28 199
Beleidsvernieuwing bodemsanering

nr. 2
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 2 mei 2002

De vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 heeft op 10 april 2002 overleg gevoerd met minister Pronk van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over de volgende brieven:

van 1 november 2000 over het eindrapport van de Beleidsvernieuwing bodemsanering (Bever) (VROM-2000-896);

van 11 mei 2001 over de jaarverslagen bodemsanering 1999 en 2000 (VROM-2001-632);

van 4 juli 2001 over het convenant bodemsanering in gebruik zijde en blijvende bedrijfsterreinen (VROM-2001-692);

van 9 juli 2001 over de tussenrapportage bodemsanering (voormalige) gasfabriekterrein (VROM-2001-711);

van 29 augustus 2001 over het interimbeleid bodemsanering bedrijfsterreinen (VROM-2001-810);

van 29 augustus 2001 over de zevende evaluatie verloop bodemsanering in gebruik zijnde bedrijfsterreinen en voortgang in 2000 (VROM-2001-795);

van 16 januari 2002 over het kabinetsstandpunt beleidsvernieuwing bodemsanering (Bever) (28 199, nr. 1);

van 4 april 2002 over de rapportage Bodem in zicht van de Inspectie Milieuhygiëne.

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Depla (PvdA) staat positief tegenover het kabinetsvoorstel, omdat nu de gegroeide praktijk en de door de Kamer geaccordeerde ingeslagen route wordt vastgelegd. Het duurt allemaal echter langer dan gewenst. Er moet namelijk nog worden begonnen met het wetgevingstraject. Kan het niet sneller geïmplementeerd worden?

Om de uitvoering te versterken wordt een subsidie gegeven aan de Stichting infrastructuur kwaliteitsborging bodembeheer. De heer Depla ondersteunt dat. Voor een goede handhaving en uitvoering zijn bodemmonsters van groot belang. Nu worden bodemmonsters echter nog verschillend beoordeeld door de verschillende laboratoria. Er is destijds een motie van de heren Poppe en Feenstra aangenomen, waarin werd gevraagd om te komen tot een wettelijke regeling waarbij intermediairs alleen bodemonderzoek mogen doen als zij aan bepaalde kwaliteitscriteria voldoen. De minister heeft aangekondigd dat er in 2003 een wettelijke regeling komt. Kan dat niet sneller?

Er gaat nu gewerkt worden met bodemgebruikswaarden (BGW's). Afhankelijk van de functie is er een bepaalde BGW. Hoe worden die BGW's echter vastgesteld? Welke risicoafwegingen en welke kosten-batenafwegingen worden gemaakt en hoe er wordt gedifferentieerd naar de verschillende functies?

Actiepunt 5 handelt over de tegenstrijdigheden tussen het bodembeleid en andere wetgeving en normen. Er moet meer prioriteit worden gegeven aan het op elkaar afstemmen van verschillende regelingen.

Voor de waterbodems zal dezelfde aanpak gelden als voor de landbodems. De heer Depla vindt dat een goede zaak, maar hij hoopt dat er wel sneller tot zaken kan worden gekomen.

In het kader van het Fonds bodemsanering zou in Rotterdam een paar honderd hectare vervuilde bodem worden gesaneerd om in combinatie met andere maatregelen meer ruimte te krijgen in de haven. Wat is de stand van zaken op dat punt?

De heer Udo (VVD) heeft zorgen over de rol en de inhoud van de BGW. Meerdere ISV-gemeenten, VNG, IPO en VNO/NCW zijn uitermate kritisch. Veel steden worden namelijk geconfronteerd met grootschalige diffuse verontreinigde gebieden. Hij acht het niet doelmatig deze verontreinigingen op korte termijn terug te saneren tot de BGW. Dit brengt namelijk hoge saneringskosten met zich mee.

Het IPO constateert terecht dat wanneer het kabinetsstandpunt in enge zin wordt gelezen, bodemsanering kan leiden tot andere, soms strengere, soms soepelere uitkomsten dan het bodembeleid op grond van andere wettelijke regelingen die eveneens van toepassing zijn. Daarom moet actiepunt 5 met voorrang worden behandeld.

De heer Udo is van mening dat het gebiedsgerichte maatwerk moet aansluiten op de praktijk en dat de BGW's op een maatschappelijk verantwoorde wijze vorm moeten krijgen, waarbij een functiegerichte norm het uitgangspunt moet zijn. De introductie mag niet tot rechtsonzekerheid leiden, want het is van het grootste belang dat private partijen niet worden afgeschrikt door nieuwe onduidelijke normen, die geen relatie hebben met de milieu-urgentie en die de kostenbesparing van functiegericht saneren weer deels teniet doen.

De minister schrijft dat de bodemsanering in het landelijk gebied zal aansluiten bij andere ontwikkelingen in het gebied, zoals de Europese ecologische hoofdstructuur, de landinrichting en de Reconstructiewet. Hoe organiseert het kabinet de samenwerking en de financiering met de overige overheden?

In de nieuwe organisatie zijn er 28 rechtstreekse gemeenten bij gekomen die bevoegdheden hebben in het kader van de Wet bodembescherming. Hiernaast kunnen ook niet rechtstreekse gemeenten specifieke taken vanuit de provincie gedelegeerd krijgen. Zijn de gemeenten wel voldoende op hun taak berekend?

De provincies hebben een prominente coördinerende rol ten aanzien van het beleid en de toekenning van de financiële middelen. Het Rijk heeft echter een stevige vinger in de pap door de stringente beoordeling en de toedeling van middelen. Heeft de minister wel voldoende vertrouwen in de rol en de taak van de provincies? De minister moet uitkijken dat hij niet via de achterdeur toch weer alles zelf gaat bepalen.

Er is terecht veel aandacht voor toezicht en handhaving om de beoogde kwaliteitsslag te kunnen maken. Bodemsanering zal efficiënt en effectief moeten worden uitgevoerd. De maatregelen die tot kwaliteitsborging moeten leiden, wekken de indruk dat er een overkill aan maatregelen komt die de administratieve lasten zullen opschroeven. De heer Udo vreest dat de kosten hierdoor behoorlijk zullen toenemen. Hij vraagt zich af of er wel een juiste balans is tussen de totstandkoming van de gewenste kwaliteitsslag aan de ene kant en de zwaarte van de maatregelen aan de andere kant.

De minister schrijft in zijn brief van 9 juli 2001 dat hij het zorgelijk vindt dat als het gaat om de bodemsanering van gasfabriekterreinen het genereren van middelen nog niet tot concrete resultaten heeft geleid. Welke gesprekken zijn er sindsdien met de energiebedrijven gevoerd en met welk resultaat?

De heer Van Wijmen (CDA) vindt het positief dat het beleid niet langer primair is gericht op volledige verwijdering van de verontreiniging, kosteneffectieve varianten mogelijk zijn en sprake is van vergroting van de marktdynamiek, functiegerichtheid, verbreding van het saneringsdraagvlak, externe integratie en verbetering van het instrumentarium.

Als het gaat om de reikwijdte van het beleid is er verschil tussen landbodems en waterbodems. Gaat het kabinet wat betreft de waterbodems aansluiting zoeken bij de systematiek die voor de landbodems wordt voorgesteld? Gaat er niet een te groot faseverschil ontstaan, waardoor waterbodems achter blijven?

In binnensteden, riviersystemen en gebieden waar mijnbouw plaatsvond, is vaak sprake van diffuse verontreiniging in een groot gebied. Het onverkort vasthouden aan het op termijn terugsaneren tot de BGW-norm zal hier leiden tot enorme meerkosten, terwijl het milieurendement beperkt is. Moet het saneringsbeleid niet meer aansluiten bij de specifieke situatie in de regio en bij overig bestaand bodembeleid en- beheer?

Bijzondere aandacht verdient de lokale bodemverontreiniging met asbest. In de gemeente Hof van Twente is daar niet alleen bij wegen sprake van, maar ook op andere plaatsen. Er kan niet op grond van de Wet bodemsanering worden gesaneerd en daarom is sprake van onevenredig hoge kosten. De heer Van Wijmen vindt dan ook dat daar apart naar moet worden gekeken.

De vernieuwing van het bodemsaneringsbeleid resulteert in een belangrijke uitbreiding van het aantal bevoegde overheden. De provincie krijgt een belangrijke regiefunctie. De taken en bevoegdheden van de rijksoverheid nemen daardoor af. Er is dan sprake van gedeelde verantwoordelijkheid. Dat alles mag er niet toe leiden dat de overheid de eigen verantwoordelijkheid uit de weg gaat. Welke rol spelen de Kaderwetgebieden in dit verband?

De financiële onderbouwing baart de heer Van Wijmen zorgen. 25% van de kosten komt voor rekening van de centrale overheid. Hoe hard is dat percentage? Waardoor is het ingegeven? De feitelijke haalbaarheid van de multiplier van 4 is afhankelijk van allerlei andere factoren, zoals de conjunctuur. Wil de minister nader ingaan op dit punt en ook op de onzekerheden rond de financiering van de bedrijvenregeling en de budgetflexibiliteit van bodemsaneringsgelden?

Door de voorgestane beleidsvernieuwing bodemsanering is sprake van meer decentralisatie, meer nadruk op versnelling van de sanering, belangrijker wordende marktpartijen, kostenbeheersingsvragen, integratie in de ruimtelijke en economische ontwikkeling, functiegericht saneren en meer zorg voor restverontreiniging. Dat alles maakt kwaliteitsborging, toezicht en handhaving nog noodzakelijker dan nu al het geval is. Het kabinet komt met een breed pakket aan maatregelen op het gebied van toezicht en handhaving. Zal dat echter het wel op tijd operationeel zijn? Een van de condities voor een adequate handhaving is volgens het rapport-Bever ruimere financiële middelen voor de bodemoverheden om voldoende capaciteit voor controle en handhaving vrij te maken.

De heer Van Wijmen is verheugd over de verhoogde aandacht voor toezicht en handhaving. Hij is echter geschrokken van het inspectierapport Bodem in zicht, waarin wordt gerept van een tekortschietende kwaliteit van het toezicht in 1999 en 2000. Hij zet verder vraagtekens bij de feitelijke kwaliteit van reeds uitgevoerde saneringen. Is de minister bereid steekproefsgewijs administratief/technisch veldonderzoek te laten verrichten naar de kwaliteit van de sanering?

Met betrekking tot de voortgang van de sanering van gasfabrieksterreinen tast de heer Van Wijmen na de brief van 9 juli 2001 nog enigszins in het duister. Kan de minister nader ingaan op de aangestipte knelpunten, te weten achterblijvende financiële participatie van derden, de voortgang van het overleg met de energiebedrijven en de mogelijke problemen met betrekking tot de regelgeving van de Europese Unie, de cofinanciering? De Kamer is eind verleden jaar namelijk niet, zoals wel was toegezegd, geïnformeerd over dit onderwerp.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks) merkt op dat in het NMP-3 staat dat de bodemsanering in 2023 beheerster moet zijn. Bij de doelstellingen in het NMP-3 gaat het om de kwantiteit en de kwaliteit van de saneringen. De kwantiteit wordt wel aangepakt, gezien het aantal saneringen, maar zij maakt zich zorgen over de kwaliteit. In het rapport Bodem in zicht van de VROM-inspectie wordt een aantal dingen heel helder gezegd over het toezicht en de controle op de kwaliteit van saneringen. In de samenvatting van dat rapport staat dat de inspectie een aantal aanbevelingen doet als het gaat om toezicht op de kwaliteit. Neemt de minister die aanbevelingen over?

Dat de bodemsanering fraudegevoelig is en dat goed toezicht absoluut noodzakelijk is, wordt onderschreven in het kabinetsstandpunt. In hoofdstuk 6 spreekt de regering over het hoge inherente risico, ontduiking van regelgeving en misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden. Er wordt ook gezegd dat het toezicht op specifieke momenten aangegrepen moet worden. Verder wordt in verschillende onderzoeksrapporten de conclusie getrokken dat toezicht en handhaving dienen te worden versterkt. Daar is mevrouw Van Gent het van harte mee eens. Uit onderzoeken van de inspectie milieuhygiëne «Zand erover» is echter gebleken dat het toezicht van de bevoegde overheden op sanering door derden tekortschiet. Dat onderschrijft haar mening dat kwantiteit belangrijk is, maar dat kwaliteit net zo belangrijk, zo niet belangrijker is. Het rapport-Bever regelt veel te weinig over het toezicht op bodemsaneringen. Zij heeft gehoord dat achter een bureau op basis van papier wordt bekeken of het volgens de regels is gebeurd. Bodemmonsters zijn er echter niet genomen. Hoe kan dan een goed oordeel worden geveld over de kwaliteit van de sanering?

Mevrouw Van Gent heeft begrepen dat er nooit echt onderzoek is gedaan naar de kwaliteit van de bodemsaneringen in het verleden. Heeft de minister gegevens over die bodemsaneringen? Als er echt ernstige fouten zijn gemaakt, moeten die worden rechtgezet. Daar zou geld voor kunnen worden geoormerkt en daar kan helder beleid op wordt ingezet. Dat is nu nog onvoldoende het geval.

Het IPO zou graag actiepunt 5 met voorrang uitgevoerd willen zien. Wat is de reactie van de minister daarop? Mevrouw Van Gent maakt zich zorgen over de financiële kant. Zij is benieuwd naar de insteek van de minister. Het mag namelijk geen papieren tijger worden.

Antwoord van de minister

De minister merkt op dat het kabinetsstandpunt binnen afzienbare tijd zal worden verwerkt in een wettelijke regeling. Dat kost veel tijd, want het is uitermate ingewikkeld. Hij wil met de voortgang van de saneringsmaatregelen echter niet wachten totdat de wettelijke regeling helemaal gereed is en heeft daarom normen geformuleerd op basis van de keuze die destijds is gemaakt, namelijk functiegericht saneren. Uiteraard worden voor de functie wonen en alles wat daarmee te maken heeft, de scherpste normen gehanteerd. Voor andere functies is dat niet het geval.

Bij de nieuwe aanpak is voor een structuur gekozen, waarbij financieringsmiddelen beschikbaar zijn gesteld, verantwoordelijkheden zijn toegedeeld en normen zijn vastgesteld. Er wordt gekozen voor bodemgebruikswaarden. Er zijn nu vier functies vastgesteld, maar nog niet voor alle functies zijn BGW's ontwikkeld. Er zijn echter wel BGW's ontwikkeld voor hetgeen echt speelt, namelijk het wonen. Voor extensief groen zijn ze ook reeds geformuleerd. Voor landbouw zijn ze in ontwikkeling. Voor hetgeen wordt ingepakt ten behoeve van infrastructuur, de verharding, is het nog niet noodzakelijk om ze te ontwikkelen.

De BGW's zijn aangedragen door het RIVM. Bij BGW's voor stoffen die zich in de bodem kunnen bevinden, gaat het om maximum hoeveelheden die acceptabel zijn voor een bepaalde functie. Het RIVM heeft daarbij gekeken naar de ecologische risico's en de gezondheidsrisico's voor mensen. Het RIVM heeft verder normen geformuleerd aan de hand waarvan bepaald kan worden hoe verontreinigd de grond is. Die normen zijn specifiek voor een bepaalde stof. Er vind geen uitruil tussen stoffen plaats en iedere stof heeft een maximum norm die niet mag worden overschreden. Die normen gelden landelijk. Ze zijn gepubliceerd, maar hebben nog geen juridische kracht, aangezien ze nog niet zijn opgenomen in een ministeriële regeling. Die komt echter binnenkort.

Actiepunt 5 betreft het op elkaar afstemmen van normen en criteria voor bodembeheer en bodemsanering. Dat punt heeft prioriteit en zal dit jaar worden geregeld. Die normen zullen op een soepele manier op elkaar worden afgestemd. Als de normen voor bodembeheer namelijk allemaal op hetzelfde moment zou moeten worden opgetrokken tot de BGW zou dat het proces bemoeilijken.

Sommige gemeenten vinden dat de BGW behorend bij de functie wonen en intensief gebruik openbaar groen, uitgaat van een onnodig strenge risiconorm. Deze normen zijn echter aangereikt door de instelling die daarvoor speciaal in het leven is geroepen, het RIVM. De minister heeft aan het RIVM gevraagd om te komen met wetenschappelijk verantwoorde normen voor een zo groot mogelijke uitbanning van het blootstellingsrisico voor mensen aan stoffen. De ecologische consequenties zijn daarbij ook van belang. Hij heeft die normen overgenomen en gaat niet opnieuw in overleg met het RIVM om te komen tot een zekere afzwakking van die normen.

Het is moeilijk om voor waterbodems BGW's in te voeren. Het overleg daarover met Verkeer en Waterstaat wordt voortgezet. De minister hoopt dit jaar tot een afronding van het overleg te komen. Het is echter moeilijk om tot overeenstemming te komen met Verkeer en Waterstaat aangezien verschillende belangen een rol spelen.

Een ander probleem betreft asbest. Er is geen extra interventiewaarde voor asbest opgenomen in de huidige regelgeving, omdat er een apart asbestbeleid is. Dat beleid is vooral gebaseerd op de arboregelgeving, waarin is afgesproken dat de bodem waar asbest in zit, boven een restconcentratienorm, gecontroleerd en afgevoerd moet worden. De wijze van inpakken van de vervuilde grond, voordat die kan worden afgevoerd, is zeer sterk gereguleerd en daar zijn zeer hoge kosten mee gemoeid. Asbest wordt door sommige provincies en gemeenten meegenomen bij bodemsaneringen. De extra kosten worden dan gefinancierd uit het bodemsaneringsbudget. Momenteel wordt nog bekeken hoe het asbestbeleid beter kan worden afgestemd op het bodemsaneringsbeleid, of er speciale normen moeten worden gehanteerd, wat dat kost en of die extra kosten in het huidige saneringsbudget kunnen worden meegenomen. Het probleem in Hof van Twente moet worden opgelost. De desbetreffende gemeente is daar uiteraard verantwoordelijk voor. Er is echter enig overleg om te bezien in hoeverre het ook draagbaar is.

Er zijn afspraken gemaakt voor de periode tot 2004. In de loop van 2004 zal er een totaalbeeld zijn van al datgene wat nog moet worden gesaneerd. De minister zal proberen een groter aandeel van de financiering uit de markt te halen voor sanering. Hij vindt het echter nog te vroeg om te spreken over een mogelijk structureel tekort. Er is echter wel sprake van druk op de budgetten. De inspanningen zullen op het hele terrein van de bodemsanering aanzienlijk moeten worden vergroot, want men ligt niet helemaal op schema. Dat heeft dan weer consequenties voor de budgetten, zeker als er extra claims bij komen. Voor de verwerking van de baggerspecie moeten ook nog middelen worden gevonden. Verder zijn er nog de kosten die zijn verbonden aan de nazorg van de stortplaatsen. Er zullen dus meer middelen moeten worden gevonden.

De provincies hebben een regierol als het gaat om bodemsanering in het landelijk gebied. Ingaande dit jaar krijgen de provincies op basis van een meerjarenprogramma middelen beschikbaar voor die sanering. Daar wordt een systematiek voor opgesteld die kan worden vergeleken met de systematiek van het ISV. Provincies kunnen dus een eigen afweging maken en eigen prioriteiten stellen. Er zal na afloop echter op basis van de geleverde prestaties worden bekeken wat de resultaten zijn. Daar wordt men dan op afgerekend.

Medio dit jaar komt de minister met een notitie over de kwaliteitsborging, waarin hij de regelgeving die hem voor ogen staat, schetst. Dat leidt tot een ontwerpregelgeving, die waarschijnlijk volgend jaar in werking zal treden. VNO/NCW hebben kritiek, omdat het een enorm pakket aan maatregelen betreft, maar het kan niet anders. Bij het op gang komen van het beleid zijn namelijk wat foutjes gemaakt en daar moeten nu lessen uit worden getrokken. Dat betekent scheiding van verantwoordelijkheden en een aanzienlijk intensiever toezicht. Dat heeft echter consequenties. Er wordt gewerkt aan randvoorwaarden voor de functiescheiding en de minimale kwaliteitsvereisten. Dat moet dan verder worden verwerkt in certificatierichtlijnen.

Kwaliteitseisen en regelgeving leiden tot kosten, maar fouten leiden tot hogere kosten. De kwaliteitsnormen mogen geen geweld worden aangedaan. De minister zal zich houden aan het beleid om te komen tot een verlaging van de administratieve regeldruk. Hij wil een zo transparant mogelijk beleid en normen die op elkaar zijn afgestemd.

De gemeenten mogen zelf onderling afspraken maken. Er zijn geen aparte bevoegdheden gecreëerd voor de Kaderwetgebieden. Dat zou te onoverzichtelijk zijn. Er zijn contacten met Rotterdam om te kijken of het saneringsfonds uit de bedrijvenregeling kan worden gefinancierd. Daar is nog geen beslissing over genomen. De definitieve vormgeving van het fonds en de uitvoeringsorganisaties zijn nog niet gereed. Daarover heeft de minister nog geen officieel verzoek van de kant van Rotterdam ontvangen. Hij laat zich echter in beginsel positief uit over de mogelijkheden om tot een oplossing te komen en spreekt de bereidheid uit om te zoeken naar concrete oplossingen nog dit jaar.

De discussie over de gasfabrieken vindt plaats vanuit de provincies, omdat zij gesprekken voeren met energiedistributiebedrijven. De minister is daar op afstand bij betrokken. Hij is er echter zeer in geïnteresseerd en wil het niet te afstandelijk behandelen. De Kamer zou eind verleden jaar informatie over krijgen op dit punt, maar dat was niet mogelijk, omdat de budgetverdeling toen nog niet beschikbaar was. Hij kan de Kamer echter nog deze maand of begin volgende maand de budgetverdeling doen toekomen.

De minister neemt de aanbevelingen van het inspectierapport over. Er komt echter nog een vervolgonderzoek van de kant van de inspectie, want men was niet tevreden. Daar komt bij dat de inspectie alleen heeft gekeken naar de kwaliteit van het toezicht en niet naar de kwaliteit van de sanering. Daar kan op drie manieren naar worden gekeken. Er kan worden gekeken naar alle afgeronde saneringen en daar kunnen dan weer monsters van worden genomen. Dat gaat hij echter niet doen, want dan wordt te ver teruggegaan in het verleden. Er kan ook worden gekeken naar alle lopende saneringen. Op dat punt zullen steekproeven worden genomen. Ten slotte kan worden gekeken naar toekomstige saneringen. Hij zal op dat punt afspraken maken met de inspectie over steekproefsgewijs en niet aangekondigde monsterneming om de vinger aan de pols te kunnen houden.

De minister is van mening dat samenwerking met professionele milieudiensten zeer gewenst is. Er zijn echter nog een aantal discussiepunten, bijvoorbeeld over de wijze waarop de bestuurlijke en de strafrechtelijke handhaving op elkaar kunnen worden afgestemd. Hij is groot voorstander van professionalisering door middel van het instellen van regionale professionele milieudiensten, maar hij kan dat niet opleggen. Dat moet gebeuren in goed overleg met de regio. Niet iedereen is daar echter even enthousiast over. Hij wil echter snel verder, ook al komt hij nu met een landdekkend systeem.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Th. A. M. Meijer

De wnd. griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Brandsema


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Witteveen-Hevinga (PvdA), Van Middelkoop (ChristenUnie), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), ondervoorzitter, Th. A. M. Meijer (CDA), voorzitter, Luchtenveld (VVD), Van Wijmen (CDA), Kortram (PvdA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Rietkerk (CDA), Oplaat (VVD), Van der Staaij (SGP), Schoenmakers (PvdA), Waalkens (PvdA), Udo (VVD), Mosterd (CDA), Ten Hoopen (CDA) en Depla (PvdA).

Plv. leden: Dijksma (PvdA), Stellingwerf (ChristenUnie), Valk (PvdA), Van Lente (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Blok (VVD), Biesheuvel (CDA), Crone (PvdA), Giskes (D66), M. B. Vos (GroenLinks), Halsema (GroenLinks), Van den Akker (CDA), Niederer (VVD), Van 't Riet (D66), Spoelman (PvdA), Hindriks (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD) en Visser-van Doorn (CDA).

Naar boven