw Noordoost B.V. (EUR 585 000), Vermeer Infrastructuur B.V. (EUR 327 000);

2. In de zaak van de zogenoemde Noord Holland Acht of Schiphol Acht gaat het om een voortdurend proces van verboden afspraken rond de aanbesteding van vijftien grote infrastructurele projecten in de regio Haarlemmermeer/Schiphol. Hiervoor zijn aan de volgende bedrijven boetes opgelegd: Ballast Nedam Infra Noord West B.V. en Ballast Nedam Infra B.V. (EUR 14 548 000 gezamenlijk), HBG Civiel B.V. en Hollandsche Wegenbouw Zanen B.V. (EUR 14 436 000 gezamenlijk), Vermeer Infrastructuur B.V. (EUR 11 248 000), Koninklijke Wegenbouw Stevin B.V. (EUR 18 429 000), NBM Noord-West B.V. (EUR 12 190 000), Wegenbouwmaatschappij J. Heijmans B.V. (EUR 13 874 000), Koop Tjuchem B.V. (EUR 6 283 000), Ooms Avenhorn B.V. (EUR 3 604 000);

3. Bij de aanbesteding van atletiekbanen gaat het om een jarenlange verboden marktverdelingsafspraak tussen de vijf belangrijkste ondernemingen op het gebied van de aanleg, renovatie en onderhoud van kunststof atletiekbanen. De afspraak had betrekking op atletiekbanen die in het hele land werden aangelegd of onderhouden. Hiervoor zijn aan de volgende bedrijven boetes opgelegd: Groenewoud Sport & Recreatie B.V. (EUR 450 000), Arcadis PlanRealisatie B.V. (EUR 369 000), Van Gelder Cultuurtechniek B.V. (EUR 67 000), Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. (EUR 1 213 000), Aannemingsbedrijf Van Lee B.V en Heijmans Sport en Groen B.V. (EUR 610 000 gezamenlijk);

4. De NMa beboet een mededingingsbeperkende overeenkomst tussen Heijmans Beton- en Waterbouw B.V. en Solétanche Bachy France S.A. met betrekking tot de structurele uitwisseling van concurrentiegevoelige informatie over en het uitsluiten van concurrentie bij de uitvoering van civiele betonwerken met toepassing van bijzondere funderingstechnieken. Hiervoor zijn boetes opgelegd aan Heijmans N.V. (EUR 50 000) en Solétanche Bachy France S.A. (EUR 50 000). De NMa onderzocht de relatie tussen Heijmans en Solétanche naar aanleiding van een klacht van de gemeente Amsterdam in het kader van de aanbesteding van onderdelen van de Noord-Zuidmetrolijn;

5. De recente aanbestedingsafspraak met betrekking tot de herprofilering van de Mokerstraat en de Aambeeldstraat in Amsterdam-Noord betreft een relatief klein project. Hiertegen is de NMa opgetreden omdat de verboden afspraken werden gemaakt op het moment dat de parlementaire enquête vrijwel was afgerond en de NMa ook al uitdrukkelijk had aangegeven op te treden tegen verboden aanbestedingsregelingen in de bouw. In deze zaak zijn aan de volgende bedrijven boetes opgelegd: Floris Aannemingsmaatschappij B.V. (EUR 14 400), Zandrema B.V. (EUR 8 900), Aannemingsbedrijf AC de Groot B.V. (EUR. 2 600).

Daarnaast hebben een aantal ondernemingen en personen in 2003 boetes gekregen wegens niet-meewerken aan de onderzoeken van de NMa. Het gaat hier meestal om enkele duizenden euro's.

De NMa heeft in juni 2004 aan 12 dakbedekkingsbedrijven boetes opgelegd voor het maken van onderlinge afspraken rond vijf aanbestedingen in de dakbedekkingsbranche. De opgelegde boetes variëren in hoogte van € 3 900 tot € 326 800 en bedragen in totaal € 1 056 600. Het betreft de volgende ondernemingen:

– Cazemier Dakbedekking Rotterdam B.V. (€ 3 900 i.v.m. aanbesteding Vestia in 2003).

– Consolidated Nederland B.V. (€ 4 200 i.v.m. aanbesteding Vestia in 2003, € 232 000 i.v.m. aanbesteding AMC, € 39 000 i.v.m. aanbesteding door Gouda en € 23 000 i.v.m. aanbesteding Emmtec, in totaal € 298 200).

– Dakbedekkingsbedrijf Boko B.V. (€ 93 000 i.v.m. aanbesteding AMC).

– Erdo B.V. (€ 232 000 i.v.m. aanbesteding AMC, € 19 000 i.v.m. aanbesteding Gouda, € 70 000 i.v.m. aanbesteding Emmtec en € 5 800 i.v.m. aanbesteding Philips, in totaal € 326 800).

– Smid en Hollander Bouw B.V. (€ 32 000 i.v.m. aanbesteding Emmtec).

– Spuitco, Asfalt en Spuitwerk, Dakbedekking B.V. (€ 19 000 i.v.m. aanbesteding Gouda).

– Strijland Dakbedekking B.V. (€ 93 000 i.v.m. aanbesteding door AMC).

– Swindak B.V. (€ 93 000 i.v.m. aanbesteding door AMC).

– Templefields 505 B.V. (voorheen handelend onder de naam Kimmenade) (€ 23 000 i.v.m. aanbesteding Emmtec).

– Texa Dakbedekkingen B.V. (€ 3 900 i.v.m. aanbesteding Vestia in 2003).

– Van Venrooy B.V. te Hoogeveen (€ 44 000 i.v.m. aanbesteding Emmtec).

– Witteveen Daktechniek Noord B.V. (€ 21 000 i.v.m. aanbesteding Emmtec en € 5 800 i.v.m. aanbesteding Philips, in totaal € 26 800).

Overzicht lopende bezwaarzaken:

– Scheemda (4 ondernemingen)

– Heymans/Soletanche (2 ondernemingen)

– Atletiekbanen (3 ondernemingen)

– Asfalt zware wegenprojecten Noord-Nederland (9 ondernemingen)

– Noord-Holland Acht (7 ondernemingen)

– Dakdekkers (24 bezwaarschriften, aantal van dezelfde ondernemingen)

Verder is nog in 6 niet-medewerking zaken bezwaar aangetekend.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Duivesteijn (PvdA), Hofstra (VVD), Buijs (CDA), Voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), Van Gent (GL), Geluk (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD), Depla (PvdA), Van Oerle-van der Horst (CDA), Van As (LPF), Van Bochove (CDA), De Ruiter (SP), Duyvendak (GL), Huizinga-Heringa (CU), Koopmans (CDA), Spies (CDA), Van Lith (CDA), van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Fierens (PvdA), Ondervoorzitter, Timmer (PvdA), De Krom (VVD), Verdaas (PvdA), Kruijsen (PvdA), Samsom (PvdA), Hermans (LPF), Veenendaal (VVD).

Plv. leden: Crone (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Mastwijk (CDA), Ormel (CDA), Halsema (GL), Luchtenveld (VVD), Örgü (VVD), Dubbelboer (PvdA), Hessels (CDA), Van den Brink (LPF), Ten Hoopen (CDA), Vergeer (SP), Vos (GL), Van der Staaij (SGP), Vietsch (CDA), Sterk (CDA), Haverkamp (CDA), Koser Kaya (D66), Gerkens (SP), Boelhouwer (PvdA), Verbeet (PvdA), Balemans (VVD), Waalkens (PvdA), Van Heteren (PvdA), Dijsselbloem (PvdA), Varela (LPF), Oplaat (VVD).

XNoot
1

In de numerieke volgorde van de vragenlijst is de aanduiding 27 tweemaal gebruikt.