nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nadere regels
te stellen omtrent de advisering door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg
over een aanvraag tot sloop van een monument en daartoe de Monumentenwet te
wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Monumentenwet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 16 worden, onder vernummering van het derde tot en met zevende
lid tot vijfde tot en met negende lid, een nieuw derde en vierde lid ingevoegd,
luidende:
3. Het in het tweede lid bedoelde advies van onze minister beperkt zich
tot het de monumentale waarde van het beschermde monument.
4. Onze minister kan met redenen omkleed afwijken van het bepaalde in
lid 3.
B
In artikel 17, vierde lid, wordt «vierde en vijfde lid» vervangen
door «zesde en zevende lid» en wordt «zevende lid»
vervangen door: negende lid.
C
Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, sub a, wordt «artikel 16, derde lid»
vervangen door: artikel 16, vijfde lid.
2. In het eerste lid, sub b, wordt «vijfde lid» vervangen
door: zevende lid
ARTIKEL II
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand
na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,