A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 5 april
2002 en de reactie van de indieners d.d. 13 mei 2002, aangeboden aan
de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het advies van de Raad
van State is cursief afgedrukt.
1. Het voorgestelde derde lid van artikel 16 maakt ter bevordering van
de beperking in de advisering tot de monumentale waarde van een beschermd
monument alleen melding van het in het daaraan voorafgaande tweede lid bedoelde
advies van de minister. Het tweede lid van artikel 16 bepaalt echter dat niet
alleen de minister, maar ook gedeputeerde staten bij de advisering over het
pand zijn betrokken.
In verband hiermee dient volgens de Raad in de memorie van toelichting
te worden verduidelijkt of ook gedeputeerde staten zich in de advisering dienen
te beperken tot de monumentale waarde van het beschermde monument. Zo ja,
dan adviseert het college het voorgestelde derde lid in die zin uit te breiden.
Zo nee, dan dient volgens het college de daarmee samenhangende tegenstelling
tot de advisering van de minister in de memorie van toelichting te worden
gemotiveerd.
1. Het eerste lid van artikel 16 bepaalt dat gemeenten verplicht zijn,
naast het advies van de minister, ook advies te vragen aan gedeputeerde staten
indien het beschermde monument ligt buiten de bebouwde kom. Gedeputeerde staten
baseren zich bij hun advies op de plaats van het pand in het provinciaal ruimtelijk
ordeningsbeleid, en in de natuur- en landschapsbescherming, al dan niet vastgelegd
in het provinciale streekplan. In geval een monumentaal pand gelegen is buiten
de bebouwde kom, ontvangt de gemeente aldus twee adviezen. Het advies van
de minister (voorbereid door de RDMZ) handelt over de monumentale waarde van
het pand, terwijl het advies van gedeputeerde staten de rol van het monument
in het provinciale ruimtelijke ordeningsbeleid en in de natuur- en landschapsbescherming
tot onderwerp heeft. Daarbij staat dus niet zozeer het pand voorop (daarover
oordeelt de RDMZ) alswel de provinciale omgeving. Daarom beperkt het initiatiefwetsvoorstel
zich tot de advisering door de minister. De memorie van toelichting wordt
overeenkomstig het advies van de Raad van state op dit punt verduidelijkt.
2. Ingevolge het voorgestelde vierde lid van artikel 16 kan de minister
met redenen omkleed afwijken van het bepaalde in het derde lid. Niet ondenkbaar
is dat de minister deze bevoegdheid had kunnen dan wel willen gebruiken bij
de monumenten waarvan de toelichting voorbeeldsgewijze melding maakt en waarvan
het belang tot behoud nu juist heeft geleid tot indiening van dit initiatiefvoorstel.
De vraag doet zich nu voor of dit effect met het derde lid is beoogd.
Als dit zo is, dan wordt daarmee het effect van het voorstel tenietgedaan.
Als dit niet de bedoeling is, dan dient het derde lid zodanig te worden geredigeerd
dat dit lid niet zal leiden tot de meer integrale advisering die in de memorie
van toelichting voor zulke gevallen van de hand is gewezen.
In het licht van het voorgaande adviseert de Raad in de memorie van toelichting
in te gaan op de effectiviteit van het derde lid van artikel 16, en dit artikellid
zo nodig aan te passen.
2. Het initiatiefvoorstel beoogt monumenten een betere bescherming te
geven door het advies van de RDMZ te beperken tot de monumentale waarde van
het pand. Het door de Raad genoemde lid 4 van artikel 16 maakt daarop door
de minister te motiveren uitzonderingen mogelijk. De initiatiefnemer wilde
met dit artikellid de situatie herstellen zoals die door de voormalig staatssecretaris
Nuis werd omschreven en op grond waarvan incidentele uitzonderingen mogelijk
waren op grond van bestuurlijke of maatschappelijke aspecten. De Raad merkt
echter op dat het voorgestelde lid 4 van artikel 16, gesteld dat het reeds
wetskracht zou hebben gehad ten tijde van de advisering over de sloop van
een aantal monumenten dat aanleiding was voor het voorstel, door de minister
zou kunnen zijn ingeroepen om een bredere advisering door de RDMZ mogelijk
te maken. Daarmee zou de facto het advies van de RDMZ in bovenbedoelde gevallen
gelijk zijn gebleven. Op grond van deze observaties van de Raad heeft de initiatiefnemer
het bedoelde artikellid heroverwogen. Het bezwaar van de Raad kan alleen opgevangen
worden door de in lid 4, artikel 16 gemaakte uitzondering niet langer in het
voorstel op te nemen. Het voorstel en de toelichting daarop zal dan ook in
die zin worden gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat de RDMZ niet langer in
incidentele gevallen bij de voorbereiding van het advies van de minister,
maatschappelijke en bestuurlijke overwegingen een rol kan laten spelen. Die
overwegingen behoren in die gevallen ook door de gemeenten bij de uiteindelijke
beslissingen te worden meegewogen.
3. In de toelichting wordt telkens de advisering door de Rijksdienst voor
de Monumentenzorg (RDMZ) op één lijn gesteld met de advisering
door de minister. Volgens artikel 16 MW is het echter de minister die adviseert,
waarbij deze uiteraard gebruik kan maken van een voorbereidend advies van
één van de ambtelijke diensten, in dit geval de RDMZ.
De Raad adviseert, het hiervoor bedoelde onderscheid tussen enerzijds
het voorbereidende advies en anderzijds het in de wet bedoelde (eind)advies
van de minister voldoende aan te brengen in de memorie van toelichting.
3. De initiatiefnemer zal het door de raad bedoelde onderscheid aanbrengen
in de memorie van toelichting.
4. Het voorstel bevat geen overgangsrecht voor de in artikel 16, tweede
lid, bedoelde advisering die ten tijde van de inwerkingtreding van het voorstel
nog niet is afgehandeld. Het college beveelt aan daarin alsnog te voorzien.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
4. Naar aanleiding van het advies van de Raad heeft de initiatiefnemer
een overgangsbepaling in het wetsvoorstel opgenomen. Op grond daarvan gelden
de bepalingen van het wetsvoorstel niet voor adviezen die ten tijde van de
inwerkingtreding van het voorstel nog niet zijn afgehandeld.
Ravestein