28 191
Voorstel van wet van het lid Ravestein tot wijziging van de Monumentenwet (nadere regels omtrent de advisering door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg)

nr. 5
MEMORIE VAN TOELICHTING ZOALS GEWIJZIGD NAAR AANLEIDING VAN HET ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

ALGEMEEN

1. Adviezen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg

In 1988 werd de Monumentenwet ingrijpend veranderd. Taken en bevoegdheden die daarvóór tot de verantwoordelijkheid van het rijk behoorden, werden gedecentraliseerd. Zo kregen gemeenten in 1988 de bevoegdheid te beslissen over een aanvraag of een vergunning tot wijziging, afbraak of verwijdering (sloopvergunning) van een rijksmonument. De aktuele monumentale waarde van het betreffende pand zal daarbij door de gemeenten moeten worden afgewogen tegen andere belangen. Vaak zal bijvoorbeeld de gemeente een groot financieel belang bij de sloop van een monument hebben. Als er geen economische toekomst voor het betreffende monument is zal de neiging om toestemming voor sloop te geven dan ook zeker aanwezig zijn.

Alvorens een beslissing te nemen over een dergelijke aanvraag tot sloop van een monument moet de gemeente advies vragen aan de minister van OCW, de facto de staatssecretaris van Cultuur. Het advies van de minister wordt voorbereid door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ). De minister van OCW neemt dit advies doorgaans over. Waar in deze toelichting gesproken wordt over het advies wordt het voorbereidend advies van de RDMZ bedoeld.

Verwacht zou mogen worden dat de RDMZ zich bij zijn advisering over een sloopvergunning louter laat leiden door de aktuele monumentale waarde van het pand. Het is immers aan de gemeente om een afweging te maken tussen enerzijds de monumentale waarde van het pand, zoals bepaald door de RDMZ, en anderzijds bijvoorbeeld de noodzaak van herstructurering van de binnenstad, of economische voordelen.

In een aantal gevallen echter heeft de RDMZ zijn advies niet enkel en alleen gebaseerd op een oordeel over de monumentale waarde van het pand, maar heeft zij ook bestuurlijke en/of maatschappelijke (bijvoorbeeld economische) aspecten een rol laten spelen. De RDMZ geeft dan in een toenemend aantal gevallen op grond van die laatste overwegingen een positief sloopadvies af, ook al staat de nog aanwezige monumentale waarde van het desbetreffende pand vast. De gemeente neemt dat advies vervolgens over, waarbij de sloop van het monument mede wordt gerechtvaardigd door op het advies van de RDMZ te wijzen.

De initiatiefnemer vindt het onjuist dat de RDMZ de vrijheid heeft zijn advies het karakter te geven van een afweging tussen verschillende belangen. Naar het oordeel van de initiatiefnemer dient De RDMZ louter de monumentale waarde van panden te beoordelen en op grond daarvan een advies te geven over een aanvraag voor een sloopvergunning. Omdat het kabinet heeft aangegeven niet tot wetswijziging over te willen gaan, dient de initiatiefnemer het voorliggende voorstel in.

Overigens zijn gemeenten ook verplicht om advies te vragen aan gedeputeerde staten indien het beschermde monument ligt buiten de bebouwde kom. Gedeputeerde staten baseren zich bij hun advies op de plaats van het pand in het provinciaal ruimtelijk ordeningsbeleid, en in de natuur- en landschapsbescherming, al dan niet vastgelegd in het provinciale streekplan. Daarbij gaat het dus niet om de monumentale waarde van het pand als zodanig (daarover adviseert de RDMZ) maar om de positie en het belang van het pand in de provinciale omgeving. Daarom beperkt het initiatiefwetsvoorstel zich tot de advisering door de minister.

2. Aanleiding voor het initiatiefwetsvoorstel

Op 3 juni 1997 stelde het Eerste-Kamerlid dhr. Bierman (OSF) schriftelijke vragen aan toenmalig staatssecretaris van OCW dhr. Nuis over de adviezen van de RDMZ m.b.t. de sloop van het voormalig R. K. Weeshuis te Nijmegen en de sloop van de Doopsgezinde Kerk te Harlingen.1 Op de vraag naar de bevoegdheid van de RDMZ om een belangenafweging te maken ten nadele van een monumentaal pand, vooruitlopend op de besluitvorming in de gemeenteraad antwoorde de staatssecretaris:

«De adviestaak in het kader van artikel 16, eerste en tweede lid van de Monumentenwet 1988 is in principe beperkt tot het geven van een oordeel over de monumentale waarde van het pand. In incidentele gevallen wint een advies van de Rijksdienst echter aan kracht en relevantie door niet (geheel) voorbij te gaan aan bestuurlijke en of maatschappelijke aspecten. Immers, de gemeente, i.c. het college van BenW, is de vergunningverlenende instantie en neemt een beslissing mede gelet op het advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.»2

Verder wees de staatssecretaris nadrukkelijk op de bevoegdheid van de RDMZ tot het maken van een belangenafweging.3

Drie jaar na deze schriftelijke vragen werd duidelijk dat het niet om incidentele gevallen ging. Op 3 november 2000 berichtte het VPRO-programma Argos over een aantal gevallen van sloop van rijksmonumenten na een positief advies daarover van de RDZ. Het ging daarbij bijvoorbeeld over enkele hofjes in Duindorp (Scheveningen) en het voormalige fabrieksterrein van de Fa. Enschedé in Haarlem. Uit het antwoord van staatssecretaris Van der Ploeg op schriftelijke vragen4 van het lid Ravestein (D66) valt op te maken dat het gaat om circa 30 tot 40 gevallen in de afgelopen 5 jaar.5

Op de vraag of de RDM zich niet zou moeten beperken tot de monumentale waarde van het pand en of de afweging van die waarde tegen bijvoorbeeld maatschappelijke en bestuurlijke aspecten niet zou dienen plaats te vinden door de betreffende gemeente, antwoordde de staatssecretaris dat de RDMZ zich in de eerste plaats richt op de beoordeling van de kunsthistorische waarde en bouwkundige staat. Daarbij kan echter, aldus de staatssecretaris, niet geheel worden voorbijgegaan aan de context waarin die beoordeling plaatsvindt.1

Omdat deze interpretatie van de Monumentenwet verder gaat dan die van zijn voorganger in die zin dat de beperking tot incidentele gevallen niet wordt genoemd, is de staatssecretaris om nadere uitleg gevraagd.2 Daarop luidde het antwoord: «Op dit punt biedt de Monumentenwet 1988 inderdaad enige interpretatieruimte».3

Desgevraagd stelde de staatssecretaris geen reden voor wetswijziging te zien.4

3. Inhoud van het initiatiefvoorstel

Het voorstel beoogt de advisering van de RDMZ te beperken tot de monumentale waarde van het pand waarvoor een sloopvergunning bij de gemeente is aangevraagd. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de kunsthistorische waarde en de bouwkundige staat.

In de praktijk komt de procedure er als volgt uit te zien. Als een gemeente een aanvraag voor een sloopvergunning van een rijksmonument ontvangt, wordt zij daarover door de RDMZ adviseerd. Dit advies behelst louter de monumentale waarde van het pand. Het is aan de gemeente om deze, door de RDMZ bepaalde, waarde, vervolgens af te wegen tegen andere in het geding zijnde belangen.

De initiatiefnemer vindt het in de rede liggen dat de in dit voorstel opgenomen nadere regels omtrent de advisering van de RDMZ gelden voor adviezen die ná het van kracht worden van deze regels bij de minister worden ingediend. Daartoe is in het voorstel een overgangsbepaling opgenomen.

4. Financiële gevolgen

Het wetsvoorstel heeft geen financiële gevolgen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

ARTIKEL I, onderdeel A

Voorgesteld wordt Artikel 16 Monumentenwet uit te breiden met een lid:

Artikel 16, lid 3

Het voorgestelde derde lid beperkt de advisering van de RDMZ tot de monumentale waarde van het beschermde monument. Deze waarde omvat in ieder geval de (kunst)historische waarde en de bouwkundige staat van het pand. Met dit lid wordt beoogd een einde te maken aan de huidige praktijk waarbij de RDMZ de bevoegdheid heeft zelfstandig in zijn advies een afweging te maken tussen enerzijds de monumentale waarde van het pand en anderzijds andere belangen. Het maken van die afweging is volgens de initiatiefnemers voorbehouden aan de gemeente.

ARTIKEL I, onderdelen B en C

Het betreft hier wetstechnische aanpassingen die voortvloeien uit artikel I onder A.

Ravestein


XNoot
1

Aanhangsel van de Handelingen van de Eerste kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 1996–1997, nr. 23.

XNoot
2

Zie noot 1, antwoord op vraag 3.

XNoot
3

Zie noot 1, antwoord op vraag 4.

XNoot
4

Aanhangsel van de Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2000–2001, nr. 372.

XNoot
5

Zie noot 4, antwoord op vraag 2.

XNoot
1

Zie noot 4, antwoord op vraag 4.

XNoot
2

Aanhangsel van de Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2000–2001, nr. 654.

XNoot
3

Zie noot 7, antwoord op vraag 5.

XNoot
4

Zie noot 4, antwoord op vraag 7.

Naar boven