Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200228217 nr. 6

28 217
Regels over de documentatie van vennootschappen (Wet documentatie vennootschappen)

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 21 augustus 2002

Algemeen

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Justitie, waaruit blijkt dat de fracties van de partijen zich kunnen vinden in het wetsvoorstel. De leden van de verschillende fracties hebben een aantal vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Hierop zal ik gaarne ingaan.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de gevolgen van het zijn van vaste gebruiker; met name of dat inhoudt dat men rechtstreeks toegang heeft tot de gegevens. Dat is niet het geval. Gegevens uit het systeem Vennoot worden tot op heden slechts door menselijke tussenkomst op verzoek aan een vaste gebruiker verstrekt, op voorwaarde dat het gegevens betreft die de vaste gebruiker nodig heeft ten behoeve van de uitoefening van zijn taak en dat de verstrekking van de gevraagde gegevens is toegestaan. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wie als vaste gebruiker worden aangewezen alsmede voor welk doel zij gegevens verkrijgen.

Het aangewezen zijn als vaste gebruiker heeft als consequentie dat per individuele vaste gebruiker geen vastlegging hoeft plaats te vinden van het soort verzochte gegevens – dat is immers al bekend – noch van het aantal malen dat een verzoek daartoe is gedaan. Het totaal aantal verzoeken van de gezamenlijke vaste gebruikers dat jaarlijks wordt gedaan wordt wel bijgehouden.

Om de status van vaste gebruiker te kunnen verkrijgen is met name van belang met welke taken de desbetreffende instantie of persoon is belast. Het takenpakket zal aanleiding vormen om Vennoot met regelmaat te bevragen. De combinatie van deze twee factoren, het takenpakket en de daaruit voortvloeiende frequentie van de verzoeken, zal er vervolgens toe kunnen leiden dat de status van vaste gebruiker wordt toegekend. Dit gebeurt op verzoek van de desbetreffende instantie die voor die status in aanmerking wenst te komen. Het verzoek dient gemotiveerd te zijn.

Het aantal malen dat een vaste gebruiker Vennoot op jaarbasis bevraagt verschilt onderling. Gemiddeld kan in zijn totaliteit op dit moment uitgegaan worden van vijftienhonderd bevragingen per jaar. De verwachting is dat deze aantallen zullen stijgen bij inwerkingtreding van de wet.

De PvdA-fractie vraagt ook naar inhoudelijke criteria voor de kwalificatie van vaste gebruiker. Gaarne zouden de leden van deze fractie die door middel van voorbeelden nader geconcretiseerd willen zien. De personen en instanties die als vaste gebruiker van Vennoot zijn aangewezen staan vermeld in het Privacyreglement Vennoot 1998 (Stcrt. 1998, 204 en 2000, 108) en worden genoemd op blz. 12 en 13 van de memorie van toelichting.

Ik geef u enige voorbeelden: de Belastingdienst, de Economische Controledienst, de Fiscale Inlichtingen- en Opsproringsdienst, de Kamers van Koophandel, het Openbaar Ministerie en de Stichting Toezicht Effectenverkeer thans: Autoriteit Financiële Markten. Volledigheidshalve meld ik dat een nieuw reglement in voorbereiding is en te zijner tijd in de Staatscourant zal worden gepubliceerd.

Verder wensen de voormelde leden te vernemen of de bevragingen van de registratie door de vaste gebruikers worden geëvalueerd, hetgeen er eventueel toe zou kunnen leiden dat hun status wordt gewijzigd in die van incidentele gebruiker. Indien zou blijken dat een instantie of persoon niet meer voldoet aan de criteria die gelden voor de status van vaste gebruiker, is er aanleiding om deze status te laten vervallen. De status van vaste gebruiker kan bijvoorbeeld worden beëindigd tengevolge van een wijziging van het takenpakket van de desbetreffende instantie, waardoor zij niet meer voldoet aan de criteria van een vaste gebruiker.

Voorts merken de leden van de PvdA-fractie op dat het antwoord op vraag 7 van het advies van de Raad van State in het nader rapport is weggevallen. In casu is het nummer bij het antwoord op vraag 7 helaas weggevallen. Het antwoord volgt op de beantwoording van vraag 6, onder f, die uit één alinea bestaat.

De leden van de CDA-fractie onderstrepen het belang dat zij hechten aan een goede afweging van belangen tussen het tegengaan van misbruik van vennootschappen en de bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkenen. Zij wensen duidelijke normen daarvoor. Ik ben het geheel met deze leden eens.

Het wetsvoorstel beoogt een dergelijke normering te geven. Deze zal vervolgens nader geconcretiseerd worden in een algemene maatregel van bestuur. Verder wil ik in dit verband wijzen op de evaluatie van de wet die zal worden uitgevoerd. Ook daarbij gaat het erom vast te stellen dat er sprake is van een zorgvuldige afweging van de verschillende betrokken belangen.

De leden van de CDA-fractie vragen verder wat de verhouding is tussen het onderhavige wetsvoorstel en de Wet preventief toezicht vennootschappen (Stb. 2000, 283). Zij hebben de indruk dat het onderhavige wetsvoorstel een uitbreiding van de taken van de minister van Justitie inhoudt, terwijl de voormelde wet juist een beperking van deze taken bevat. Van mogelijke tegenstrijdige ontwikkelingen is hier geen sprake. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt niet een uitbreiding van taken. Het gaat er in het wetsvoorstel om te bepalen wat kan worden beschouwd als verenigbaar gebruik van de gegevens die in de uitoefening van de taken inzake het preventief toezicht op vennootschappen zijn vergaard. Het is dus niet zo dat er op grond van het wetsvoorstel meer gegevens vergaard zullen worden dan voor het preventief toezicht noodzakelijk is.

In het wetsvoorstel wordt geregeld op welke wijze de vergaarde gegevens ook voor het tegengaan van misbruik van vennootschappen kunnen worden gebruikt. Het daadwerkelijk optreden, mede op basis van de vergaarde gegevens, ter voorkoming en bestrijding van het misbruik als bovenbedoeld zal vervolgens uitgevoerd worden door de instanties die daarmee specifiek belast zijn.

In de wetswijziging betreffende het preventief toezicht wordt het ministeriële preventief toezicht beperkt tot het onderzoek naar de financiële en criminele antecedenten van de bij de oprichting van een vennootschap betrokken personen (het antecedentenonderzoek). Voor de conceptakte voor de oprichting van een vennootschap (het statutenonderzoek) is het notariaat verantwoordelijk. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat het om de juiste inrichting van statuten gaat in strikt technisch-juridische zin. De uitvoering van deze taak past beter bij het notariaat. Voorts is het statutenonderzoek in het algemeen niet goed bruikbaar bij de voorkoming en bestrijding van misbruik door vennootschappen. Het is daarom effectiever om de aandacht te concentreren op de toets op financiële en criminele antecedenten.

De leden van de CDA-fractie vernemen graag nader wat de verhouding is tussen het onderhavige wetsvoorstel en de wet Melding Ongebruikelijke Transacties (wet MOT), het wetsvoorstel justitiële gegevens en het wetsvoorstel Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (wetsvoorstel BIBOB).

Ik wil benadrukken dat het hier gaat om een aantal wettelijke instrumenten die complementair zijn aan elkaar en alle tot doel hebben de integriteit van het economisch bestel te bevorderen. De wet MOT heeft tot doel misdrijven, waaronder met name het witwassen en de heling van geld, te voorkomen en op te sporen. Hiertoe worden meldingen van ongebruikelijke transacties geregistreerd bij het Meldpunt ongebruikelijke transacties en vervolgens onderzocht. Aangezien dergelijke transacties door vennootschappen kunnen worden uitgevoerd is het meldpunt ten behoeve van het uit te voeren onderzoek aangewezen als vaste gebruiker van het systeem Vennoot. Anderzijds kan genoemd Meldpunt over informatie komen te beschikken die relevant is voor de beoordeling van de vraag of een verklaring van geen bezwaar voor de oprichting van een vennootschap of statutenwijziging kan worden afgegeven. Op deze wijze wordt de integriteit van het economisch verkeer bevorderd.

De verhouding tot het wetsvoorstel justitiële gegevens wordt gekenschetst door de volgende elementen. De vergaring van gegevens door Vennoot betreft de verbanden die tussen natuurlijke personen en rechtspersonen bestaan. De justitiële documentatie is primair aangelegd met het oog op een doeltreffende rechtspleging. In deze registratie worden justitiële gegevens betreffende individuele personen en rechtspersonen opgenomen. Daarbij gaat het met name om het registreren van de afdoeningen van de officier van justitie en van de rechter in het kader van een procedure.

Het wetsvoorstel richt zich voorts met name op de periode rond de oprichting van een vennootschap. Het wetsvoorstel justitiële gegevens kent door middel van een verklaring omtrent het gedrag van een rechtspersoon een instrument om de strafrechtelijke integriteit van een vennootschap na oprichting te toetsen. Deze toetsingen op verschillende momenten vullen elkaar aan en bieden de mogelijkheid om de vennootschap te volgen. In het kader van de beoordeling van de vraag of een verklaring omtrent het gedrag moet worden afgegeven wordt de strafrechtelijke integriteit beoordeeld op basis van de gegevens uit de justitiële documentatie en die uit de politieregisters. In bepaalde gevallen is het wenselijk dat het openbaar bestuur een uitgebreider onderzoek doet naar de integriteit van degenen met wie zij een zakelijke relatie wil aangaan. Voor deze gevallen biedt het wetsvoorstel bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wetsvoorstel BIBOB, Kamerstukken I, 2001/02, 26 883, nr. 73) uitkomst. Anders dan op basis van het huidige wetsvoorstel wordt op basis van het wetsvoorstel BIBOB een advies opgesteld op grond waarvan het bestuursorgaan kan beslissen al dan niet bijvoorbeeld een vergunning te verstrekken. Op grond van het onderhavige wetsvoorstel kunnen uitsluitend gegevens aan nader aan te duiden personen of instanties worden verstrekt met het oog op het voorkomen en bestrijden van misbruik van vennootschappen. Het gaat dan om de gegevens uit het systeem Vennoot. De verzoekende persoon of instantie ontvangt daarbij geen advies. Deze zal uit de ontvangen gegevens zelf conclusies moeten trekken.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen wat de overwegingen zijn om het registratiesysteem voor vennootschappen te vervangen. Ik wil in dit verband een mogelijk misverstand ophelderen. Het betreft immers niet de vervanging van een registratiesysteem, maar het gaat om het formeel regelen van het gebruik van gegevens die in het bestaande systeem zijn opgenomen en eventuele twijfels omtrent dat gebruik van gegevens bij de bestrijding van fraude weg te nemen. De gebruikmaking van het geautomatiseerde systeem dient gepaard te gaan met een adequate bescherming van de daarin opgenomen persoonsgegevens. Thans is de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing. Deze is echter algemeen van aard. Om die reden heb ik gemeend er goed aan te doen deze wet op onderdelen te preciseren in een specifiek wettelijk kader in de vorm van dit wetsvoorstel.

Ten vervolge op hun vraag wensen genoemde leden te vernemen welke gegevens precies onder de reikwijdte van het wetsvoorstel vallen en wie daartoe toegang hebben. Dat is uitgewerkt in de artikelen 6 en 9 van het hiervoor genoemde Privacyreglement Vennoot 1998, dat thans op onderdelen herzien wordt. Het betreft de persoonsgegevens van de onder artikel 4, eerste lid, van het wetsvoorstel genoemde natuurlijke personen, de gegevens van de vennootschap en andere rechtspersonen waarbij zij betrokken zijn, hun functie of bevoegdheid met betrekking tot de vennootschap, gegevens over eventuele surséances van betaling of faillissementen, het sociaal-fiscaal nummer, de melding van een publiekrechtelijk orgaan inzake een verzoek tot consultatie of een opsporingsverzoek, de melding van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties inzake een lopend onderzoek en het aantal en soort aandelen op naam van de betrokkene. Deze gegevens kunnen aan derden – vaste gebruikers en incidentele gebruikers – worden verstrekt voorzover dat past binnen het doel van het wetsvoorstel en de taken van de desbetreffende derde.

Artikelen

Artikel 2

De leden van de PvdA-fractie menen dat het doel van de registratie is uitgebreid van preventief toezicht naar tevens repressief toezicht. Ik deel deze mening niet. Artikel 2, eerste lid, bepaalt dat gegevens uitsluitend mogen worden verwerkt – dit omvat mede de opslag – voor het preventief toezicht. De bepaling sluit uit dat voor het repressief toezicht gegevens worden opgeslagen. Het tweede lid van het artikel laat toe dat de opgeslagen gegevens mede mogen worden gebruikt voor repressieve doeleiden. Zij zijn geen zelfstandige grond voor de opslag van gegevens. In dit verband wijs ik er verder op dat in het repressief toezicht in de zin van de mogelijkheid tot ontbinding van een vennootschap door de rechter thans reeds in de wet is voorzien.

Er is derhalve geen sprake van introductie van een nieuwe maatregel.

Hierop vragen de leden in kwestie tevens waarom het preventief toezicht niet kan worden uitgebreid tot andere rechtspersonen dan vennootschappen. De leden van de VVD-fractie brengen dit punt eveneens naar voren. Ik wil hierbij onderstrepen dat een eventuele uitbreiding van het preventieve toezicht van de minister van Justitie tot andere rechtspersonen dan vennootschappen buiten het bestek van dit wetsvoorstel valt.

In antwoord op de vraag van de VVD-fractie of er onderzoeken zijn gedaan naar de eventuele omvang van fraude met andere rechtspersonen dan vennootschappen, kan ik in bevestigende zin reageren. Een aantal van deze onderzoeken wordt ook genoemd in de memorie van toelichting. De uitkomsten van de onderzoeken zijn zodanig dat niet geconstateerd kon worden dat er fraude van enige relevante omvang gepleegd wordt door deze categorieën rechtpersonen, die door een preventief toezicht moet worden bestreden. Overigens merk ik op dat, voorzover andere rechtspersonen, waaronder stichtingen, in verbinding staan met vennootschappen, zij wel worden opgenomen in de registratie. Een voorbeeld hiervan is een stichting die een besloten vennootschap opricht. Ook dan wordt het gebruikelijke onderzoek ten behoeve van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar uitgevoerd.

De leden van de VVD-fractie wensen een nader omschrijving van het begrip «fraude» in dit kader. Zij vragen zich met name af of onder dat begrip iedere vorm van «misbruik van vennootschappen» dient te worden begrepen.

De beide begrippen dekken elkaar in zoverre dat een geconstateerde fraude door of door middel van vennootschappen doorgaans tevens misbruik van vennootschappen zal behelzen. Andersom zal misbruik van een vennootschap niet altijd als fraude gekwalificeerd kunnen worden. Fraude is een algemene term die duidt op strafbare gedragingen als oplichting, verduistering, valsheid in geschrifte, bedrog e.d.

Artikel 3

Naar aanleiding van de opmerking van de NVvR over het feit dat de gegevens in het handelsregister niet altijd juist en geactualiseerd zijn, vragen de leden van de fractie van de PvdA of het niet de bedoeling is dat men kan uitgaan van de juistheid van de gegevens in het bedoelde register. Uiteraard is het streven erop gericht dat men kan vertrouwen op de gegevens die in het handelsregister zijn opgenomen en in zijn algemeenheid is het zo dat deze juist zijn. Vanuit de Kamers van Koophandel is hierin actie ondernomen. Bij inschrijving in het handelsregister dient de betreffende natuurlijke persoon zich in persoon bij de Kamer van Koophandel te vervoegen en vindt inschrijving plaats op voorwaarde dat tevens een identiteitsbewijs wordt overgelegd. Deze maatregel bevordert de juistheid van de opgenomen gegevens.

In de memorie van toelichting gaf ik reeds aan dat het handelsregister slechts een van de bronnen voor Vennoot is. Daarmee is niet bedoeld dat na het handelsregister allerlei andere registraties geraadpleegd dienen te worden teneinde vast te stellen of de gegevens in het handelsregister wel juist zijn. Wel is bedoeld aan te geven dat de opname van gegevens in Vennoot tot stand komt op grond van gegevens afkomstig uit verschillende bronnen, hetgeen als effect heeft dat gegevens met elkaar vergeleken kunnen worden waardoor eventuele discrepanties direct in het oog springen. Blijkt van onjuistheid, dan wordt dit teruggekoppeld op het handelsregister.

Artikel 4

De leden van de PvdA-fractie wensen nader geïnformeerd te worden over het screeningsprofiel. Met name zijn zij erin geïnteresseerd te vernemen wie het profiel opstelt en er vervolgens wijzigingen in aanbrengt. Het betreft dynamische functieprofielen, die worden opgesteld door het ministerie van Justitie in samenspraak met de desbetreffende branche. Daarbij wordt voor de meest voorkomende functies in de desbetreffende branche bepaald welke veroordelingen in beginsel prohibitief zijn voor de uitvoering van de functie en welke veroordelingen bijgevolg irrelevant. Dit zijn beleidsregels in de zin van artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarvan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. Deze profielen worden openbaar gemaakt, nadat zij ter advisering aan het College Bescherming Persoonsgegevens zijn voorgelegd.

Wanneer er zo een profiel is, kan een ieder toetsen of hij voor de vervulling van een bepaalde functie naar verwachting al dan niet in aanmerking komt. Indien de betrokkene niet aan het profiel voldoet, dan kan hij bezien of hij met enige kans bijzondere omstandigheden kan aanvoeren. Ik kenschetste de profielen al als dynamisch. Zij worden als zodanig aangeduid omdat het de bedoeling is dat zij periodiek worden aangepast aan de ontwikkelingen enerzijds in relatie tot de veiligheidsbehoefte in de desbetreffende sector, anderzijds in de jurisprudentie. Afwijkingen van het profiel ten gunste van de aanvrager van de verklaring worden niet via de jurisprudentie zichtbaar. De regeling is in die zin asymmetrisch. Dit kan worden ondervangen door deze afwijkingen statistisch in kaart te brengen ten behoeve van het overleg met de desbetreffende branche. De afweging van de veiligheidsbehoefte en het resocialisatiebelang wordt daardoor transparant. Ook vragen de leden van de PvdA-fractie naar de controle van de echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel van een oprichter van een vennootschap.

Bij het invullen van het aanvraagformulier voor de oprichting van een vennootschap worden gegevens gevraagd van de partner en diens eventuele betrokkenheid bij de op te richten vennootschap, dan wel bij andere vennootschappen. Indien van enige betrokkenheid niet blijkt, worden de gegevens van de echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel niet opgenomen in het systeem Vennoot. Indien de oprichter in kwestie opnieuw een vennootschap wil oprichten, worden de gegevens van diens echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel opnieuw ingestuurd en gecontroleerd. Evenzo gebeurt dat wanneer die echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel zelf oprichter van een vennootschap wil zijn. Samengevat betekent dit dat controle ten aanzien van de echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel plaatsvindt op de daartoe geëigende momenten. Dit laat onverlet de mogelijkheid dat tussentijds gegevens worden verkregen over een echtgenoot, geregisteerde partner of levensgezel – bijvoorbeeld van een van de vaste gebruikers – die opname in het systeem Vennoot rechtvaardigen.

In dit verband zou ik graag nog willen verduidelijken dat onder levensgezel verstaan wordt een persoon met wie de oprichter een duurzame huishouding voert en als zodanig op hetzelfde adres in de gemeente staat ingeschreven.

De leden van de CDA-fractie verzoeken om een nadere toelichting op de verhouding in artikel 4 tussen het eerste lid en het vierde lid. In het eerste lid wordt gesproken over de feitelijke beleidsbepalers in een vennootschap.

Dat kunnen zowel natuurlijke als rechtspersonen zijn. De bepaling is van algemene aard.

Het vierde lid geeft een specifieke bepaling voor een bepaalde categorie natuurlijke personen, namelijk de echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel van een oprichter. Over hen kunnen gegevens opgenomen worden, los van hun eventuele feitelijke betrokkenheid bij de op te richten vennootschap, indien hun relatie met een andere reeds in het systeem voorkomende persoon zulks rechtvaardigt. Ik geef hiervan een voorbeeld.

In de situaties waarin sprake is van een duurzaam samenlevingsverband tussen personen, is uit de praktijk gebleken dat de echtgenoot, geregistreerd partner of levensgezel van de oprichter vaak beschikt over bezwarende antecedenten. Om die reden fungeert de andere echtgenoot, geregistreerd partner of levensgezel vaak als stroman bij de oprichting van de vennootschap.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of het niet wenselijk is in het wetsvoorstel zelf een uitputtende omschrijving te geven van de personen van wie gegevens in het systeem kunnen worden opgenomen.

Er is voor gekozen om in de wet de categorieën personen op te nemen over wie gegevens in het systeem worden opgenomen. Welke gegevens over hen worden opgenomen wordt uitgewerkt in een algemene maatregel. Dit is een instrument om flexibel in te spelen op zich voordoende ontwikkelingen in de praktijk.

De leden van de fractie van de ChristenUnie verwijzen naar de opmerking van de Raad van State dat artikel 4, tweede lid, in het licht van artikel 8 EVRM te ruim en te vaag is. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State heb ik de desbetreffende bepaling aangescherpt door uitdrukkelijk in het eerste lid onder a op te nemen: de oprichters, de aandeelhouders, de bestuurders, de commissarissen en de vertegenwoordigers van een vennootschap. Voorts hecht ik eraan te vermelden dat de op te nemen gegevens direct gerelateerd zijn aan het doeleinde van het wetsvoorstel, zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid, en worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur.

Anders dan in het voorstel dat ter advisering aan de Raad van State is aangeboden, is thans vastgelegd dat alleen gegevens kunnen worden opgeslagen met het oog op de toezichthoudende taak op grond van het Burgerlijk Wetboek. Deze gegevens kunnen binnen de grenzen van het wetsvoorstel en de daarop steunende algemene maatregel van bestuur mede worden gebruikt voor de bestrijding van misbruik van vennootschappen. Dit laatste is echter geen zelfstandige grond voor de opslag van gegevens. Op deze wijze wordt mijns inziens een voldoende toereikende afgrenzing gegeven van de categorieën gegevens die in Vennoot kunnen worden opgenomen.

Artikel 5

De leden van de PvdA-fractie wensen te vernemen welke conclusies eraan verbonden worden wanneer gegevens worden verzocht over natuurlijke personen die niet rechtstreeks zijn verbonden aan een vennootschap en de verstrekking van de gevraagde gegevens wordt geweigerd. Ik wil er uitdrukkelijk op wijzen dat de taak van de minister van Justitie in zulke gevallen beperkt is tot de pure verstrekking van de voorhanden zijnde relevante gegevens. Een beoordeling van de gegevens en het eventueel verbinden van consequenties daaraan behoort tot de taak en de bevoegdheid van de persoon of instantie die om de gegevens heeft verzocht.

Verder merken deze leden op dat de – geanonimiseerde – verstrekking van gegevens uit het systeem voor wetenschappelijk dan wel statistisch onderzoek niet expliciet geregeld is. Zoals in de memorie van toelichting vermeld is de Wet bescherming persoonsgegevens op de onderhavige materie van toepassing is, voorzover in dit wetsvoorstel geen specifieke andere bepaling is opgenomen.

Ten aanzien van de verstrekking van gegevens voor wetenschappelijk dan wel statistisch onderzoek is er geen aanleiding om af te wijken van hetgeen bepaald is in de Wet bescherming persoonsgegevens. Een specifieke verwijzing naar artikel 9, derde lid, van de genoemde wet is dan ook niet nodig.

De leden van de CDA-fractie gaan ervan uit dat de instanties die thans de status hebben van vaste gebruiker deze onder het nieuwe wetsvoorstel blijven behouden. Dat is inderdaad het geval. De toelating van nieuwe gebruikers tot de kring van vaste gebruikers geschiedt ook onder toepassing van dezelfde criteria die thans gelden, te weten dat de informatie benodigd is voor de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak en het systeem voldoende frequent wordt bevraagd.

In het verlengde hiervan wordt de vraag gesteld waarom de notarissen als beroepsgroep niet de status van vaste gebruiker kunnen verkrijgen. In antwoord hierop breng ik onder uw aandacht dat het takenpakket van notarissen velerlei activiteiten omvat die niet alle publiekrechtelijk van aard zijn en voorts ook een commercieel karakter dragen. De verlening van de status van vaste gebruiker is dan ook niet nodig om de beroepsgroep in staat te stellen haar taken naar behoren te vervullen. Wel kan onder omstandigheden een verzoek om informatie uit het systeem in een specifiek geval gerechtvaardigd zijn. Dan dient ook de mogelijkheid te bestaan om het verzoek in te dienen en in te willigen. Hiertoe is het voldoende om deze beroepsgroep op incidentele basis gegevens te verschaffen uit het systeem.

De leden van de GroenLinks-fractie komt het wenselijk voor om ten aanzien van de verstrekking van gegevens aan instanties of personen die belast zijn met de uitvoering van een publiekrechtelijke taak tevens een nadere eis te stellen in de vorm van een te omschrijven kwaliteit van de desbetreffende instanties of personen. Ik maak hieruit op dat deze leden een duidelijk verband gelegd wensen te zien tussen deze instanties en personen en de registratie. Een dergelijk verband wordt voldoende vastgesteld door de omschrijving van het doel van het wetvoorstel in artikel 2, eerste lid. Er behoeft daarom geen vrees te zijn dat gegevens over vennootschappen verstrekt zullen worden aan instanties die er geen enkel belang bij hebben. Voorts is de lijst van vaste gebruikers openbaar.

Artikel 7

De leden van de PvdA-fractie en van de CDA-fractie vragen naar aanleiding van dit artikel hoe de situatie is ten aanzien van vennootschappen die reeds zijn opgericht en ten aanzien waarvan pas later misbruik wordt geconstateerd op grond van gegevens uit zogeheten gesloten bronnen. Ik wil hier graag verduidelijken wat het verbod op doorverstrekking uit gesloten bronnen betekent. Het betreft bronnen ten aanzien waarvan in specifieke wetgeving is bepaald welke instanties en personen gegevens uit die bronnen kunnen krijgen.

Voorbeelden van een gesloten verstrekkingenregime zijn de verstrekking van politiegegevens op basis van de Wet politieregisters en van justitiële gegevens op basis van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag. Verdere verstrekking van gegevens uit die bronnen door de ontvanger is niet toegestaan op grond van de in de oorspronkelijke wetgeving neergelegde geheimhoudingsplicht.

De minister van Justitie behoort tot degenen die gerechtigd zijn om deze gesloten bronnen ter uitvoering van dit wetsvoorstel te raadplegen. Zo is in artikel 2, onder w, van het Besluit inlichtingen justitiële documentatie en in artikel 4, onder 1, van het Besluit politieregisters geregeld dat met het oog op de afgifte van de verklaring van geen bezwaar justitiële respectievelijk politiële gegevens kunnen worden verkregen door de minister van Justitie.

Het verstrekkingenregime is voor elke gesloten bron afzonderlijk geregeld. Of een instantie of persoon gerechtigd is om gegevens te verkrijgen uit een bepaalde gesloten bron, zal moeten worden bepaald aan de hand van de wetgeving die op die bron van toepassing is.

Bij geconstateerd misbruik van een vennootschap, kunnen de gesloten bronnen niet via Vennoot geraadpleegd worden, maar wel rechtstreeks door de instanties en personen die daartoe gerechtigd zijn, zoals het Openbaar Ministerie dat zonodig kan besluiten tot een strafrechtelijk onderzoek.

Misbruik van een vennootschap kan voor het Openbaar Ministerie ook aanleiding vormen voor een civielrechtelijke actie bestaande uit de vordering tot ontbinding van de desbetreffende vennootschap.

Artikel 8

De leden van de PvdA-fractie vragen wanneer er sprake is van «een passend niveau van bescherming van persoonsgegevens voor verstrekking van gegevens uit de registratie aan instanties« in het buitenland, lidstaten daargelaten.

Bij brief van 9 maart 2000 heb ik u een nota doen toekomen waarin ik u nader informeer over de toepassing van de artikelen 25 en 26 van richtlijn 95/46/EG (Kamerstukken II 1999/2000, 27 043, nr. 1). Deze bepalingen zijn omgezet in de artikelen 76 tot en met 78 van de Wet bescherming persoonsgegevens en zien op de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen, dat wil zeggen niet EU-lidstaten. De uitgangspunten uit die nota zijn ook van toepassing op de doorgifte van persoonsgegevens uit het systeem Vennoot aan derde landen. In aanvulling op hetgeen ik in die nota uiteenzet, kan ik u het volgende melden.

De dialoog met de VS die in 4.3. van de nota wordt beschreven heeft geleid tot Commissie beschikking 2000/520/EG betreffende de gepastheid van bescherming geboden door de Veiligehavenbeginselen voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (PbEG 2000, L 215 en PbEG 2001, L 115). Daarnaast heeft de Commissie in beschikkingen 2000/518/EG en 2000/519/EG vastgesteld dat Zwitserland en Hongarije over een passend niveau van bescherming beschikken (PbEG 2000, L215). In beschikking 2002/2/EG heeft de Commissie bepaald dat de Canadese Personal Information Protection and Electronic Documents Act eveneens een passend niveau van bescherming biedt (PbEG 2002, L 2).

Daarnaast is het van belang te wijzen op de uitzondering vervat in artikel 77, eerste lid, onder d, van de Wet bescherming persoonsgegevens, een bepaling die een omzetting vormt van artikel 26, eerste lid, onder d, van richtlijn 95/46/EG. Deze bepaling laat de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen die geen waarborgen bieden voor een passend beschermingsniveau toch toe indien de doorgifte noodzakelijk is vanwege een zwaarwegend algemeen belang.

Artikel 9

De leden van de PvdA-fractie verzoeken om een nadere motivering van de bewaartermijn van acht jaren die in dit artikel gehanteerd wordt. Deze termijn is gekozen is op basis van in de praktijk opgedane ervaring en beoogt een evenwicht te scheppen tussen misbruikbestrijding en bescherming van de burger in zijn privéleven.

De termijn is reeds opgenomen in de Richtlijnen 1986 voor het beoordelen van oprichtingen en van statutenwijzigingen van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Stcrt. 1985, nr. 227 en Stcrt. 1998, nr. 195). Uiteraard is differentiatie mogelijk en nodig. Deze is tot uiting gebracht in dit artikel. Hiermee is ook het voorstel van de NOVA met betrekking tot verschillende «houdbaarheidsdata» geconcretiseerd. Een verdere differentiëring dan wel verkorting van de bewaartermijnen is niet goed mogelijk zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid van het systeem.

In dit kader vragen de leden van de CDA-fractie welke bewaartermijnen andere EU-landen stellen. In dit specifieke kader valt de vraag van deze leden niet te beantwoorden, aangezien andere EU-landen geen geautomatiseerd systeem kennen dat vergelijkbaar is met Vennoot.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat de reden is om de gronden voor afwijzing of intrekking van een aanvraag tot oprichting van een vennootschap acht jaren te bewaren. Zulks kan van belang zijn indien binnen een bepaalde termijn na de afwijzing of intrekking van de aanvraag opnieuw een aanvraag tot oprichting van een vennootschap wordt ingediend. Het kan dan zijn dat de afwijzing zijn oorzaak vindt in de persoon van een van de oprichters. In dat geval worden inderdaad ook de persoonsgegevens van de betrokkene bewaard. Zulks is ook opgenomen in het tweede lid van dit artikel dat zowel de gronden voor afwijzing of intrekking van de aanvraag omvat als de relevante persoonsgegevens. De bewaring is nodig om te kunnen voorkomen dat de betrokkene in een ander verband op een later tijdstip alsnog probeert om een vennootschap op te richten waarmee hij beoogt misbruik te plegen. In het derde lid van het artikel wordt vervolgens ter bescherming van de burger bepaald dat de persoonsgegevens, indien mogelijk, op een eerder tijdstip kunnen worden verwijderd. Er is dan ook geen sprake van tegenstrijdigheid tussen het tweede en derde lid van dit artikel.

Artikel 13

De leden van de PvdA-fractie zien graag een nadere uitwerking van de criteria waaraan de wet bij evaluatie zal worden getoetst. Zij denken met name aan het criterium «doeltreffend» en «effecten» voor de praktijk.

Bij de evaluatie van de wet, die twee jaar na de inwerkingtreding zal worden verricht, zal in ieder geval worden nagegaan of, en zo mogelijk in welke mate, het nader gebruik van de gegevens die vergaard zijn ten behoeve van een oprichting van vennootschappen een bijdrage heeft geleverd aan het voorkomen en bestrijden van misbruik van vennootschappen. Verder zal in beeld worden gebracht wat de ervaringen zijn van de diverse betrokken organen bij het verkrijgen van gegevens uit diverse bronnen en de verstrekking aan vaste en aan incidentele gebruikers, alsmede van de ervaringen met de bewaring van de gegevens. De precieze methode van onderzoek waaronder het vaststellen van criteria aan de hand waarvan de doelmatigheid en de effecten voor de praktijk kunnen worden vastgesteld, zal in overleg met de onderzoekers die met de uitvoering van het onderzoek zullen worden belast worden bepaald.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner