Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200628240 nr. 50

28 240
Evaluatienota Klimaatbeleid

28 982
Liberalisering energiemarkten

nr. 50
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 8 augustus 2006

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 en de vaste commissie voor Economische Zaken2 hebben op 15 juni 2006 overleg gevoerd met viceminister-president, minister Brinkhorst van Economische Zaken en staatssecretaris Van Geel van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over:

– de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 21 maart 2006 over de studie van de DTe en ECN naar de effecten van de CO2-emissiehandel op de elektriciteitsmarkt d.d. 24 maart 2006 (28 982, nr. 52);

– de brief van de minister van Economische Zaken over het AER-advies over Concentrated Solar Power (EZ 06-305);

– de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 24 mei 2006 over energiebesparing en het optiedocument (28 240, nr. 45);

– de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 12 mei 2006 over het ministerraadsbesluit inzake de rijksprojectenprocedure voor windenergie in de Noordoostpolder d.d. 22 mei 2006 (29 023, nr. 24);

– de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 30 mei 2006 over het Ontwerp nationaal toewijzingsplan broeikasemissierechten 2008–2012 (onderdeel windfall profits) d.d. 7 juni 2006 (28 240, nr. 46);

– de brief van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 31 oktober 2005 over de evaluatienota klimaatbeleid (28 240, nr. 37);

– de brief van de staatssecretaris voor Europese Zaken d.d. 9 december 2005 over het fiche met een mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over het effect van de luchtvaart op de klimaatverandering (22 112, nr. 411, fichenr. 2);

– de brief van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 13 januari 2006 over het verslag van de elfde conferentie van partijen bij het VN-klimaatverdrag en de eerste bijeenkomst van de partijen bij het Kyotoprotocol, Montreal 28/11–10/12/2005 (28 240, nr. 39);

– de brief van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 14 maart 2006 over de potentieelverkenning klimaatdoelstellingen en energiebesparing tot 2020; Analyses met het Optiedocument energie en emissies 2010/2020 (28 240, nr. 41);

– de brief van de staatssecretaris voor Europese Zaken d.d. 3 maart 2006 over fiche Mededelingen inzake EU-strategie voor duurzame ontwikkeling (onderdeel klimaatverandering en energie) (22 112, nr. 424);

– de brief van de minister van Financiën d.d. 13 maart 2006 over de taakopdracht aanvullend Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) toekomstig internationaal klimaatbeleid (30 495, nr. 1);

– de brief van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 13 april 2006 over integrale afwegingen klimaatbeleid gericht op het halen van de Kyotodoelstellingen (28 240, nr. 43);

– de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 30 mei 2006 over het ontwerp nationaal toewijzingsplan broeikasgasemissierechten 2008–2012;

– de brief van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 9 juni 2006 over de tussentijdse evaluatie van het Reductieprogramma overige broeikasgassen (28 240, nr. 47);

– de brief van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 6 juni 2006 over energiebox aan Nederlandse huishoudens (30 300-XI, nr. 123).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Spies (CDA) merkt op dat het de grote opdracht van de regering is om een bijdrage te leveren aan de oplossing van de problemen rond de CO2-problematiek en de leveringszekerheid, zowel voor de korte als de langere termijn. Op de korte termijn lijkt de regering zich goed van haar taak te kwijten, aangezien de laatste berichten luiden dat Nederland aan de Kyotodoelstellingen zal voldoen.

Er lijkt schot te komen in de CDM-projecten (Clean Development Mechanism) en JI-projecten (Joint implementation). Zijn de berichten echter waar dat die projecten vooral in zich snel ontwikkelende landen als China en India worden uitgevoerd en, zo ja, kan de minister dan aangeven of er mogelijkheden zijn om deze projecten over meer landen te spreiden? Maatschappelijk verantwoord ondernemen kan een bijdrage leveren aan het halen van de Kyotodoelstellingen. Werken grote ondernemingen hieraan echter wel voldoende mee? Stellen banken bijvoorbeeld eisen aan de projecten die zij helpen financieren? En hoe stellen multinationals zich op?

De bijdrage van consumenten aan energiebesparing blijft achter bij de verwachtingen als gevolg van onwetendheid, onwil en een tekortschietend Europees bronbeleid. Het is daarom belangrijk dat de regering op afzienbare termijn komt met voorstellen voor fiscale subsidiemaatregelen voor woningisolatie.

Bijmenging met biobrandstof is noodzakelijk. Wel zal daarbij voorkomen moeten worden dat hierdoor de voedselproductie in ontwikkelingslanden in het gedrang komt of dat er grootschalige roofbouw wordt gepleegd. Zullen er met andere woorden eisen worden gesteld aan de duurzaamheid van bij te mengen producten?

Er is onlangs 500 mln. extra beschikbaar gesteld voor verduurzaming van de Nederlandse energievoorziening. Kunnen de bewindslieden aangeven waaraan dit geld zal worden uitgegeven? Moet het niet worden gebruikt om de projecten voor ondergrondse CO2-opslag versneld uit te voeren?

Mevrouw Spies merkt op dat haar fractie geen reden ziet om de CO2-emissieplafonds te verlagen zolang de realisatie van de Kyotodoelstellingen niet in gevaar komt. In het Ontwerp nationaal toewijzingsplan broeikasgasemissierechten wordt een aantal definities aangepast om een gelijk Europees speelveld mogelijk te maken. Zijn deze aanpassingen voldoende? Het is ongewenst om 4% van de rechten te veilen als andere EU-lidstaten dat niet doen. Zolang hierover onduidelijkheid bestaat, mag niet over worden gegaan tot het veilen van emissierechten. Is de minister het verder met haar eens dat het huidige systeem van emissierechten meer tijd nodig heeft om zijn waarde te bewijzen? Hoe beoordeelt hij verder de kritiek dat de absolute emissieplafond de prikkels voor innovatie wegnemen? Als de minister deze kritiek deelt, ziet hij dan betere mogelijkheden voor de allocatie van emissierechten?

Elektriciteitsbedrijven rekenen hun gratis verkregen CO2-rechten door in hun prijzen. Deze zogenaamde windfall profits wil de minister aanpakken door energiebedrijven met 15% tot 20% te korten in de tweede handelsronde van het Nationale Allocatie Plan (NAP-2). Deze korting lijkt echter te laag nu is gebleken dat de windfall profits nog hoger zijn dan eerder ingeschat. Waarop is de hoogte van deze korting gebaseerd en hoe wordt voorkomen dat deze korting in de prijzen wordt doorberekend?

Mevrouw Spies herinnert eraan dat de inspraakronde voor het NAP-2 nog niet is afgerond en dat er nog geen duidelijkheid is over de vraag hoe andere landen hun nationale allocatieplannen zullen invullen. Met het oog daarop is het ongewenst dat het concept-NAP-2 begin juli naar de Europese Commissie wordt gestuurd. Hierover zal namelijk na afloop van de inspraakronde en na ommekomst van de informatie over de allocatieplannen van andere lidstaten na het zomerreces een overleg moeten worden gevoerd.

Zal bij de toedeling in het NAP-2 van emissierechten aan de glastuinbouw de zogenaamde warmteverrekening worden verdisconteerd? Op welke manier wordt verder de teruglevering door de glastuinbouw van zelf geproduceerde elektriciteit verrekend?

Reductie van de CO2-emissies na 2012 met 15% tot 30% zijn voor de CDA-fractie bespreekbaar, mits daarover in internationaal verband afspraken gemaakt kunnen worden. Een mondiale aanpak van CO2-emissies lijkt echter verder weg dan ooit, zeker nu zelfs sommige EU-lidstaten vooral oog lijken te hebben voor hun nationale belangen. Is de regering bereid om scenario’s op te stellen voor de periode na 2012? Uit die scenario’s zal vervolgens op afzienbare termijn een keuze gemaakt moeten worden om te voorkomen dat investeringen in innovatieve technieken en productiecapaciteit voor de elektriciteitssector niet doorgaan.

Het blijkt in Nederland nog steeds moeilijk om veelbelovende technieken succesvol naar de markt te brengen. Gevolg is vaak dat deze technieken in het buitenland verder ontwikkeld en uiteindelijk geproduceerd worden. Welke mogelijkheden zijn er om de aansluiting van het laboratorium op de markt te verbeteren?

Ten slotte zegt mevrouw Spies blij te zijn dat de minister van Economische Zaken een energiebesparing van 2% per jaar niet langer onmogelijk acht en in het najaar met concrete voorstellen zal komen om deze besparing te realiseren.

De heer Samsom (PvdA) zegt dat de aarzelende opstelling van de minister tegenover de in de motie-Van der Ham/Spies (28 240, nr. 27) neergelegde wens om te komen tot een energiebesparing van 2% per jaar getuigt van een groot gebrek aan daadkracht. Ondanks alle rapporten en aansporingen van de Kamer is de minister immers tot niet meer bereid dan een zoveelste onderzoek. Waarom heeft hij de Kamer nog steeds geen concrete voorstellen doen toekomen voor normen voor huishoudelijke apparatuur, huizen en auto’s? Het Optiedocument energie en emissies 2010/2020 maakt immers zonneklaar dat er harde keuzes gemaakt moeten worden.

Een systeem met windcertificaten kan op dit moment op onvoldoende draagvlak rekenen. Daarom zal bezien moeten worden of er alternatieven zijn. Hoe beoordeelt de minister bijvoorbeeld de suggestie om deze certificaten via de netbeheerder te verdelen? Als hij dit alternatief afwijst, welke concrete mogelijkheden ziet hij dan wel?

Huishoudelijke apparatuur verbruikt vaak onverantwoord veel energie. Daartegen zal opgetreden moeten worden, bijvoorbeeld door het Japanse TopRunner Energy Program over te nemen. Dat programma komt erop neer dat elke vijf jaar alle apparatuur wordt geijkt en genormeerd op basis van het op dat moment best presterende apparaat. De heer Samsom benadrukt dat dit programma tot zeer goede resultaten heeft geleid. Verder zal moeten worden overwogen om het gedrag van consumenten te sturen door middel van gedifferentieerde premies of heffingen en een nieuwe energiepremieregeling in te voeren die wel effectief is.

In theorie zijn de allocatieplannen de meest effectieve manier om de normen tegen de minste kosten te realiseren. Daarvoor zal de minister dan wel politieke moed aan de dag moeten leggen. Daaraan ontbreekt het op dit moment nog steeds, zie het gemarchandeer met de emissiehandel.

De toekenning van emissierechten aan de industrie was veel te ruimhartig. Hoe is het anders mogelijk dat de industrie niet alle rechten nodig bleek te hebben? De heer Samsom zegt het daarom onbegrijpelijk te vinden dat het emissierechtenplafond in het NAP-2 niet wordt verlaagd. Het plafond ligt immers zo hoog dat de industrie nog zeker twee jaar op zijn handen kan blijven zitten. Hij zegt dat zijn fractie daarom niet kan instemmen met de procedure dat het NAP-2 half juli zonder inspraak van de Kamer naar de Commissie zal worden gestuurd. De Kamer zal hierover na het zomerreces een beslissing moeten nemen.

De regering schrijft dat zij de Kyotodoelstellingen zal halen. Dat is op zichzelf natuurlijk verheugend, maar door de keuzes van de regering zal de benodigde besparing voor een relatief groot gedeelte opgebracht worden door huishoudens. De industrie wordt door de minister van Economische Zaken namelijk geheel ten onrechte ontzien. Is de minister bereid om deze ongelijkheid te redresseren door het voorstel van de PvdA over te nemen om het emissieplafond 6% lager vast te stellen dan in het NAP-1?

De veiling van emissierechten is bedoeld om de windfall profits terug te halen. De omvang van de veiling, 180 mln., staat echter in geen verhouding tot de behaalde winst van 1,2 mld. Is de minister het met hem eens dat hierdoor het probleem niet wordt opgelost en, zo ja, waarom heeft hij er dan niet voor gekozen om de maximale veilingruimte te benutten?

De gratis toekenning van emissierechten op basis van historische rechten perverteert het emissierechtensysteem, doordat een efficiënte gasgestookte centrale net als een ouderwetse kolencentrale net genoeg rechten krijgt om te kunnen blijven produceren. In absolute getallen betekent dat dat een kolencentrale twee keer zoveel rechten krijgt als een moderne gascentrale. De keuze voor of tegen investeringen in een relatief vuile kolencentrale wordt dan ook niet beïnvloed door het emissiesysteem. Het betreurenswaardige gevolg is wel dat het huidige emissiesysteem de bouw van een kolencentrale op de tweede Maasvlakte geen strobreed in de weg legt.

Ten slotte benadrukt de heer Samsom dat de EU alles op alles moet zetten om het Kyotoprotocol een waardig vervolg te geven. Zo zal men ontwikkelingslanden genereuzer dan tot nu toe moeten steunen bij de bestrijding van klimaatverandering en India en China ervan moeten overtuigen dat zij zich in de toekomst ook bij het Kyotoprotocol moeten aansluiten. Dat hoeft echter niet vandaag op morgen, aangezien de CO2-uitstoot per hoofd van de bevolking in China en India in 2020 nog steeds de helft zal bedragen van die in de EU. Is de minister verder bereid om zich aan te sluiten bij de voorstanders van een importheffing op producten uit de VS die op een energieonvriendelijke manier zijn geproduceerd?

De heer De Krom (VVD) benadrukt dat er op de kortst mogelijke termijn duidelijkheid moet komen over de inhoud van het klimaatbeleid voor de periode na 2012. Het verdient daarbij de voorkeur om met een internationale coalitie een vervolg te geven aan het Kyotoverdrag, desnoods met een minder vergaande doelstelling dan de verlaging van de CO2-uitstoot met 30%, die de regering voorstaat. Met andere woorden: liever verbreding, dan verdieping.

Gezien de opstelling van de VS, China, India en Brazilië ligt het vooralsnog niet in de rede om te verwachten dat Kyoto een vervolg zal krijgen. En mochten deze landen al omgaan, dan is er nog altijd het probleem dat de ontwikkelingslanden eisen dat het Westen eerst zijn historische schuld inlost. Onderkent de staatssecretaris deze problemen en, zo ja, is het dan niet ietwat wereldvreemd van hem om in de pers te laten optekenen dat hij koste wat het kost aan een Kyoto-II-verdrag wil vasthouden?

De onzekerheid over de periode na 2012 leidt er overigens ook toe dat mogelijke investeerders kopschuw worden wanneer de bouw van elektriciteitscentrales aan de orde komt. Om aan deze onzekerheid een einde te maken moet Europa aangeven wanneer het een besluit zal nemen over haar opstelling voor de periode na 2012. Verder zullen er scenario’s moeten worden opgesteld voor het geval er geen wereldwijde coalitie mogelijk blijkt voor een vervolg van het Kyotoverdrag. Ten slotte zal zo snel mogelijk emissieruimte aan bedrijven, bijvoorbeeld elektriciteitscentrales, moeten worden toegekend die hieraan voor hun investeringszekerheid behoefte hebben.

Mocht het Kyotoverdrag onverhoopt geen vervolg krijgen, dan zal er naar alternatieven moeten worden gezocht. Enkele alternatieven zijn: een eigen Europees emissiesysteem, aansluiten bij de goede ideeën achter het Asia-Pacific Partnership on Clean Development and Climate en een wereldwijd systeem van afzonderlijke verdragen. Is de minister bereid om al deze alternatieven in kaart te brengen?

Als de Kyotodoelstellingen onder het NAP-1 kunnen worden gehaald, is er geen reden om de emissieplafonds in het NAP-2 te verlagen. Verder zal de minister moeten garanderen dat de systematiek en de reikwijdte van het NAP-2 niet afwijkt van de buurlanden van Nederland. EnergieNed stelt verder dat de energiekorting in Duitsland lager is dan in Nederland. Is dat waar en, zo ja, vindt de minister het dan niet ongewenst dat daardoor de verschillen in energieprijzen tussen Nederland en Duitsland zullen oplopen? Is inmiddels een eensluidende definitie afgesproken van het begrip «verbrandingsinstallatie» en zal in de Nederland omringende landen ook een deel van de emissierechten worden geveild? Is het kortingspercentage in Duitsland inderdaad effectief 10 tegenover 15 in Nederland? Worden investeerders in elektriciteitsproductie in Duitsland wel op dezelfde manier behandeld als in Nederland? Is de regeling voor nieuwkomers hetzelfde? Worden emissierechten op dezelfde manier toegewezen? Zolang al deze vragen niet bevredigend zijn beantwoord, kan de VVD-fractie geen groen licht geven aan het NAP-2. De heer De Krom zegt dat het zijn inschatting is dat als gevolg van al deze onduidelijkheden in een overleg na het zomerreces bezien moet worden of het NAP-2 naar de Commissie kan worden gestuurd.

Vervolgens vraagt hij waarom het kortingspercentage ook van toepassing is op warmte-krachtkoppeling. De bezitters van dergelijke centrales hebben immers meestal niets van doen gehad met windfall profits. Verder is het vreemd dat zij gekort worden, maar wel een MEP-subsidie ontvangen (Stimulering milieukwaliteit elektriciteitsproductie).

Glaskracht heeft onlangs gewezen op de problemen van de glastuinbouw als gevolg van energieprijzen en energieregelgeving. Zal de minister hieraan aandacht blijven besteden?

Hij zegt vervolgens de verontwaardiging in te kunnen voelen over het feit dat de minister wederom een onderzoek in het vooruitzicht stelt naar de mogelijkheden van een jaarlijkse energiebesparing van 2%. De desbetreffende motie-Van der Ham/Spies is immers al vorig jaar maart ingediend. Wat de uitkomst van dit onderzoek ook moge zijn, de heer De Krom waarschuwt wel dat de kosten van een verhoging van het besparingspercentage van 1,5 naar 2 of 2,5 niet onredelijk hoog mogen uitvallen.

Europese normstelling kan een nuttig middel zijn om te komen tot energiezuiniger huishoudelijke apparatuur. Zijn dergelijke normen echter wel in overeenstemming met de WTO-regelgeving?

Door het verkrijgen van CO2-rechten te koppelen aan de daadwerkelijk hoeveelheid geproduceerd CO2 worden windfall profits voorkomen. Bovendien wordt op deze manier de markt niet verstoord. DSM heeft hiervoor een model ontwikkeld. Zijn de bewindslieden bereid om op de voors en tegens van dit model in te gaan? Mocht dit een werkbaar systeem zijn, dan moet zeker worden overwogen om het in te voeren, aangezien het niet zoals een veiling van emissierechten leidt tot hogere energieprijzen en dus een slechtere concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. Als het voorstel stuit op bezwaren van de Commissie, is men dan bereid om hierover met de Commissie in discussie te gaan?

De keuze tussen een gas- of een kolencentrale op de tweede Maasvlakte moet overgelaten worden aan de instellingen die hiervoor de benodigde investeringen willen doen. De overheid stelt de milieuregels vast en als het mogelijk is om daaraan met een kolencentrale te voldoen, past het de overheid niet om zich met de keuze voor of tegen een kolencentrale te bemoeien. Verder zal ervoor gewaakt moeten worden dat Nederland voor zijn energievoorziening te afhankelijk wordt van gas.

De heer Duyvendak (GroenLinks) zegt dat alle aanwijzingen erop wijzen dat het broeikaseffect een realiteit is en dat het een van de grootste problemen is waarmee de mensheid in de komende decennia geconfronteerd zal worden. De lethargie en de apathie rond dit vraagstuk zijn dan ook even schokkend als zorgwekkend. Hoe langer wij wachten met het aanpakken van dit probleem, hoe drastischer de benodigde ingrepen zullen zijn. Het is dan ook bitter om te moeten constateren dat de regering van de VS het probleem nog steeds ontkent en steeds meer landen het Kyotoprotocol niet meer serieus nemen, zie bijvoorbeeld Canada.

Overigens wijzen China en India er terecht op dat het Westen als eerste ingrijpende maatregelen moet nemen. Het Westen is immers verantwoordelijk voor het overgrote deel van de CO2-emissies, zowel in het verleden als in de nabije toekomst. Met het oog hierop zal Nederland bereid moeten zijn om geld en technologie ter beschikking te stellen voor het ontwikkelen van een zo schoon mogelijke energie-intensieve energie. Zijn de ministers bereid om te bevorderen dat hiervoor (meer) geld van het ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking beschikbaar wordt gesteld.

Als het onverhoopt, en er is maar weinig reden voor optimisme, niet lukt om een wereldwijd energiebeleid te ontwikkelen, zal de EU moeten besluiten tot een reductie van de CO2-emissies met 30% tot 2020. Als de EU daardoor een voorsprong neemt op andere landen, heeft dat alleen maar voordelen. Een reductie van de CO2-emissies is op langere termijn immers onontkoombaar en heeft een voorbeeldfunctie voor andere landen.

In Zuid-Afrika is een informele top gehouden over de toekomst van het Kyotoverdrag. Kan de staatssecretaris aangeven welk standpunt Nederland heeft ingenomen en wat de uitkomst van deze top is?

Nederland zal de Kyotodoelstellingen halen, doordat het veel heeft geïnvesteerd in het buitenland. De heer Duyvendak benadrukt dat hij zeven jaar geleden bij het afsluiten van het Kyotoverdrag de verwachting had dat Nederland aan zijn verplichtingen zou voldoen door binnenlandse investeringen. Binnenlandse investeringen zijn op termijn niet te vermijden, aangezien vervuiling door uitlaatgassen het grootste Nederlandse milieuprobleem is. De regering geeft prioriteit aan het bijmengen met biobrandstof. Is het door de regering voorgestelde percentage verplichte bijmenging echter niet te laag om effect te sorteren?

De uitvoering van de CO2-emissiehandel is onder de maat, vooral als gevolg van de tekortschietende EU-regelgeving. In de richtlijnen wordt namelijk te veel ruimte geboden om aan de in principe stringente normen te ontsnappen. Waarom maakt Nederland overigens ook gebruik van deze beleidsruimte? Had Nederland met andere woorden niet voor zo scherp mogelijke normen moeten kiezen? Ziet de staatssecretaris overigens mogelijkheden om te komen tot harmonisatie van de normen van de verschillende lidstaten?

De regering werkt op dit moment aan het NAP-2. Welke rol ziet zij daarbij weggelegd voor het parlement? De heer Duyvendak vraagt dit met nadruk, omdat uit de gang van zaken tot nu toe opgemaakt zou kunnen worden dat de regering het parlement het liefst helemaal afzijdig zou houden. In de aanbiedingsbrief wordt het parlement zelfs helemaal niet genoemd. Zal de regering het parlement alsnog een volwaardige rol geven bij het vaststellen van het NAP-2? Is zij met andere woorden bereid om het NAP-2 pas naar de Commissie te sturen als de Kamer hierover na de zomer met de regering heeft gedebatteerd?

In het NAP-2 wordt de energie-intensieve industrie ten onrechte wederom in de watten gelegd, want voor de tweede keer blijven de heffingen voor grootverbruikers zowel absoluut als relatief sterk achter bij die voor kleinverbruikers. Is de regering bereid om de Kamer een schriftelijke reactie te doen toekomen op het rapport Increasing the ambition of EU emissions trading?

Er wordt in discussies over energiebesparing vaak ten onrechte met een beschuldigende vinger naar de consument gewezen. Ten onrechte, want het is aan de politiek om producenten te dwingen schone producten te verkopen.

De door de regering voorgestelde korting van 15% op energieproducten om de windfall profits af te romen, is te laag. Zal verder de CO2-opslag in de toekomst ook onder de emissiehandel komen te vallen?

De heer Duyvendak benadrukt dat het het failliet van de emissiehandel zou zijn als het binnen dit systeem mogelijk is dat op de tweede Maasvlakte een kolencentrale wordt gebouwd. Kolencentrales hebben immers de hoogste CO2-uitstoot van alle typen centrales. Is de regering met het oog hierop bereid om de allocatie voor deze centrale ingrijpend te verlagen? Dat zou ook in overeenstemming zijn met het beleid om nieuwe installaties rechten toe te wijzen op basis van de stand der techniek. Natuurlijk moet daarbij de op dit moment schoonste techniek het referentiepunt zijn.

Het kabinet heeft vier jaren verloren laten gaan voor de energiebesparing. Met de verkiezingen in het achterhoofd zal de minister dan ook besloten hebben om op de valreep alsnog te erkennen dat een jaarlijkse energiebesparing van 2% mogelijk is. In zijn periode zullen de bijbehorende maatregelen echter niet meer getroffen worden en dat is tragisch voor een minister zich die zich in het begin van zijn ambtsperiode afficheerde als dé groene minister. Wanneer zal hij de Kamer informeren over mogelijke maatregelen? Zal hij daarbij echt alle opties behandelen voor verkeer en de bebouwde omgeving, bijvoorbeeld een kilometerheffing?

Concentrated solar power is een nieuwe, veelbelovende techniek voor zonne-energie. Hij vraagt de minister daarom toe te zeggen dat hij de verdere ontwikkeling van deze techniek zal stimuleren.

Mevrouw Van Velzen (SP) complimenteert de regering met het feit dat zij heeft besloten om de windfall profits te laten onderzoeken en maatregelen te treffen. Overigens valt op de maatregelen nog wel het een en ander af te dingen. Zo is besloten om de windfall profits pas in 2008 aan te pakken in het NAP-2, ook al voorspelt de DTe dat ze in de komende jaren alleen maar groter zullen worden. Waarom niet eerder (fiscale) maatregelen getroffen? Het is toch zeker onacceptabel dat de consument ook de komende jaren het slachtoffer zal zijn van deze vervuilende vorm van windhandel?

De minister wil de tegemoetkoming in de energiekosten van € 50 financieren uit het MEP. Deze tegemoetkoming is natuurlijk een goede zaak, maar de gekozen financiering is minder goed. Is het niet mogelijk om het benodigde geld te vinden door de windfall profits extra te belasten?

In het NAP-2 is een korting van 15% op de emissierechten van de energieproducenten voorzien. De minister stelt de energieproducten tegelijkertijd ook een vrijstelling van 350 GWh in het vooruitzicht. Wat is dan nog het netto resultaat van de korting en hoeveel gaat de consument er hierdoor op vooruit?

Het CO2-emissieplafond in het NAP-2 is veel te hoog. Daardoor zijn allerlei ongewenste ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld een nieuwe kolencentrale op de tweede Maasvlakte, ook in de toekomst nog steeds mogelijk. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dit? Uit uitlatingen in de pers lijkt afgeleid te mogen worden dat de staatssecretaris dit plafond eigenlijk ook te hoog vindt. Als dat zo is, is het dan niet aan hem om in dit belangrijke milieudossier duidelijker lijnen aan te geven?

De emissierechten zijn in het afgelopen jaar niet volledig opgebruikt. Wat is daarvan de oorzaak en hoe denken de bewindslieden dit in de toekomst te voorkomen? Is het niet mogelijk om met een jaarlijks aflopend volume emissierechten te gaan werken? Mevrouw Van Velzen wijst erop dat dat ook een belangrijke stimulans zou zijn voor innovatie.

Het is en blijft een vreemde keuze om emissierechten gratis te verstrekken aan de bestaande vervuilers. Daarom is het een goede zaak dat is besloten om 4% van deze rechten te veilen. Is het mogelijk om de opbrengsten van deze veiling te gebruiken voor een subsidieregeling voor energie-efficiency, met alle voordelen van dien voor de innovatie?

In het NAP-2 krijgen nieuwe installaties net als in het NAP-1 gratis emissierechten. Dat is ongewenst, want op een gegeven moment zal hoe dan ook een streep moeten worden getrokken en besloten moeten worden om emissierechten niet langer gratis te verstrekken. Waarom wordt daarmee niet bij nieuwe installaties begonnen? Zij kunnen immers geen aanspraak maken op oude rechten.

Emissierechten worden op bedrijfsniveau verdeeld op basis van een afschrijvingsperiode van vijf jaar. Waarom is voor die vijf jaar gekozen? Er zijn toch zeker ook zeer nuttige en welkome investeringen in energie-efficiency denkbaar die een afschrijvingsperiode hebben van tien jaar?

Het Kyotoprotocol is in de Nederlandse wetgeving opgenomen als een rijkswet. De Nederlandse Antillen hebben het protocol echter nog steeds niet geïmplementeerd. Wat is daarvan de oorzaak? Hebben de Antillen hulp nodig bij de implementatie en, zo ja, is de regering dan bereid om die te geven? Is het wel mogelijk om aan de Kyotodoelstellingen te voldoen als de Nederlandse Antillen achterblijven?

De minister stelt zich inmiddels wel positief op tegenover de wens van de Kamer om te komen tot een jaarlijkse energiebezuiniging van 2% en heeft een onderzoek hiernaar toegezegd. Is hij bereid om nog voordat dit onderzoek is afgerond te investeren in besparingsmaatregelen voor de bestaande bebouwing?

De regering heeft ervoor gekozen om het windmolenpark in Flevoland de status van rijksproject te geven, ook al heeft Flevoland de BLOW-doelstelling gehaald. Waarom is dan toch voor dit zware middel gekozen? Mevrouw Van Velzen vraagt verder of is overwogen om een handel in BLOW-doelstellingen mogelijk te maken. Flevoland zou dan bijvoorbeeld een deel van de doelstelling van Noord-Brabant kunnen overnemen, omdat zij meer ruimte heeft voor windmolenparken. Noord-Brabant moet dan bijvoorbeeld in ruil een bijdrage leveren aan een de milieudoelstelling voor bos van Flevoland.

De heer Van der Ham (D66) wijst op het belang dat er spoedig duidelijkheid komt over de toekomst van het Kyotoverdrag na 2012. Als die duidelijkheid er niet komt, zullen de broodnodige investeringen waarschijnlijk uitgesteld zo niet afgesteld worden. Zal de regering bevorderen dat de doelstellingen voor het terugdringen van CO2-emissies na 2012 zo ambitieus mogelijk zijn?

De samenwerking in de EU bij het ontwikkelen en bevorderen van het gebruik van duurzame energie is onvoldoende. Dat blijkt wel uit de gang van zaken rond het zevende Kaderprogramma voor technologie. Verder is er ook sprake van windstilte rond The Egmond paper over windenergie dat is opgesteld onder het Nederlandse EU-voorzitterschap. Kan de regering aangeven op welke manier zij windenergie binnen de EU bevordert?

China en India kunnen met recht aanvoeren dat het Westen niet meer recht heeft op CO2-emissies dan zij. Bij deze constatering mag het echter niet blijven. Zo zal Nederland deze landen technische bijstand moeten leveren om ervoor te zorgen dat zij een zo schoon mogelijke industrie krijgen. Wordt bijvoorbeeld met de European Bank for Reconstruction and Development en de Wereldbank bezien op welke manier kan worden bevorderd dat de investeringen die met leningen van deze banken worden gefinancierd, duurzaam zijn?

De minister is veel te laat met zijn constatering dat in Nederland een jaarlijkse energiebesparing van 2% mogelijk is. Er zijn namelijk nog heel veel goede maatregelen denkbaar. De heer Van der Ham waarschuwt wel dat het niet alleen bij vrijblijvende maatregelen kan blijven en dat de keuzevrijheid van burgers en bedrijven beperkt moet worden. Zo moet op termijn verboden worden dat apparatuur met een stand-byknop wordt aangeboden. Verder moet worden overwogen om de overdrachtsbelasting te differentiëren in die zin dat op deze belasting een korting kan worden verkregen als de nieuwe bewoners investeren in de isolatie van de door hen gekochte woning. Hoe beoordeelt de staatssecretaris overigens het voorstel om de EPC-norm te verlagen tot 0,6% in 2010 en tot 0,4% in 2015?

Aan mobiliteit zullen in de toekomst strenge eisen moeten worden gesteld. Zo zal de CO2-uitstoot per auto in Europees verband aan een maximum moeten worden gebonden. Als dat niet mogelijk blijkt, moet de regering niet schromen om daartoe zelf maatregelen te nemen. Daarbij kan een voorbeeld worden genomen aan Californië, want daar heeft men dergelijke maatregelen al genomen. De heer Van der Ham merkt op dat zelfs overwogen moet worden om ernstig vervuilende auto’s vanaf 2015 niet langer toe te staan, bijvoorbeeld door middel van een «CO2-apk».

De Taskforce Energietransitie heeft duidelijk aangeven dat er een aanzienlijke financiële inspanning, ongeveer 2 mld., zal moeten worden geleverd om de doelstellingen voor duurzame energie te realiseren. Kan de minister misschien al zeggen of en, zo ja, in welke mate hij aan deze financiële claim tegemoet zal komen?

In Duitsland en Spanje werkt men met een teruglevergarantie voor zonne-energie. Daardoor kunnen zowel bedrijven als kleine huishoudens met meer zekerheid langdurige investeringen in duurzame energie aangaan.

Concentrated solar power (CSP) is een interessante mogelijkheid voor Nederlandse organisaties om in te investeren. De minister heeft gezegd dat hij zal bezien of Nederland kan bijdragen aan een project met CSP in Algerije. Het is te hopen dat dit tot een positief resultaat zal leiden.

Het is een goede zaak dat in het NAP-2 wordt voorgesteld om de energieproducenten met het oog op de windfall profits jaarlijks met 15% te korten op hun emissierechten en deze rechten te veilen of te verkopen. Een derde van deze rechten komt ten goede aan de overige deelnemers van de emissiehandel. Hierdoor worden grootgebruikers voor een deel gecompenseerd voor de verhoging van de elektriciteitsprijs. Is dit niet tegenstrijdig met het beleid om door middel van een systeem van emissierechten grootgebruikers te bewegen zuiniger om te gaan met energie?

De opbrengst van de veiling zal worden gebruikt om afnemers van elektriciteit tegemoet te komen. De precieze manier waarop dat zal worden gedaan, moet nog worden bepaald. Is de regering bereid om te overwegen om dit geld te gebruiken voor het verhogen van het tempo van de energiebesparing? Dat lijkt nodig nu de minister heeft geschreven dat het zijn voornemen is om jaarlijks een energiebesparing van 2% te realiseren.

Greenpeace stelt dat het emissieplafond in het NAP-2 van 99,2 megaton CO2 per jaar te hoog is en bijgesteld zou moeten worden naar 85 megaton. Alleen op die manier worden bedrijven echt geprikkeld om te investeren in duurzame productie. Hoe beoordeelt de minister deze kritiek?

De heer Van der Ham zegt vervolgens dat hij een voorstander is van het onderbrengen van ondergrondse CO2-opslag in het systeem van emissiehandel.

Het heeft te lang geduurd voordat kon worden met de aanleg van een windmolenpark voor de kust van Egmond aan Zee. Het is dan ook een goede zaak dat de regering ervoor heeft gekozen om de uitvoering van het BLOW-convenant te versnellen door voor de aanleg van een windmolenpark in Flevoland gebruik te maken van de rijksprojectenprocedure.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie) wijst erop dat het eerste handelsjaar van het emissierechtensysteem nog niet heeft geleid tot meer klimaatvriendelijke investeringen en tot CO2-reductie. De Kyotodoelstellingen zullen door Nederland dan ook niet worden gehaald door inspanningen van de industrie en energieproducenten, maar door het kopen van emissierechten, de bijmenging met biobrandstof en subsidies voor duurzame energie. Een en ander komt erop neer dat niet de vervuiler maar de belastingbetaler betaalt.

Emissiehandel kan alleen bijdragen aan het klimaat indien men bereid is om voldoende schaarste te creëren. Is de minister het hiermee eens en, zo ja, is de allocatie van CO2-emissierechten in het verleden dan niet te ruim geweest? In het NAP-2 zal deze schaarste in ieder geval wel moeten worden gecreëerd. Om daarvan zeker te zijn zal het NAP-2 in het parlement moeten worden besproken, voordat het ter goedkeuring aan de Commissie wordt voorgelegd.

Windfall profits zijn onacceptabel, zeker nu de energieprijzen hoog zijn en nog steeds stijgen. Deze winsten worden immers behaald door consumenten te laten betalen voor rechten die de energieproducenten gratis hebben gekregen. De regering wil de windfall profits tegengaan door de energieproducenten in het NAP-2 met 15% te korten op hun emissierechten. Waarop is dit percentage gebaseerd? Is een korting met 15% verder wel voldoende om dit probleem op te lossen?

EnergieNed stelt dat de energieproducenten in Duitsland in de praktijk een korting krijgen opgelegd voor de windfall profits die 3% lager uitvalt dan die in Nederland. Heeft EnergieNed het bij het rechte eind en, zo ja, wat zal de minister dan doen om deze vorm van concurrentievervalsing tegen te gaan?

Kolencentrales krijgen gratis emissierechten in tegenstelling tot bijvoorbeeld windturbines. Omdat deze rechten vervolgens op de vrije markt verhandeld kunnen worden, is het op dit moment alleen maar aantrekkelijker geworden om een vervuilende centrale te bouwen. Dat is natuurlijk niet de bedoeling van het emissierechtensysteem en het is dan ook enigszins vreemd dat de minister schrijft dat de overheid geen technologische keuzes aan het bedrijfsleven kan opleggen. Dat moge zo zijn, maar dat ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid. Hoe gaat de minister er met andere woorden voor zorgen dat de CO2-uitstoot van een te bouwen kolencentrale in Nederland beperkt blijft? Mevrouw Huizinga benadrukt dat het voor haar fractie onacceptabel zou zijn als een nieuwe centrale kolen als brandstof zou gebruiken.

In het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) staat dat een geïntegreerd klimaat- en luchtbeleid grote synergievoordelen zou hebben, niet alleen uit een volksgezondheidsoogpunt maar ook uit een financieel oogpunt. Kan de staatssecretaris aangeven of deze constatering zal leiden tot beleidswijzigingen?

De minister heeft zich ten doel gesteld om in 2015 de situatie te bereiken dat economische groei en het gebruik van fossiele brandstoffen ontkoppeld zijn. Kan de minister aangeven welke concrete maatregelen hij hiervoor zal nemen?

Ten slotte zegt mevrouw Heringa erg benieuwd te zijn naar het plan dat de minister onder druk van de Kamer in het najaar zal voorleggen om te komen tot een jaarlijkse energiebesparing van 2%.

Antwoord van de bewindslieden

De minister benadrukt dat het de kern van het energiebeleid van de regering is dat energie betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam moet zijn. Een zorgvuldige afweging van deze elementen heeft ertoe geleid dat de regering als haar voornemen heeft geformuleerd dat in 2015 de Nederlandse economische moet kunnen groeien, zonder dat daarvoor meer fossiele brandstof nodig is. Dit voornemen laat wel zien dat het onterecht is om, zeker nu de economische groei sterk aantrekt, het energiebeleid van de regering te kenschetsen als pappen en nat houden. Deze stabilisatie in 2015 moet worden bereikt door het verhogen van het energiebesparingstempo en het gebruik van duurzame energie. Dit streven doet overigens op geen enkele manier afbreuk aan andere doelstellingen van het energiebeleid. Overigens is het jaartal 2015 gekozen, omdat Duitsland er ook naar streeft om in dat jaar zijn gebruik van fossiele brandstoffen te stabiliseren.

Het Nederlandse investeringsklimaat vereist leveringszekerheid. Er zal daarom voor gezorgd moeten worden dat Nederland over voldoende capaciteit beschikt voor elektriciteitsopwekking. Daarvoor zijn investeringen nodig en om die investeringen aantrekkelijk te maken heeft de regering besloten om nieuwe centrales de korting voor de windfall profits niet op te leggen. Dit is een voorbeeld waaruit blijkt hoezeer is geprobeerd om in het NAP-2 een goede balans te vinden tussen de eisen die de regering aan het energiebeleid stelt, te weten: betrouwbaarheid, betaalbaarheid en duurzaamheid.

Het NAP-2 zal ter goedkeuring aan de Commissie voorgelegd moeten worden. De minister zegt dat het in principe mogelijk is om dat te doen met de aantekening dat Nederland zich, met het oog op de nationale procedures, het recht voorbehoud om in een later stadium alsnog inhoudelijke wijzigingen in het NAP-2 aan te brengen. Op deze manier kan vertraging zoveel mogelijk worden voorkomen. Het voorkomen van tijdverlies is heel belangrijk, omdat er in de komende weken duidelijkheid moet komen over de regelgeving voor de energie-intensieve industrie. Als die duidelijkheid niet wordt gegeven, kan dat er namelijk toe leiden dat bedrijven besluiten om investeringen niet door te laten gaan.

De minister benadrukt dat de Kamer in dit algemeen overleg duidelijkheid zou moeten geven over een aantal zaken die van belang zijn voor de lopende onderhandelingen. Dat zijn enerzijds het niet korten van nieuwe centrales op de emissierechten en anderzijds het korten van oude elektriciteitscentrales om de zo verkregen rechten ten goede te laten komen aan de energie-intensieve industrie. Hij herinnert er verder aan dat hij de Kamer eerder aangeboden heeft om een vertrouwelijk overleg te houden over het energiebeleid. In dat overleg kunnen deze punten uiteraard ook worden behandeld.

De ernst van de problematiek van de windfall profits verschilt per lidstaat en is afhankelijk van de opbouw van de energiesector. Kernenergie- en waterkrachtcentrales vallen immers niet onder het emissiehandelssysteem. Als gevolg daarvan heeft bijvoorbeeld Frankrijk relatief minder gratis emissierechten uitgegeven aan de energiesector, wat het dit land mogelijk maakt om de windfall profits te beperken. Een en ander leidt ertoe dat het moeilijk is om overeenstemming te bereiken over een geharmoniseerd Europees beleid.

Duitsland heeft net als Nederland het voornemen om de emissierechten van de elektriciteitssector te korten en wel met 15%. De regering heeft besloten om bij dit percentage aan te sluiten. Het is op dit moment echter nog niet duidelijk of Duitsland ook zal besluiten tot het veilen van een deel van de rechten. België heeft al in zijn eerste allocatieplan een korting van 15% doorgevoerd en zal deze korting ook in het tweede allocatieplan opnemen. Nederland zit wat betreft de korting dus op één lijn met België en Duitsland.

Met Duitsland, Frankrijk, België en Luxemburg is in het zogenaamde pentalaterale overleg over de Noordwest-Europese energiemarkt afgesproken dat de allocatieplannen beter met elkaar zullen worden afgestemd. Daartoe is een werkgroep voor emissiehandel in het leven geroepen die in september zal rapporteren. Het is de verwachting dat daardoor betere afstemming van de aanpak van windfall profits mogelijk zal blijken, zij het dat Frankrijk een bijzondere positie zal blijven innemen omdat dit land 80% van zijn elektriciteit opwekt in kernenergiecentrales. De minister benadrukt in dit verband dat hij zich ervoor zal inzetten dat de prijsverschillen met de Nederland omringende landen en in het bijzonder Duitsland zo klein mogelijk blijven.

Voor de langere termijn is het belangrijk dat de windfall profits onderdeel gaan uitmaken van de Europese review van de CO2-richtlijn. Met het oog hierop is de Commissie op de hoogte gesteld van de Nederlandse aanpak van de windfall profits en de wens voor een allocatie van emissierechten aan elektriciteitsproductiebedrijven op een geharmoniseerde basis.

De opbrengst van de veiling van de emissierechten zal worden gebruikt om de MEP-heffing voor kleinverbruikers te compenseren met € 52 per jaar. Nederland zal ongeveer 4% van de emissierechten veilen. Daarmee gaat Nederland verder dan Duitsland. De minister zegt toe dat hij de Kamer hierover voor het zomerreces nader schriftelijk zal informeren.

De minister zegt dat er, zoals eerder aangegeven, geen fiscale maatregelen mogelijk zijn om de windfall profits af te romen. Door de fluctuaties in de CO2-prijs is vooraf namelijk niet bekend hoe hoog deze winsten zullen zijn.

De belangrijkste verschillen tussen het NAP-1 en het NAP-2 zijn dat in het NAP-2:

– de toewijzing een periode van vijf jaar betreft;

– 4% van de rechten worden geveild:

– mede op aandringen van Nederland, ook chemische installaties verplicht onder het handelssysteem komen te vallen;

– de opt-out voor kleine installaties wordt afgeschaft. (Over het omgaan met kleine installaties wordt nog overlegd met de Commissie);

– NO2, afkomstig van de salpeterzuurproductie in drie installaties, in het systeem wordt meegenomen (Dit gaat niet ten koste van de CO2-ruimte van de overige deelnemers).

De rechten worden aan nieuwe bedrijven toegekend op basis van de beste stand der techniek. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de BATNEC-methodiek (Best Available Technology at Not Excessively Costs). Als men niet over dergelijke techniek beschikt, komt een bedrijf rechten te kort. Op deze manier worden bedrijven geprikkeld om te innoveren. De emissierechten voor nieuwkomers zijn in een speciaal depot gereserveerd.

De allocatie in het NAP-2 is krapper dan in het NAP-1, ook als daarbij in acht wordt genomen dat men in 2005 over 7% meer rechten beschikte dan nodig was. Er wordt immers uitgegaan van dezelfde streefwaardes als in 2005, ook al hebben bedrijven meer CO2-ruimte nodig als gevolg van de economische groei, vallen meer bedrijven onder het handelssysteem en wordt 4% van de rechten verkocht. In het NAP-1 was 86,3 miljoen ton CO2 beschikbaar voor 207 bestaande bedrijven en in het NAP-2 is dat 88,7 miljoen ton voor 500 bedrijven. De druk op bedrijven neemt dus aanzienlijk toe en daarmee de prikkel om te innoveren.

Al met al is het mogelijk om met het NAP-2 aan de Kyotodoelstellingen te voldoen en de allocatie aan de industrie en de energiesector binnen de streefwaarden te houden. Met verdergaande maatregelen zou Nederland binnen Europa sterk uit de pas gaan lopen met alle nadelige gevolgen van dien voor de Nederlandse energie-industrie. Bovendien moet in het oog worden gehouden dat Nederland zich met zijn energieprijzen al op een duurte-eiland binnen Europa bevindt.

De bebouwde omgeving en de industrie leveren beide een aanzienlijke bijdrage aan de verlaging van CO2-emissies. De grootste problemen doen zich dan ook voor bij de mobiliteit. De minister werpt verder de suggestie verre van zich dat hij de industrie in zijn CO2-beleid zou ontzien. Wel heeft de industrie zoveel ruimte nodig dat de werkgelegenheid niet in gevaar komt en men financiële mogelijkheden heeft om in innovatie te investeren.

De Kamer zal schriftelijk worden geïnformeerd over het DSM-model.

Een nieuwe kolencentrale zou een welkome uitbreiding zijn van de Nederlandse capaciteit om elektriciteit op te wekken Bovendien vergroot een kolencentrale de stabiliteit van de energieprijzen en draagt zij bij aan de modernisering van de kolencentrales in Europa. Kolencentrales met een laag rendement zullen in de toekomst immers als eerste hun poorten moeten sluiten. Voorwaarde is natuurlijk wel dat zo’n centrale zo efficiënt mogelijk is en zo weinig mogelijk CO2 uitstoot. Om technische, economische en beleidsmatige redenen is het echter onwenselijk om op dit moment ondergrondse CO2-opslag verplicht te stellen.

Met de ondergrondse opslag van CO2 van kolencentrales is nog geen ervaring opgedaan, daardoor is onduidelijk of deze vorm van opslag technisch haalbaar is. De techniek voor de afvang van CO2-rookgassen is bovendien nog in onderzoek. Dat geldt ook voor de opslag zelf, want daarmee worden op dit moment alleen nog maar kleinschalige tests uitgevoerd. Bovendien is het beheer van en de verantwoordelijkheid voor de ondergrondse CO2-opslag nog niet uitgewerkt. Al met al zou verplichte ondergrondse opslag leiden tot een verdubbeling van de prijs van de elektriciteit die deze centrale levert.

De huidige financiële en technische problemen van ondergrondse opslag betekenen niet dat deze vorm van opslag in de toekomst niet groot belang is. Zo zal rond 2014 in Duitsland een kolencentrale van 415 megawatt in bedrijf worden genomen, waarvan de CO2-emissie ondergronds wordt opgeslagen. Het moet de ambitie van Nederland zijn om tegen die tijd ook over deze techniek te beschikken.

Voor een eventueel te bouwen kolencentrale zou een keuze gemaakt moeten worden tussen een poederkolencentrale of een kolenvergasser. Zij zouden natuurlijk volgens de modernste technieken worden gebouwd en dat betekent dat zij nauwelijks in uitstoot zullen verschillen. Milieueisen hoeven dus niet sturend zijn in de technologiekeuze, hetgeen betekent dat er geen reden is om de beslissing om in een nieuwe kolencentrale te investeren tot een zaak van de overheid te maken.

De minister zegt toe dat hij de Kamer schriftelijk zal informeren over de CO2-uitstoot van respectievelijk een poederkolencentrale, een kolenvergasser en een gascentrale.

De minister bestrijdt met klem de suggestie dat zijn ambtsperiode verloren jaren zijn geweest voor de energiebesparing. Integendeel, juist in eerdere kabinetten speelde energiebesparing nauwelijks of geen rol in het energiebeleid, terwijl het beleid van deze regering heeft geleid tot jaarlijkse energiebesparingen van 0,2% en 0,3%. Deze besparing zal in de komende jaren met nog eens 1,5% worden gehoogd, zodat aan de wens van de Kamer kan worden voldaan om te komen tot een jaarlijkse energiebesparing van 2%.

De energiebesparing in de bebouwde omgeving kan zeker nog worden verhoogd. De energiepremieregeling bleek echter niet het geëigende middel om die verhoging te bewerkstelligen. Een rehabilitatie van deze regeling ligt dan ook niet voor de hand. De ministers van EZ en VROM zullen de Kamer binnenkort in een brief voorstellen doen voor energiebesparing waarin de witte certificaten en de EPD-richtlijn aan de orde zullen komen.

CSP is een interessante nieuwe technologie voor de opwekking van duurzame energie. Uit de brief van 16 mei mag de Kamer niet afleiden dat de regering zich terughoudend opstelt tegenover deze techniek. Dat laat onverlet dat wel moet worden bezien op welke manier het potentieel van deze techniek het beste tot volle wasdom kan komen. Daarbij moet vooral worden gedacht aan toepassing in streken met relatief veel zonne-uren als Noord-Afrika. Daarbij kan in het bijzonder aan Algerije worden gedacht, omdat de regering met dit land werkt aan samenwerkingsmogelijkheden voor duurzame energie.

De minister zegt dat hij daarom CSP vooral zal steunen via de IEA en het zevende Kaderprogramma. Overigens kan CSP natuurlijk ook aan de orde komen in het Transitieplatform. Als dit platform te kennen geeft dat er belangstelling is van bestaande bedrijven voor deze techniek, zal worden bezien of het ministerie hieraan een financiële bijdrage kan leveren. Wellicht kan ook de minister voor Ontwikkelingssamenwerking hieraan bijdragen.

Het convenant Glastuinbouw en Milieu (GlaMi) is afgesloten voordat de emissiehandel van kracht werd. Op dit moment wordt getracht het convenant en de regeling voor emissiehandel in elkaar te schuiven. Overigens valt een deel van de glastuinbouw niet onder de regeling voor emissiehandel, omdat tot een bepaald plafond een vrijstelling wordt verleend. In het NAP-2 wordt hierop ingegaan.

Het is een Europese paradox dat Europeanen goed zijn in laboratoria, maar slecht op de markt. Dit probleem speelt op tal van terreinen. De Taskforce Energietransitie buigt zich specifiek over dit probleem voor het onderzoek naar duurzame energie. In het najaar komt er een evaluatie van het bestaande instrumentarium. Probleem hierbij is wel dat het bedrijfsleven er niet bij gebaat is als deze instrumenten steeds maar weer worden aangepast. Zekerheid is voor hen heel belangrijk.

De doelstellingen van het BLOW-convenant zullen worden gehaald. De regering zal natuurlijk positief reageren op voorstellen om via een herverdeling over de provincies een beter resultaat te halen dan oorspronkelijk voorzien.

Nederland werkt met een afschrijvingsperiode van vijf jaar, omdat die termijn in de wet is vastgelegd. Nederland wijkt daarmee af van de praktijk van Duitsland. De minister zegt dat hij hoopt in het najaar hierop terug te kunnen komen in de brief over energiebesparing.

Op ambtelijk niveau wordt door Denemarken, Duitsland en Nederland overlegd over The Egmond Paper. Als dit overleg tot resultaten leidt, zal de Kamer daarvan op de hoogte worden gesteld.

De Kamer is gevraagd om in te stemmen met een rijksprojectenprocedure voor windenergie in de Noordoostpolder, omdat het daardoor mogelijk wordt om alle besluiten te coördineren via één rechtsingang. De minister zegt ten slotte graag op korte termijn te horen of de Kamer hiermee kan instemmen.

De staatssecretaris herinnert eraan dat hij de coördinerende bewindspersoon is voor de verdeling van emissierechten over de verschillende sectoren in de vorm van streefwaarden. Met het oog op deze coördinerende verantwoordelijkheid is een taakverdeling vastgesteld die inhoudt dat de staatssecretaris voor Milieu verantwoordelijk is voor de procedurele afhandeling van het NAP-2 en het daarop gebaseerde toewijzingsbesluit.

In de Wet milieubeheer is de verplichting voor de regering opgenomen om het concept-NAP-2 naar de Kamer te sturen. Nadat aan deze verplichting is voldaan, is het aan de regering om het concept-NAP-2 ter goedkeuring aan de Commissie aan te bieden. Het is van belang dat deze goedkeuring van de Commissie zo spoedig mogelijk wordt verkregen, omdat het NAP-2 ook een aantal veranderingen bevat waarvoor een wijziging van de wet- en regelgeving nodig is. Voorbeelden daarvan zijn de kleine emittenten en de definitie van verbrandingsovens. Bovendien moet na de goedkeuring van de Commissie ook het toewijzingsbesluit worden afgerond, inclusief eventuele beroepsprocedures bij de Raad van State. Al deze procedures vragen de nodige tijd en daarom is de regering er veel aan gelegen om het NAP-2 zo spoedig mogelijk naar de Commissie te sturen. Uitstel hiervan als gevolg van de wens van de Kamer om na het zomerreces over het NAP-2 te debatteren, leidt tot tijdsverlies en daardoor tot meer onduidelijkheid bij de industrie en de energieproducenten.

De staatssecretaris merkt op dat eventuele kritiek van de Kamer verwerkt kan worden als het concept-NAP-2 niet door de Commissie wordt goedgekeurd. Als de Kamer hiermee akkoord kan gaan, betekent dat dat het tijdsverlies zo beperkt mogelijk blijft. Hij waarschuwt er tegelijkertijd voor dat het niet uitgesloten is dat de Commissie het concept-NAP-2 zonder verdere consultatie goedkeurt. In dat geval is het dus niet meer mogelijk om de kritiek en eventuele wensen van de Kamer in het NAP-2 te verwerken. Verder moet hierbij in het oog worden gehouden dat de Nederlandse wet- en regelgeving niet gelijk is aan die van de Nederland omringende landen en dat het daardoor onmogelijk is om de procedures zo aan te passen dat bijvoorbeeld afgewacht kan worden op welke manier Duitsland emissierechten gaat veilen.

De regering heeft lang gewacht met het opstellen van het NAP-2 om zoveel mogelijk informatie over de allocatieplannen van andere lidstaten te kunnen verwerken. Verder was er tijd nodig om de aanpak van bijvoorbeeld de windfall profits op zijn juridische houdbaarheid te testen.

De door de Commissie vastgestelde deadline voor het indienen van de allocatieplannen is 30 juni. Landen die nu al aangeven zich niet te zullen houden aan deze deadline, gaan dus in tegen de regelgeving van de Commissie. De staatssecretaris zegt dat de regering er de voorkeur aan geeft om zich wel aan deze deadline te houden.

In de Milieuraad is gesproken over mogelijkheden om de problemen rond de definities van verbrandingsovens en kleine emittenten gezamenlijk op te lossen. Alle lidstaten worden immers geconfronteerd met de bureaucratie die hiermee gepaard gaat. In de praktijk bleek dit echter onmogelijk omdat, zoals de Commissie terecht aangaf, dergelijke tussentijdse aanpassingen niet mogelijk zijn zonder dat verschillende lidstaten aanvullende wensen op tafel leggen. De Commissie heeft verder positief gereageerd op de oproep om hen strak aan de afgesproken procedures te houden om te voorkomen dat lidstaten kun kaarten voor zich houden totdat zij duidelijkheid hebben over de inhoud van de allocatieplannen van andere lidstaten.

De staatssecretaris benadrukt dat van bevoordeling van de industrie boven de sectoren bebouwde omgeving en mobiliteit geen sprake is. Bovendien is de verdeling van de emissierechten in het NAP vastgelegd, een plan dat op de goedkeuring van het parlement mocht rekenen. In 2005 beschikte Nederland over een hoeveelheid emissierechten die 7% lag boven de werkelijke behoefte. Dit was terecht omdat Nederland veel energie-intensieve industrie heeft en al in een vroeg stadium maatregelen voor energie-efficiency heeft genomen.

Het staat volgens de staatssecretaris buiten kijf dat het klimaat verandert. Nederland zal zich moeten aanpassen aan de gevolgen die dit zal hebben. Al met al is het dé opdracht van de komende jaren om wereldwijd het gebruik van fossiele brandstoffen terug te brengen. Nederland zal daarom steun blijven verlenen aan het systeem van emissiehandel en zich ervoor inzetten dat het systeem wordt uitgebreid. Gezien de omvang van de problemen zijn de VN het aangewezen forum om afspraken te maken. Dat laat onverlet dat Nederland zo creatief mogelijk zal meewerken aan initiatieven om het klimaat te beschermen.

Daarbij moet gedacht worden aan het Asia Pacific Partnership on Clean Development and Climate en het ontwikkelen van een Europese strategie voor de situatie na 2012. Overigens zal de Commissie over enkele maanden een notitie naar buiten brengen over de positie van de EU op de middellange en lange termijn. Verder ontplooit de Wereldbank nuttige activiteiten om klimaatvriendelijke investeringen te bevorderen. Een specifiek Nederlands initiatief is verder de conferentie op 16 en 17 oktober 2006 Make markets work for climate. Komend weekend zullen in Zuid-Afrika vijfentwintig milieuministers met elkaar spreken over market based opportunities, potential of technology, adaptatie en mogelijkheden voor een duurzaam, multilateraal klimaatsysteem. De uitkomsten van deze conferentie, maar ook die van alle andere initiatieven, zullen in oktober besproken worden op een conferentie in Nairobi.

Het IBO zal onderzoek doen naar het milieubeleid voor de middellange en lange termijn. In dat onderzoek wordt ingegaan op meer dwingende instrumenten om de Nederlandse doelstellingen te realiseren. Daarbij zal ook de vraag aan de orde komen in hoeverre de WTO dergelijke «paardenmiddelen» toestaat.

Kolencentrales moeten voldoen aan de geldende milieueisen. Deze eisen zullen in de toekomst hoogstwaarschijnlijk worden aangescherpt. Dat geldt in het bijzonder voor de emissieplafonds voor SO2, NOx en fijn stof. De regering zal daarbovenop geen naar techniek discriminerende maatregelen treffen om bij voorbaat bepaalde technieken uit te sluiten. Dergelijke maatregelen zijn juridisch namelijk niet houdbaar. Overigens wordt in de voorstellen die tot nu toe zijn gedaan, dermate moderne technologie gebruikt dat het niet te verwachten is dat deze (aangescherpte) milieueisen tot problemen zullen leiden.

Op dit moment is er geen afdoende geteste technologie voor ondergrondse opslag van CO2 beschikbaar. De overheid kan een kolencentrale daartoe dan ook niet verplichten. Wel kan worden bezien of het mogelijk is om de te bouwen centrale zo veel mogelijk voor te bereiden op ondergrondse opslag. Zo is voor deze vorm van opslag veel ruimte nodig en daarmee kan al bij de planning van de bouw rekening worden gehouden. Men zal daartoe overigens wel moeten besluiten, omdat na 2012 een zeer forse reductie van de CO2-uitstoot nodig is, zie de scenario’s van het ECN. Het is echter niet mogelijk om via de CO2-emissiehandel dusdanige eisen te stellen dat de bouw van een kolencentrale op de tweede Maasvlakte geen doorgang kan vinden. Verder zullen de pilots met CO2-opslag krachtig moeten worden gesteund.

De duurzaamheid van biobrandstoffen zal worden gegarandeerd door in de desbetreffende AMvB duurzaamheidscriteria op te nemen. Deze criteria worden op dit moment door een commissie onder leiding van mevrouw Kramer ontwikkeld.

In de brief die de Kamer deze zomer van de ministers van VROM en EZ zal ontvangen over energiebesparing in de bebouwde omgeving, wordt ook ingegaan op mogelijkheden voor differentiatie van de overdrachtsbelasting. In deze brief zal ook worden ingegaan op de overige door de commissies op dit punt gedane suggesties.

Het CDM is een essentieel instrument om de energiehuishouding van zich snel ontwikkelende landen op peil te brengen. Meer dan de helft van de Nederlandse CDM-projecten bevindt zich in Azië. Verder zijn er veel projecten in Midden- en Zuid-Amerika. Dat geldt ook voor de projecten voor emissiereductie. De grote aandacht voor China en India is niet alleen belangrijk omdat dit zich economisch snel ontwikkelende landen zijn, maar ook omdat zij op deze manier ervan kunnen worden overtuigd dat zij zich moeten aansluiten bij die landen die een voortzetting wensen van het Kyotoprotocol na 2012. Het CDM is immers een onderdeel van het Kyotoprotocol.

Het rapport van het MNP over een geïntegreerd klimaat- en luchtbeleid is opgesteld in opdracht van de regering. De uitkomst dat geïntegreerd beleid grote synergievoordelen heeft, niet alleen uit een volksgezondheidsoogpunt maar ook uit een financieel oogpunt, wordt gedeeld door de regering. Bovendien kan het argument van de verbetering van de luchtkwaliteit ook worden gebruikt om landen te overtuigen hun CO2-emissies te verlagen, ook als zij veel minder CO2 per hoofd van de bevolking uitstoten dan bewoners van de rijke landen.

Nederland heeft het Verdrag en het Kyotoprotocol alleen geratificeerd voor het deel van het Koninkrijk dat in Nederland ligt. Het is de bedoeling dat het Verdrag en het protocol mede gelding krijgen voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Deze landen bereiden op dit moment wetgeving voor om aan de verplichtingen van het VN-klimaatbeleid te voldoen. De Kamer zal hierover nader schriftelijk worden geïnformeerd.

De voorzitter stelt, gehoord de commissies, voor om volgende week een vertrouwelijk overleg te houden met de vaste commissie voor VROM en EZ. Na dit overleg kan dan een beslissing worden genomen over de verdere procedure en over de vraag of de Kamer kan instemmen met een rijksprojectenprocedure voor windenergie in de Noordoostpolder.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Buijs

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

De Haan

De griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Van der Leeden


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Hofstra (VVD), Buijs (CDA), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), Van Gent (GroenLinks), Snijder-Hazelhoff (VVD), Depla (PvdA), Van Oerle-van der Horst (CDA), Van As (LPF), Van Bochove (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Koopmans (CDA), Gerkens (SP), Spies (CDA), Van Lith (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Fierens (PvdA), ondervoorzitter, Timmer (PvdA), De Krom (VVD), Verdaas (PvdA), Kruijsen (PvdA), Samsom (PvdA), Hermans (LPF), Veenendaal (VVD), Lenards (VVD) en Krähe (PvdA).

Plv. leden: Dezentjé Hamming (VVD), Mastwijk (CDA), Ormel (CDA), Halsema (GroenLinks), Örgü (VVD), Dubbelboer (PvdA), Hessels (CDA), Van den Brink (LPF), Knops (CDA), Vendrik (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Vietsch (CDA), Vergeer (SP), Sterk (CDA), Haverkamp (CDA), Koşer Kaya (D66), Boelhouwer (PvdA), Verbeet (PvdA), Balemans (VVD), Waalkens (PvdA), Van Heteren (PvdA), Roefs (PvdA), Varela (LPF), Oplaat (VVD), Van der Sande (VVD) en Crone (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Crone (PvdA), Bakker (D66), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), ondervoorzitter, Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Ten Hoopen (CDA), Weekers (VVD), Slob (ChristenUnie), Van As (LPF), Van den Brink (LPF), Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), Van Velzen (SP), Algra (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), De Krom (VVD), Heemskerk (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Jonker (CDA), Jungbluth (GroenLinks) en Irrgang (SP).

Plv. leden: Tichelaar (PvdA), Dittrich (D66), Örgü (VVD), Van Hijum (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Koenders (PvdA), Duyvendak (GroenLinks), Joldersma (CDA), Van Egerschot (VVD), Van der Vlies (SGP), Varela (LPF), Hermans (LPF), Verburg (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Atsma (CDA), Blok (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Van Heteren (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Tjon-A-Ten (PvdA), Waalkens (PvdA), Szabó (VVD), Van Dijk (CDA), Van Gent (GroenLinks) en Gerkens (SP).