nr. 14
DERDE NOTA VAN WIJZIGING
Het voorstel van wet wordt gewijzigd als volgt:
A
In artikel I, onderdeel B wordt, onder vernummering van het vijfde lid
van artikel 8.7 tot zesde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:
5. Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene
wet bestuursrecht worden besluiten als bedoeld in het eerste, tweede en derde
lid, dan wel als bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid als één
besluit aangemerkt.
B
In artikel IVb wordt aan het slot van het artikel na «elektronische
communicatienetwerken» ingevoegd: en de daarmee samenhangende richtlijnen.
C
Na artikel IVb wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel IVc
Aanbieders van vaste openbare telefoonnetwerken die op 24 juli 2003 een
op grond van artikel 6.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet aangewezen
aanbieder zijn, blijven tot het tijdstip dat het bij koninklijke boodschap
van 15 april 2003 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van de Telecommunicatiewet
en enkele andere wetten in verband met de implementatie van een nieuw Europees
geharmoniseerd regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken
endiensten en de nieuwe dienstenrichtlijn van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen, (Kamerstukken II, 2002/03, 28 851), nadat het tot wet
is verheven in werking treedt, een aangemelde exploitant als bedoeld in artikel
2, onderdeel a, van verordening (EG) nr. 2887/2000 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2000 inzake ontbundelde
toegang tot het aansluitnetwerk (PbEG L 336/4).
D
Artikel V komt te luiden:
Artikel V
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijke boodschap
te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
TOELICHTING
Onderdeel A
Voordat het college een aanbieder kan aanwijzen als een partij die beschikt
over een aanmerkelijke marktmacht op een door het college vastgestelde relevante
markt als bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, en een aangewezen aanbieder
een of meer van de in artikel 8.8 genoemde verplichtingen kan opleggen, moet
het college een aantal procedurele stappen doorlopen. Het besluit waarbij
een aanbieder wordt aangewezen als een aanbieder met aanmerkelijke marktmacht
en in die hoedanigheid een of meer verplichtingen krijgt opgelegd, is een
besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De marktbepaling en de marktanalyse, inclusief de vaststelling dat de relevante
markt daadwerkelijk concurrerend is, maken onderdeel uit van het uiteindelijke
besluit van het college. Om dit buiten twijfel te stellen is in het vijfde
lid bepaald dat slechts tegen het uiteindelijke besluit beroep mogelijk is.
Bij een geschil met betrekking tot het besluit waarbij aan een aanbieder verplichtingen
zijn opgelegd, worden bij de beoordeling van het geschil uiteraard wel betrokken
de grondslagen waarop het besluit berust. Indien zou blijken dat het college
bij het opleggen van een verplichting niet is uitgegaan van de juiste relevante
markt, dan kan die constatering er toe leiden dat de desbetreffende opgelegde
verplichting niet in stand kan worden gehouden.
Voorts wordt nog opgemerkt dat deze bepaling vanzelfsprekend mede tot
gevolg heeft dat slechts bezwaar kan worden ingediend tegen het besluit waartegen
ook beroep open staat. Het maken van bezwaar tegen de afzonderlijke aan het
uiteindelijke besluit voorafgaande beslissingen is niet mogelijk en zal derhalve
niet ontvankelijk dienen te worden verklaard.
Onderdeel C
Artikel IVc
In dit artikel wordt, evenals in artikel IVb, een voorziening getroffen
voor de situatie dat de nieuwe regelgeving ter uitvoering van de nieuwe Europese
richtlijnen inzake elektronische communicatie op 25 juli 2003 mogelijkerwijs
nog niet in werking is getreden. Op grond van de verordening ontbundelde toegang
tot een aansluitnetwerk moeten aangemelde exploitanten dat wil zeggen aanbieders
van vaste openbare telefoonnetwerken die krachtens artikel 6.4 van de Telecommunicatiewet
zijn aangewezen als een aanbieder met aanmerkelijke marktmacht, onder meer
voldoen aan redelijke verzoeken tot ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk.
Met dit artikel wordt zekergesteld dat laatstgenoemde aanbieders ook na 24
juli 2003 een aangemelde exploitant in de zin van artikel 2, onderdeel a,
van de verordening ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk blijven totdat
de nieuwe ONP-regelgeving in werking is getreden. Met dit artikel
wordt tevens uitvoering gegeven aan de tweede alinea van artikel 27 van richtlijn
nr. 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken
en -diensten (PbEG L 108) (Kaderrichtlijn). Voor de periode na het tijdstip
van inwerkingtreding van de wet houdende Wijziging van de Telecommunicatiewet
en enkele andere wetten in verband met de implementatie van een nieuw Europees
geharmoniseerd regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken
en -diensten en de nieuwe dienstenrichtlijn van de Commissie van de Europese
Gemeenschappen ( Kamerstukken II, 2002/03, 28 851 ), is een voorziening
opgenomen in het zesde lid van artikel XIV van laatstgenoemde wet.
Onderdeel D
Het is nodig de mogelijkheid open te houden om de diverse artikelen of
onderdelen daarvan op een verschillend tijdstip in werking te kunnen laten
treden. Dit komt omdat ter uitvoering van dit wetsvoorstel nog uitvoeringsregelgeving
nodig is. Mocht bij de totstandkoming daarvan vertraging optreden dan zou
dat het gehele wetsvoorstel ophouden. Dat is ongewenst aangezien enkele artikelen
waarin voorzieningen worden getroffen voor de situatie dat het voorstel van
wet tot wijziging van de Telecommunicatiewet en enkele andere wetten in verband
met de implementatie van een nieuw Europees geharmoniseerd regelgevingskader
voor elektronische communicatienetwerken en -diensten en de nieuwe dienstenrichtlijn
van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (Kamerstukken II, 2002/03,
28 851), niet op 25 juli 2003 inwerking treedt, onmiddellijk inwerking
moeten kunnen treden als het wetsvoorstel tot wet is verheven Daarnaast kan
zich de situatie voordoen dat het voorliggende wetsvoorstel en het hiervoor
genoemde wetsvoorstel tot implementatie van het nieuwe Europese regelgevende
kader in de tijd zodanig parallel blijven lopen dat de conclusie getrokken
moet worden dat, wellicht met uitzondering van enkele artikelen, het niet
zinvol meer is om het wetsvoorstel in werking te laten treden. Om deze redenen
is het noodzakelijk de nodige flexibiliteit in te bouwen ter zake van de inwerkingtreding
van de wet.
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
J. G. Wijn