Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200628165 nr. 41

28 165
Deelnemingenbeleid Rijksoverheid

nr. 41
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 juni 2006

Op 30 maart van dit jaar heb ik met de Vaste Commissie voor Financiën van uw Kamer gesproken over onder meer mijn vervreemdingsvoornemen van aandelen in de N.V. Westerscheldetunnel. Voorafgaand aan dit overleg heb ik uw Kamer gemeld akkoord te zijn met Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland om gezamenlijk het belang in de N.V. Westerscheldetunnel te vervreemden.

Verschillende overwegingen lagen aan de basis van dit voornemen tot vervreemding. Door vervreemding van de N.V. Westerscheldetunnel wordt het exploitatierisico bij private partijen gelegd. Het projectrendement kan direct worden vastgesteld alsmede het zogenaamde overrendement (projectrendement boven 7,5%) dat beschikbaar gesteld kon worden voor een verbetering van de Kanaalkruising bij Sluiskil. Vervreemding van de Westerscheldetunnel zal naar mijn mening, mede gelet op de recente markttransacties in vergelijkbare Europese infrastructuurondernemingen, in financieel-economische zin gunstig uit pakken voor de Staat. De Tunnelwet biedt verder de basis voor de borging van relevante publieke belangen. Door middel van een concessieovereenkomst kan nauwgezet bepaald worden dat de dienstverlening minimaal op het huidige niveau gehandhaafd blijft bij private exploitatie.

De aanleg van de Westerscheldetunnel was een regionaal project, waarbij het Ministerie van Financiën betrokken is geraakt om op basis van zakelijke overwegingen een business case op te stellen. Gezamenlijk is destijds door Rijk en Provincie besloten om onder voorwaarden een privaatrechtelijke N.V. op te richten met als doelstelling de bouw en rendabele exploitatie van de Westerscheldetunnel. Om die reden hechtte ik er belang aan dat mijn Ministerie bij een vervreemdingsproces gezamenlijk met de provincie op zou trekken.

In afwijking van het standpunt van Gedeputeerde Staten heeft tot mijn verbazing Provinciale Staten op 21 april 2006 een motie tegen privatisering van de N.V. Westerscheldetunnel aangenomen. Op 13 juni heeft Gedeputeerde Staten mij gemeld dat de Provincie Zeeland een vervreemding van de NV Westerscheldetunnel niet wenselijk acht. Een optie voor het Rijk zou nog zijn de aandelen over te dragen aan de Provincie Zeeland. Het is echter de vraag of de Provincie bereid is aandelen te verwerven en de marktwaarde hiervoor te betalen.

Hiermee komen de voorbereidingen voor vervreemding van de Westerscheldetunnel tot stilstand. Dit heeft als consequentie, dat van Rijkszijde er nu geen middelen beschikbaar zijn voor realisatie van een tunnel bij Sluiskil. Immers, bij vervreemding zou er zekerheid ontstaan over het beschikbare overrendement. Nu kan pas in 2033, na de voorziene afloop van de tolperiode, het overrendement bepaald worden en bezien worden hoeveel middelen er beschikbaar zijn voor Sluiskil.

Waar ik u eerder meldde dat ik door vervreemding alsnog uitvoering kon geven aan de motie Geluk (Kamerstukken 2002–2003, 17 741, nr. 44), moet ik nu constateren dat uitvoering van de motie thans niet aan de orde is. Het is nu te vroeg om te bepalen hoeveel overrendement beschikbaar is en middelen beschikbaar te stellen. Ter illustratie: het rendement van de Westerscheldetunnel lag in 2005 op 3,6%, hetgeen beduidend minder is dan het afgesproken projectrendement van 7,5%. Vooralsnog is er dus geen sprake van overrendement. Er is binnen de Provincie onvoldoende draagvlak gebleken om door vervreemding van de N.V. Westerscheldetunnel het proces van realisatie van een tunnel bij Sluiskil te bespoedigen.

Mogelijk zal de Provincie trachten op een alternatieve manier financiering voor de tunnel bij Sluiskil te arrangeren. Voorstellen hiertoe zal ik zakelijk beoordelen. Randvoorwaarde is dat de financiële positie van de Staat (ook als aandeelhouder in de N.V. Westerscheldetunnel) niet geschaad wordt en de Provincie Zeeland bereid is de financiële risico’s van het project voor haar rekening te nemen.

In het debat van 30 maart heb ik uw Kamer toegezegd, in het licht van een vervreemding van de N.V. Westerscheldetunnel, nadere informatie te verschaffen ten behoeve van een vervolgoverleg. Gelet op de ontstane situatie lijkt verder overleg met uw Kamer mij niet voor de hand te liggen.

De Minister van Financiën,

G. Zalm