nr. 11
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING
EN MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 juli 2004
Zoals aan u toegezegd in mijn brief van 18 mei 2004 (TK 2003–2004,
29 200 XI, nr. 113) doe ik u mede namens de Minister van Economische
Zaken en de Minister van Financiën, toekomen de beleidsevaluatie Klimaatbeleid
in de gebouwde omgeving. In de Evaluatienota Klimaatbeleid (TK 2001–2002,
28 240, nr. 2) is aangekondigd dat jaarlijks voor één bepaalde
sector het reductie-effect van het totale pakket aan beleidsinstrumenten zal
worden geanalyseerd. Ecofys heeft, in opdracht van het ministerie van VROM,
het beleid in de gebouwde omgeving voor de periode 1995–2002 doorgelicht.
De resultaten van deze doorlichting zijn terug te vinden in het onderhavige
rapport, «Evaluatie van het klimaatbeleid in de gebouwde omgeving 1995–2002»1.
Opzet onderzoek
Het onderzoek naar de uitvoering van het klimaatbeleid in de glastuinbouw
(TK 2002–2003, 28 780 nrs. 1–2) heeft laten zien dat het
niet eenvoudig is een kwantitatief beeld te vormen van het reductie-effect
van individuele maatregelen binnen een ingezette instrumentenmix. Voor de
doorlichting van de gebouwde omgeving is gekozen voor de programmatheorie
benadering. In de programmatheorie worden alle expliciete en impliciete veronderstellingen
over de werking van een instrument beschreven in de vorm van oorzaak-gevolg
relaties. Vervolgens is de programmatheorie geoperationaliseerd waarbij de
veronderstelde relaties zijn omgezet naar concrete (zowel kwalitatieve als
kwantitatieve) indicatoren.
Met deze methode is het tevens mogelijk om aan te geven welke andere (niet-CO2-reductie) doelstellingen aan het onderzochte instrument verbonden
zijn. Sommige instrumenten leveren immers niet alleen een bijdrage aan de
realisatie van de klimaatdoelstellingen, maar ook aan milieudoelstellingen
in bredere zin.
In de gebouwde omgeving is een mix van instrumenten ingezet welke ingrijpen
op de segmenten woningbouw, utiliteitsbouw en apparaten. Het betreft o.a.
wet- en regelgeving, fiscale instrumenten, stimuleringsregelingen, kennisoverdracht
en convenanten. Ook met behulp van de programmatheorie is het lastig gebleken
inzicht te krijgen in de wisselwerking tussen instrumenten binnen de ingezette
instrumentenmix. De reductie-effecten worden veroorzaakt door de gezamenlijke
inzet van een aantal instrumenten. Het is voor het bepalen van o.a. de kosteneffectiviteit
noodzakelijk om de effecten aan specifieke instrumenten toe te kennen. Toerekening
is echter niet altijd goed mogelijk.
De sector gebouwde omgeving bestaat uit huishoudens (woningbouw) en diensten/handel/overheid
(utiliteitsbouw). De directe emissies komen voor deze sector voort uit ruimteverwarming
en productie van warm tapwater. De overige, indirecte emissies, hangen samen
met elektriciteitsverbruik. In de Ecofys-studie zijn beide typen emissies
betrokken. Ik wijs u erop dat in het kader van de streefwaardensystematiek
voor de CO2-emissies alleen de directe emissies worden toegerekend
aan de gebouwde omgeving. De indirecte emissies worden echter toegerekend
aan de sector Industrie en Energie omdat ze daar ook feitelijk plaatsvinden.
Alhoewel in het rapport inzicht is gegeven in het naijleffect van de ingezette
instrumenten in 2010, betreft het een ex-post evaluatie en zijn er dus géén
ex-ante uitspraken gedaan.
Ecofys constateert in het kader van de doelbereiking dat er in het segment
woningbouw sprake is van een reductie van de directe CO2-emissies.
Voor de indirecte emissies is er sprake van een stabilisatie van de CO2-uitstoot. Per saldo heeft dit geleid tot een reductie van in totaal
2,4 Mton CO2 per jaar in 2002, overigens met een ruime onzekerheidsmarge.
Deze reductie kan worden vergeleken met de totale CO2-emissie die
voor rekening komt van het segment woningbouw, te weten 33 Mton in 2001. Verhoudingsgewijs
blijft de reductie bij de bestaande woningbouw achter bij de reducties die
worden gehaald bij nieuwbouw en utiliteitsbouw.
Ook binnen het segment utiliteitsbouw is er sprake van een reductie van
de directe CO2-emissies. Voor wat betreft de indirecte emissies
is hier echter sprake van een toename. In totaal heeft dit geleid tot een
reductie van in totaal 1,6 Mton CO2 per jaar in 2002 (ook hier
met een ruime onzekerheidsmarge). De emissie in de utiliteitsbouw bedroeg
26 Mton in 2002.
In het kader van de doeltreffendheid van de ingezette instrumenten wordt
door Ecofys geconstateerd dat fiscale regelingen het meest effectief zijn,
net als regelgeving bij nieuwbouw. Stimuleringsregelingen zijn doeltreffend
gebleken bij de markttransformatie van isolatiemaatregelen en energiezuinige
installaties en apparaten.
Ecofys maakt in het rapport onderscheid tussen de kosteneffectiviteit
voor de maatschappij, eindgebruikers en overheid. De maatschappelijke kosteneffectiviteiten
van de instrumenten liggen niet ver uit elkaar. Wel blijken instrumenten voor
de utiliteitsbouw kosteneffectiever dan in de woningbouw.
Voor de eindgebruiker staan tegenover de investeringskosten lagere energielasten
en subsidies. In de woningbouw leidt dat voor de eindverbruiker per saldo
tot een positief resultaat. In de utiliteitsbouw zijn kosten en opbrengsten
nagenoeg in evenwicht.
De overheidskosten nemen over het algemeen vooral toe bij stimuleringsregelingen
gericht op consumenten.
Vervolg
Ter voorbereiding van de 2e Evaluatienota Klimaatbeleid (ijkmoment 2005)
wordt een nieuwe referentieraming voor de emissie-ontwikkeling van broeikasgassen
gemaakt. Ik verwacht dat deze raming eind 2004 gereed zal zijn. Eén
kwartaal later zal een Optiedocument worden gepubliceerd waarin mogelijkheden
voor verdergaande reducties worden verkend. Op grond van de nieuwe raming
zal ook voor de sector gebouwde omgeving worden geanalyseerd of bijstelling
van het klimaatbeleid binnen deze sector noodzakelijk is. Ik verwacht de 2e
Evaluatienota Klimaatbeleid in het 3e kwartaal van 2005 te kunnen publiceren.
In mijn brief van 18 mei 2004 (TK 2003–2004, 29 200 XI,
nr. 113) aan uw Kamer heb ik toegezegd om vóór de behandeling
van de VROM-begroting 2005 in een brief mijn voornemens te schetsen ten aanzien
van de toekomst van het klimaatbeleid voor de gebouwde omgeving. In zal hierin
aangeven welke consequenties ik verbind aan de uitkomsten van de analyse van
Ecofys en tevens een schets geven van wat de belangrijkste elementen moeten
zijn in het klimaatbeid voor de gebouwde omgeving. De vraag of het beleid
in deze sector geintensiveerd dient te worden zal pas kunnen worden beoordeeld
in het kader van de eerder genoemde Evaluatienota Klimaatbeleid.
In 2004 is gestart met de doorlichting van de sector verkeer & vervoer.
Bij het opstellen van het Plan van Aanpak wordt gebruik gemaakt de ervaringen
met de doorlichting van de sector gebouwde omgeving.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer
P. L. B. A. van Geel