28 191
Voorstel van wet van het lid Ravestein tot wijziging van de Monumentenwet (nadere regels omtrent de advisering door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg)

nr. 4
VOORSTEL VAN WET ZOALS GEWIJZIGD NAAR AANLEIDING VAN HET ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere regels te stellen omtrent de advisering door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg over een aanvraag tot sloop van een monument en daartoe de Monumentenwet te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Monumentenwet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 16 wordt, onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot vierde tot en met achtste lid, een nieuw derde lid ingevoegd, luidende:

3. Het in het tweede lid bedoelde advies van onze minister beperkt zich tot de monumentale waarde van het beschermde monument.

B

In artikel 17, vierde lid, wordt «vierde en vijfde lid» vervangen door «vijfde en zesde lid» en wordt «zevende lid» vervangen door: achtste lid.

C

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder a, wordt «artikel 16, derde lid» vervangen door: artikel 16, vierde lid.

2. In het eerste lid, onder b, wordt «vijfde lid» vervangen door: zesde lid

ARTIKEL II

Ten aanzien van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds ingediende aanvragen tot het verlenen van een vergunning als bedoeld in artkel 11, blijft artkel 16, zoals dat laatstelijk voor bedoeld tijdstip luidde, van toepassing.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Naar boven