Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200228189 nr. 7

28 189
Wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 in verband met de invoering van bedrijfseconomisch toezicht op instellingen voor elektronisch geld

nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 22 maart 2002

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In de considerans wordt de zinsnede «richtlijn nr. 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomische toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld en richtlijn nr. 2000/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 september tot wijziging van Richtlijn 2000/12/EG betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen in de Wet toezicht kredietwezen 1992 te verwerken» vervangen door: richtlijn nr. 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomische toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (PbEG L 275) en richtlijn nr. 2000/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 tot wijziging van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 275) in de Wet toezicht kredietwezen 1992 te verwerken.

B

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van de punten 1 tot en met 3 tot 2 tot en met 4 wordt een punt ingevoegd, luidende

1. In artikel 2, eerste lid, onder c, wordt het tweede woord «kredietinstellingen» vervangen door: kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.

2. In punt 2 (nieuw) komt «17, eerste lid,» te vervallen.

3. In punt 4 (nieuw) wordt voor «84, eerste lid» ingevoegd: 4, eerste lid,.

2. In onderdeel C wordt in artikel 1a «artikel 1, onderdeel a, onder 2°» vervangen door: artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°.

3. In onderdeel D wordt in artikel 6, derde lid, de zinsnede «ondernemingen of instellingen» vervangen door: onderneming of instelling.

4. Onderdeel F komt te luiden:

F

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «de artikelen 10, 11, of 30» telkens vervangen door: de artikelen 7a, 10, 11 of 30.

2. In het eerste lid wordt aan het slot van onderdeel b na de puntkomma toegevoegd: onderscheidenlijk.

3. In het eerste lid vervalt onderdeel d.

4. Aan het slot van het eerste lid wordt «, de verklaring, bedoeld in artikel 30, tweede lid, betreffende de jaarrekening over een door de Bank te bepalen boekjaar wordt gegeven die inhoudt dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar, onderscheidenlijk wordt voldaan aan het krachtens artikel 85a bepaalde« vervangen door: onderscheidenlijk de verklaring, bedoeld in artikel 30, tweede lid, betreffende de jaarrekening over een door de Bank te bepalen boekjaar wordt gegeven die inhoudt dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar.

5. Onder vernummering van het tweede lid tot het zesde lid worden na het eerste lid vier leden ingevoegd, luidende:

2. Onze minister kan, indien de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde, de bevoegde organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken dat, binnen een in de aanwijzing te bepalen termijn, wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het geven van een aanwijzing worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

4. Een overdracht als bedoeld in het derde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

a. hij dient in staat te zijn de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid naar behoren uit te oefenen;

b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke uitoefening van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid is gewaarborgd.

5. Aan de overdracht, bedoeld in het derde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

5. Onderdeel G komt te luiden:

G

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder c, wordt «de artikelen 10, 11 of 30» vervangen door: de artikelen 7a, 10, 11 of 30.

2. In het eerste lid vervalt onderdeel f en worden de onderdelen g en h verletterd tot f en g.

6. Onderdeel I vervalt.

7. Onderdeel L wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 30b, derde lid, onderdeel a, wordt «tenminste» vervangen door: ten minste.

2. In artikel 30d, eerste lid, eerste volzin, wordt na «wordt» een komma geplaatst.

3. In artikel 30d, vijfde lid, tweede volzin, vervalt de zinsnede «van Onze minister dan wel namens Onze minister».

8. In onderdeel M wordt in artikel 31, vijfde lid, de zinsnede «ondernemingen of instellingen» vervangen door: onderneming of instelling.

9. In onderdeel N wordt in artikel 32, vierde lid, de zinsnede «ondernemingen of instellingen» vervangen door: onderneming of instelling.

10. In onderdeel O wordt artikel 32a als volgt gewijzigd:

1. De aanduiding «1» voor het eerste lid vervalt.

2. Het tweede lid vervalt.

11. Na onderdeel P wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

P1

Na artikel 38 wordt een artikel ingevoegd, luidende

Artikel 38a

1. Het is een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde onderneming of instelling verboden door middel van het verrichten van diensten in Nederland gelden ter beschikking te krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, waarmee betalingen kunnen worden verricht ook aan anderen dan de onderneming of instelling die het elektronisch geld uitgeeft.

2. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

3. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

12. Na onderdeel Q wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Q1

Artikel 42 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Artikel 30e is van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen.

13. In onderdeel T wordt achter de zinsnede «niet voldoen aan» ingevoegd: de richtlijnen als bedoeld in.

14. Onderdeel V komt te luiden:

V

Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt onder verlettering van onderdeel c tot d een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

c. in afwijking van het bepaalde in artikel 30d de beslissing van de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, voor een bepaalde termijn wordt opgeschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 30d, derde lid, dan wel dat de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, slechts in een door Onze minister te bepalen aantal gevallen meedeelt dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen; en.

2. In het eerste lid wordt in onderdeel d (nieuw) na «32» ingevoegd: dan wel 32a.

3. Het derde lid komt te luiden:

3. De Bank doet onverwijld mededeling aan Onze minister van iedere aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onder a, van iedere aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid, onder b, en van iedere inkennisstelling als bedoeld in het eerste lid, onder c.

15. Na onderdeel V wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

V1

In artikel 82, tweede lid, wordt in onderdeel a na «ondernemingen en instellingen» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°,.

16. Onderdeel W komt te luiden:

W

Artikel 85a, derde lid, komt te luiden:

3. Onze minister is belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit artikel bepaalde. De artikelen 53 en 54 zijn van overeenkomstige toepassing.

17. Onderdeel X wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 85b, eerst lid, komt te luiden:

1. Het door een kredietinstelling uitgegeven elektronisch geld vertegenwoordigt een waarde die ten minste gelijk is aan de waarde van de voor de uitgifte ontvangen gelden.

2. Artikel 85b, vierde lid, komt te luiden:

4. Onze minister is belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit artikel bepaalde. De artikelen 53 en 54 zijn van overeenkomstige toepassing.

3. In artikel 85b, vijfde lid, vervalt telkens de zinsnede «en de artikelen 90b tot en met 90m».

18. Onderdeel Z komt te luiden:

Z

In artikel 89a, eerste lid, wordt de zinsnede «een voorgenomen besluit als bedoeld in artikel 1, derde lid, of een vrijstelling als bedoeld in artikel 82, derde lid, of artikel 83, derde lid» vervangen door: een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 6, tweede lid, 31, vierde lid, 32, derde lid, 38, derde lid, 38a, tweede lid, 82, derde lid, of 83, derde lid.

19. Na onderdeel Z wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Z1

In artikel 90, tweede lid, wordt na «29,» ingevoegd: 30e,.

20. Onderdeel AA komt te luiden:

AA

Artikel 90b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «6,» ingevoegd: «eerste, tweede en derde lid,», wordt na «7,» ingevoegd «7a, eerste en tweede lid,«, wordt «14, eerste en tweede lid» vervangen door «14, eerste, tweede en zesde lid», wordt na «16, zesde en achtste lid,» ingevoegd «16a, zesde lid,», wordt na «30, eerste lid, en tweede lid, eerste volzin,» ingevoegd «30d, eerste, tweede en vierde lid,», wordt «31, eerste lid, onder a, en tweede lid» vervangen door «31, eerste lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid», wordt «32, eerste lid, onder a, en tweede lid,» vervangen door «32, eerste lid, onder a, tweede, derde en vierde lid, 32a, onder a,», wordt «38,» vervangen door «38, eerste, tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde lid,», en wordt «85 en 85a,» vervangen door «85, 85a, eerste lid, en 85b, eerste en tweede lid,».

2. Na het derde lid worden drie leden toegevoegd, luidende:

4. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het opleggen van een last onder dwangsom worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

5. Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid naar behoren uit te oefenen;

b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke uitoefening van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid is gewaarborgd.

6. Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

21. Onderdeel BB komt te luiden:

BB

Artikel 90c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «6,» ingevoegd «eerste, tweede en derde lid,», wordt na 7,» ingevoegd «7a, eerste en tweede lid,», wordt 14, eerste en tweede lid» vervangen door «14, eerste, tweede en zesde lid«, wordt «16a, eerste lid,» vervangen door «16a, eerste, tweede, vijfde, en zesde lid, 16b, eerste lid,», wordt na «30, eerste lid, en tweede lid, eerste volzin, vierde en vijfde lid,» ingevoegd «30d, eerste, tweede en vierde lid,», wordt «31, eerste lid, onder a, en tweede lid» vervangen door «31, eerste lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid», wordt «32, eerste lid, onder a, onder b, en tweede lid,» vervangen door «32, eerste lid, onder a, onder b, tweede, derde en vierde lid, 32a, onder a en onder b,» wordt «38,» vervangen door «38, eerste, tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde lid,», wordt «56, eerste en tweede lid,» vervangen door «56, eerste, tweede en derde lid,», en wordt «85 en 85a,» vervangen door «85, 85a, eerste lid, en 85b, eerste en tweede lid,»

2. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het opleggen van een bestuurlijke boete worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen. Het vierde en vijfde lid van artikel 90b zijn van overeenkomstige toepassing.

22. Onderdeel DD komt te luiden:

DD

De bijlage, bedoeld in artikel 90d, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In tabel 1 wordt na «7» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «7a, eerste lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3» en «7a, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3» wordt na «14, eerste lid« met het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «14, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «4», wordt na «16a, eerste lid» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «16a, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «1», 16a, vijfde lid« met het daarbij behorende tariefnummer «1», 16a, zesde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «4» en «16b, eerste lid« met het daarbij behorende tariefnummer «1» wordt na «30, tweede lid, eerste volzin» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «30d, vierde lid« met het daarbij behorende tariefnummer «2» wordt na «37» en het daarbijbehorende tariefnummer ingevoegd »38, tweede lid« met het daarbij behorende tariefnummer «4», wordt na «56, tweede lid» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «56, derde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «4», en wordt na «85» en het daarbij behorende tariefnummer toegevoegd «85b, eerste lid» met het daarbij behorende tariefnummer «W» en «85b, tweede lid« met het daarbij behorende tariefnummer «4».

2. In tabel 2 wordt «6»vervangen door «6, eerste lid», wordt na «6, eerste lid« en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd »6, tweede lid« met het daarbij behorende tariefnummer «3» en «6, derde lid« met het daarbij behorende tariefnummer «3», wordt «14, tweede lid» vervangen door «14, zesde lid«, wordt na «30, vijfde lid» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «30d, eerste lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3» en «30d, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «2», wordt na «31, eerste lid, onder a» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «31, vierde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3» en «31, vijfde lid« met het daarbij behorende tariefnummer «3», wordt na «32, eerste lid, onder b» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «32, derde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3», «32, vierde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3», «32a, eerste lid, onder a» met het daarbij behorende tariefnummer «4» en «32a, onder b» met het daarbij behorende tariefnummer «1» wordt «38» vervangen door «38, eerste lid», wordt na «38, eerste lid» en het daarbij behorende tariefnummer ingevoegd «38, derde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3», «38, vierde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3», «8a, eerste lid» met het daarbij behorende tariefnummer «4», «38a, tweede lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3» en «38a, derde lid» met het daarbij behorende tariefnummer «3».

C

Artikel II wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel A komt te luiden:

A

In titel 11 van de Faillissementswet komt het opschrift van de Tweede afdeling B te luiden: Van de verlening van surséance van betaling aan een kredietinstelling, die ingevolge artikel 6, tweede of derde lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk ontheven van artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, een kredietinstelling, die ingevolge artikel 31, vierde of vijfde lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk ontheven van artikel 31, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, een kredietinstelling, die ingevolge artikel 38, derde of vierde lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk ontheven van artikel 38, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, een financiële instelling, een effecteninstelling of een andere instelling, genoemd in artikel 281g.

2. Onderdeel B komt te luiden:

B

Artikel 281 g van de Faillissementswet wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

a. een kredietinstelling, die door de Minister van Financiën op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is vrijgesteld van het verbod van artikel 6, eerste lid, van die wet;.

2. Onderdeel b komt te luiden:

b. een kredietinstelling, die door de Minister van Financiën op grond van artikel 31, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is vrijgesteld van het verbod van artikel 31, eerste lid, van die wet;.

3. Onder verlettering van de onderdelen c tot en met g tot g tot en met k worden vier nieuwe onderdelen ingevoegd, luidende:

c. een kredietinstelling, die door de Minister van Financiën op grond van artikel 38, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is vrijgesteld van het verbod van artikel 38, eerste lid, van die wet;

d. een kredietinstelling, die door De Nederlandsche Bank N.V. op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is ontheven van het verbod van artikel 6, eerste lid, van die wet;

e. een kredietinstelling, die door De Nederlandsche Bank N.V. op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is ontheven van het verbod van artikel 31, eerste lid, van die wet;

f. een kredietinstelling, die door De Nederlandsche Bank N.V. op grond van artikel 38, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is ontheven van het verbod van artikel 38, eerste lid, van die wet;.

D

Artikel III wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt.

2. De aanduiding «2.» voor het tweede lid vervalt.

E

In artikel IV wordt na «38» ingevoegd: , eerste lid, 38a, eerste lid en vervalt «82a, eerste en derde lid,».

F

Na artikel V worden de volgende artikelen ingevoegd:

ARTIKEL Va

In artikel 15, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, van de Algemene bijstandswet wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en.

ARTIKEL Vb

Het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 345, tweede lid, van Boek 1 wordt na «kredietinstellingen» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

2. In artikel 436, vierde lid, van Boek l wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

3. In artikel 89a, tweede lid, van Boek 2 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

4. In artikel 93a, derde lid, van Boek 2 wordt na de woorden «afgelegd door een bankier» ingevoegd: , die een kredietinstelling is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en.

5. In artikel 98, zevende lid, van Boek 2 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

6. In artikel 98c, derde lid, van Boek 2 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

7. In artikel 203a, derde lid, van Boek 2 wordt na de woorden «afgelegd door een bankier ingevoegd: , die een kredietinstelling is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en.

8. In artikel 415 van Boek 2 wordt na «kredietinstellingen» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

ARTIKEL Vc

In artikel 18a, zesde lid, van de Brandweerwet 1985 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vd

De Coördinatiewet sociale verzekering wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 16a, vierde lid, wordt na de woorden «Met toezicht kredietwezen 1992» ingevoegd: en die een kredietinstelling is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet,.

2. In artikel 16b, vijfde lid, wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

ARTIKEL Ve

In artikel 19, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet wordt na «kredietinstelling» in de eerste volzin ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

ARTIKEL Vf

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 5.14, tweede lid, onderdeel a, wordt «kredietinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 1992» vervangen door: kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, de Wet toezicht kredietwezen 1992.

2. In artikel 5.15, tweede lid, onderdeel a, wordt «kredietinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 1992» vervangen door: kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, de Wet toezicht kredietwezen 1992.

3. In artikel 5.18a, tweede lid, onderdeel a, wordt «kredietinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 199211 vervangen door: kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vg

De Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 34, derde lid, wordt na de woorden «Wet toezicht kredietwezen 1992» ingevoegd: en die een kredietinstelling is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet,.

2. In artikel 35, vijfde lid, wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

ARTIKEL Vh

In artikel 59, tweede lid, van de Onteigeningswet wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van die wet.

ARTIKEL Vi

In artikel 2, tweede lid, van de Vestigingswet bedrijven 1954 worden in het onderdeel bankbedrijf de woorden «handelsbank, spaarbank, hypotheekbank, landbouwkredietbank» vervangen door: kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vj

In artikel 27, eerste lid, onderdeel c, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften wordt «artikel 1» vervangen door: artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°,.

ARTIKEL Vk

In artikel 15, zevende lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vl

In artikel 75, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vm

In artikel 25, eerste lid, van de Wet op het notarisambt wordt in de eerste volzin na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vn

In artikel 10, vijfde lid, van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vo

In artikel 18, vijfde lid, van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vp

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 445 wordt na «kredietinstelling» ingevoegd: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

2. In artikel 1001, zevende lid, wordt «bank» vervangen door: een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

ARTIKEL Vq

In artikel 576 van het Wetboek van Strafvordering wordt «artikel 1 » vervangen door: artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°,.

ARTIKEL Vr

Indien het bij koninklijk boodschap van 23 juli 2001 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Ziektewet en enkele andere wetten in verband met de invoering van eigenrisicodragen door de werkgever (kamerstukken II 2000/2001, 27 873, nr. 2) tot wet wordt verheven en in werking treedt na het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt met ingang van het tijdstip waarop die wet in werking treedt in artikel 63, vierde lid, van de Ziektewet «geregistreerde kredietinstelling» vervangen door: geregistreerde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.

ARTIKEL Vs

Indien het bij koninklijk boodschap van 23 juli 2001 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Ziektewet en enkele andere wetten in verband met de invoering van eigenrisicodragen door de werkgever (kamerstukken II 2000/2001, 27 873, nr. 2) tot wet wordt verheven en in werking treedt voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, wordt met ingang van het tijdstip waarop deze wet in werking treedt in artikel 63, vierde lid, van de Ziektewet «geregistreerde kredietinstelling» vervangen door: kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°.

Toelichting

Algemeen

De onderhavige Nota van Wijziging heeft tot doel op een aantal onderdelen inconsistenties van redactionele en wetstechnische aard te verhelpen. Voorts wordt een aantal slotbepalingen aan het wetsvoorstel toegevoegd dat samenhangt met de uitbreiding van de definitie van kredietinstelling.

Artikelsgewijs

A. Considerans

Dit betreft een tekstuele aanpassing teneinde de titel van de richtlijnen juist weer te geven.

B. Artikel I

1.

Onderdeel A

De wijzigingen van onderdeel A hangen samen met de uitbreiding van de definitie van kredietinstelling. Anders dan bij traditionele kredietinstellingen het geval is, is het onderscheid tussen solvabiliteits- en liquiditeitstoezicht bij instellingen voor elektronisch geld minder scherp te trekken. Daarom bepaalt de Richtlijn elektronisch geld dat het gehele bedrijfseconomische toezicht op instellingen voor elektronisch geld bij de toezichthouder van de lidstaat van herkomst berust. Dit in tegenstelling tot het toezicht op traditionele kredietinstellingen waarbij het liquiditeitstoezicht bij de lidstaat van ontvangst berust. De toevoeging van artikel 2, eerste lid, onder c, beoogt dit tot uitdrukking te brengen. De toevoeging van artikel 4, eerste lid, beoogt te verduidelijken dat het specifieke toezichtregime op de kredietinstellingen die aangesloten zijn bij een centrale kredietinstelling slechts betrekking heeft op het uitoefenen van het bedrijf van traditionele kredietinstelling.

2 en 3

Onderdelen C en D

Deze wijzigingen zijn van redactionele aard.

4 en 5

Onderdelen F en G

Op grond van artikel 14 van de Wtk 1992 kan de Bank een kredietinstelling die niet of niet langer aan één van de daarin genoemde eisen voldoet, een aanwijzing geven. Artikel 15 bevat de gronden voor intrekking van de vergunning, indien de kredietinstelling niet of niet langer aan één van de daarin genoemde eisen voldoet. Door toevoeging van artikel 7a (beperking toegestane werkzaamheden) aan de artikelen 14 en 15 krijgt de Bank de mogelijkheid tot het geven van een aanwijzing respectievelijk het intrekken van de vergunning voor het geval een instelling voor elektronisch geld zich niet houdt aan het bepaalde in artikel 7a.

De overige wijzigingen van artikel 14 en 15 hangen samen met de wijzigingen van de artikelen 85a en 85b, 90b en 90c. Deze wijzigingen tezamen beogen duidelijker tot uitdrukking te brengen dat de Minister van Financiën degene is, die toeziet op de naleving van de voorschriften van de artikelen 85a en 85b. De toevoeging van de leden twee tot en met vijf aan artikel 14 verduidelijken dat de Minister van Financiën de bevoegdheid toekomt tot het geven van een aanwijzing bij niet naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 85a en 85b en dat hij deze bevoegdheid kan overdragen aan een andere toezichthouder.

In artikel 15, eerste lid, komt onderdeel f te vervallen, aangezien de Bank niet de bevoegde toezichthouder is voor de naleving van hetgeen bij of krachtens de artikelen 85a en 85b is bepaald.

6

Onderdeel I

Aangezien het huidige artikel 17 welbeschouwd zonder meer ook kan gelden voor instellingen voor elektronisch geld, is het voorgestelde artikel 17a overbodig. Dit artikel vervalt daarom. Het komen vervallen van artikel 17a heeft tot gevolg dat artikel 17, eerste lid, uit onderdeel A wordt geschrapt.

7

Onderdeel L

Het betreft hier redactionele wijzigingen van de artikelen 30b, derde lid, onder a, en 30d, eerste lid, eerste volzin. Voor de zinsnede «van Onze minister dan wel namens Onze minister» in artikel 30d, vijfde lid, tweede volzin, bestaat geen grond, aangezien de Minister van Financiën niet betrokken is bij het beoordelen van gekwalificeerde deelnemingen op grond van dit artikel.

8 en 9

Onderdelen M en N

Deze wijzigingen zijn van redactionele aard.

10

Onderdeel O

Bij de definitie van instelling voor elektronisch geld in het wetsvoorstel is niet gekozen voor een ruimere definitie van instelling voor elektronisch geld dan de communautaire definitie van instelling voor elektronisch geld. Hierdoor kan zich niet de situatie voordoen dat een instelling voor elektronisch geld, die in een andere lidstaat van de Europese Unie is gevestigd en daar niet onder de definitie valt, in Nederland wel onder de definitie valt. Bij traditionele kredietinstellingen kan zich die situatie wel voordoen. Daarom is het nodig om voor traditionele kredietinstellingen de mogelijkheid van vrijstelling en ontheffing te scheppen. Voor instellingen voor elektronisch geld hoeft dat dus niet. Dit betekent dat een instelling voor elektronisch geld die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar is vrijgesteld zich niet op de Nederlandse markt kan begeven met een beroep op de wederzijdse erkenning. Eventuele werkzaamheden van dergelijke instellingen kunnen in Nederland dan ook niet worden vrijgesteld. Beschikt de instelling daarentegen over een vergunning, dan kan zij een beroep doen op haar «Europees paspoort» om de Nederlandse markt te betreden. De instelling staat in dat geval volledig onder toezicht van het land van herkomst. Nederland kan als lidstaat van ontvangst geen eisen aan deze instelling stellen, zodat ook geen vrijstelling of ontheffing hiervan kan worden verleend. Om deze reden kan het tweede lid van het voorgestelde artikel 32a komen te vervallen.

11

Onderdeel P1

Artikel 38a vervangt het in het oorspronkelijke voorstel van wet opgenomen artikel 82a. Omdat het verbod in dit artikel van toepassing is op instellingen voor elektronisch geld, gevestigd in een staat buiten de Europese Unie, die door middel van het verrichten van diensten in Nederland het bedrijf van kredietinstelling willen uitoefenen – het ter beschikking krijgen van gelden tegen uitgifte van elektronisch geld is immers niets anders dan dat – is het logischer dat dit verbod direct achter artikel 38 wordt opgenomen in plaats van achter artikel 82. Deze vervanging heeft tevens aanleiding gegeven tot redactionele aanpassingen.

12

Onderdeel Q1

Deze wijziging geeft de Bank de mogelijkheid om een aanwijzing te geven aan het bijkantoor in Nederland van een instelling die is gevestigd in een staat die niet een lidstaat is, indien de Bank constateert dat het bijkantoor de richtlijnen als bedoeld in de artikelen 30b en 30c niet naleeft of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling die de liquiditeit en de solvabiliteit van het bijkantoor in gevaar brengt of zou kunnen brengen.

13

Onderdeel T

Het betreft hier een redactionele aanpassing.

14

Onderdeel V

De wijziging heeft tot doel het artikel ook van toepassing te doen zijn op instellingen voor elektronisch geld.

15

Onderdeel V1

Het betreft hier een wijziging die samenhangt met de uitbreiding van de definitie van kredietinstelling. Na de voorgestelde wijziging bepaalt artikel 82 zekerheidshalve uitdrukkelijk dat het in het eerste lid genoemde verbod uitsluitend ten aanzien van de traditionele kredietinstelling geen toepassing vindt.

16 en 17

Onderdelen W en X

Het voorgestelde artikel 85b, eerste lid, zou aanleiding kunnen geven tot het misverstand, dat het hier gaat om een beperking van de reikwijdte van de definitie van instelling voor elektronisch geld. Daarom is deze bepaling zo aangepast, dat duidelijk blijkt dat de bepaling een voorschrift is dat op alle kredietinstellingen van toepassing is. Voor de overige wijzigingen wordt verwezen naar de toelichting bij de onderdelen F en G.

18

Onderdeel Z

Deze wijziging is wetstechnisch van aard.

19

Onderdeel Z1

In geval van beroep tegen een besluit van de Bank genomen op grond van het voorgestelde artikel 30e dient de terechtzitting, evenals bij beroep tegen een besluit genomen op grond van artikel 28, achter gesloten deuren plaats te vinden.

20, 21 en 22

Onderdelen AA, BB en DD

De toevoeging van een vierde, vijfde en zesde lid aan artikel 90b en een vierde lid aan artikel 90c hangt samen met de aanpassing van de systematiek van de artikelen 85a en 85b. Verwezen wordt naar de toelichting bij de onderdelen F en G. Hierdoor komt beter tot uitdrukking dat de Minister van Financiën zijn bevoegdheid tot het opleggen van een boete of dwangsom kan overdragen aan een of meer rechtspersonen. De overige wijzigingen in de onderdelen AA, BB en DD zijn een gevolg van de aanpassingen die voortvloeien uit het voorgestelde in deze Nota van Wijziging of betreffen verduidelijkingen ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel.

C. Artikel II

1 en 2

Onderdelen A en B

De hier voorgestelde wijzigingen betreffen redactionele verbeteringen ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel. Hierdoor komt beter tot uiting op welke soort kredietinstelling de betreffende bepaling van toepassing is.

D. Artikel III

Omdat krachtens artikel 5, eerste lid, onder a, van de richtlijn elektronisch geld ook instellingen voor elektronisch geld leningen mogen verstrekken onder garantie van de centrale overheid is artikel III daartoe gewijzigd.

E. Artikel IV

Deze wijziging hangt samen met de hiervoor onder artikel I, onderdeel P1 besproken invoeging van artikel 38a.

F. Artikel Va tot en met Vs

De hier toegevoegde slotbepalingen hangen samen met de uitbreiding van de definitie van kredietinstelling. Hierdoor wordt verduidelijkt op welke soort kredietinstelling de betreffende bepalingen in andere wetten van toepassing zijn.

De Minister van Financiën,

G. Zalm