28 122
Hervorming van het toezicht op de financiële marktsector

nr. 25
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 19 december 2007

De vaste commissie voor Financiën1 heeft op 1 november 2007 overleg gevoerd met viceminister-president, minister Bos van Financiën over:

– het jaarverslag van De Nederlandsche Bank over 2006, ZBO-verantwoording van De Nederlandsche Bank over 2006 en het jaarverslag van de Autoriteit Financiële Markten over 2006 (30 800 IXB, nr. 36);

– de (eerste) evaluatie van De Nederlandsche Bank NV en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer (29 411, nr. 22);

– de evaluatie van de bekostiging van het financieel toezicht (28 122, nr. 22);

– internationale vergelijking kosten en tarieven financieel toezicht (28 122, nr. 23).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Blanksma-van den Heuvel (CDA) wijst op het belang van een effectief en efficiënt financieel toezicht dat in Europees perspectief qua kwaliteit en kosten kan concurreren waarbij financiële stabiliteit en vertrouwen voorop behoren te staan.

De Nederlandsche Bank (DNB) houdt prudentieel toezicht op de financiële instellingen en beoordeelt of zij voldoende vermogen hebben om aan hun verplichtingen te voldoen en of hun bedrijfsvoering solide en integer is. Dit toezicht moet voorkomen dat financiële instellingen omvallen en dat de financiële stabiliteit in Nederland in gevaar komt. Uit de faillissementen van onder meer Vie d’Or en Van der Hoop moeten lessen worden getrokken.

De financiële sector wordt steeds meer internationaal georiënteerd. Actuele ontwikkelingen in de financiële wereld kunnen aanleiding zijn om de toezichtsstrategie te herijken en aan te scherpen. De vraag is of de recente hypothekencrisis in de VS op korte en/of lange termijn de financiële stabiliteit van de Nederlandse financiële sector direct dan wel indirect raakt. Is de strategie voor het financieel toezicht hiertoe voldoende of verdient ze aanscherping?

De intransparantie van hedgefunds en private-equityfondsen en de beperkte ervaringen die veel instellingen hiermee hebben, vragen om strak toezicht van DNB. Hoe geeft DNB hieraan vorm?

DNB heeft zijn kosten en personeelsbestand goed in de hand. De afgelopen vier jaar zijn de kosten met 0,7% gestegen, ruim beneden het inflatiepercentage. De kostenreductiedoelstelling zoals opgenomen in het regeerakkoord mag volgens mevrouw Blanksma echter niet ten koste gaan van het toezicht op de ontvlechting van ABN AMRO. Heeft de minister inzicht in de extra kosten die dit met zich zal brengen en wie deze uiteindelijk zal betalen?

De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt toezicht op het gedrag en de informatieverstrekking van alle partijen op de financiële markten in Nederland. Onderzoek uit 2006 met als titel «Maakt de AFM het verschil?» geeft aan wat de toegevoegde waarde is. Desondanks mag de realiteit niet uit het oog worden verloren. Zo is de vraag of er nog enige relatie is tussen de kosten en de baten. De AFM is een groeiende instelling. De afgelopen vier jaar zijn de kosten met maar liefst 35% gestegen. Hoe verhoudt deze stijging zich tot de kwaliteit van de output? Is die met datzelfde percentage gestegen? Voor de komende periode is de uitdaging om de afspraken in het regeerakkoord te effectueren zonder dat aan de output en de kwaliteit wordt getornd.

In vergelijking met andere landen heeft Nederland zijn toezicht met name ingericht op basis van regels en op 100% controle. De reeds ingezette omslag van «rule based» naar «principle based» heeft op termijn veel voordelen. Vooral door het beroep dat daardoor gedaan wordt op de eigen verantwoordelijkheid is een positieve impuls voor de output en de kwaliteit van het toezicht te verwachten en zullen kosten worden gereduceerd. Daar staat wat betreft mevrouw Blanksma wel tegenover dat als het vertrouwen beschaamd wordt, de boetes fors verhoogd moeten worden. Genoemde omslag vraagt bovendien mentaliteitsverandering van de medewerkers van de toezichthoudende instanties. Heeft de minister er zicht op hoe dit transitieproces intern verloopt bij de toezichthouders en bij de instellingen die onder toezicht staan? Hebben partijen het gevoel elkaar hierin te ondersteunen? Het zogenaamde «shaming and naming»-beleid mag pas dan worden toegepast als echt vaststaat dat de AFM in haar gelijk staat. Voorkomen moet worden dat in Nederland een claimcultuur ontstaat. De AFM is uiteindelijk aansprakelijk maar heeft voor dit soort calamiteiten geen budget zodat de sector zelf voor de kosten zou moeten opdraaien.

Een consument die € 50 000 of meer kan beleggen, moet zelf kunnen nagaan of dat verantwoord is. Aanpassing van de norm op dit punt is naar het oordeel van mevrouw Blanksma dan ook niet nodig. Tegelijkertijd moeten frauduleuze en louche instellingen hard worden aangepakt. Bovendien zou de sector zelf een keurmerk kunnen ontwikkelen om foute beleggingsfondsen uit te bannen. Ook aandacht in dit kader verdient het particuliere initiatief Helpdesk 113 dat beoogt om de consument snel en efficiënt te voorzien van informatie over beleggingsfondsen. Is de minister bereid dit initiatief te ondersteunen?

De per 1 januari 2007 van kracht geworden Gedragscode hypothecaire financieringen blijkt volgens de eerste bevindingen van de AFM niet goed te worden toegepast, met name ten aanzien van de kwaliteit van de advisering. Is de minister bereid om binnen een week schriftelijk te reageren op deze bevindingen?

Met het financieel toezicht in Nederland is een bedrag van 175 mln. gemoeid terwijl maar liefst 1036 personen in die sector werkzaam zijn. Zeker in internationaal perspectief zijn dit hoge cijfers. De onderzoekscijfers die nu ter bespreking voorliggen, hebben betrekking op het jaar 2005. Hoewel de desbetreffende gegevens enigszins gerelativeerd moeten worden vanwege de complexiteit van internationale vergelijkingen, is wel de trend waarneembaar dat de toezichtskosten in Nederland hoog zijn, met name ten opzichte van die in Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Kan de minister aangeven wat hiervan de oorzaak is? Kan het anders en goedkoper zonder de kwaliteit te schaden?

In Nederland is de totale doorberekening van toezichtskosten aan de sector bovengemiddeld ten opzichte van andere Europese landen. Wil de minister de systematiek van doorbelasting nader toelichten? Is er wel voldoende transparantie? Wordt er met de sector gecommuniceerd over een heldere kostendoorbelasting en zo ja, kan daar nog verdere invloed op worden uitgeoefend? De hoogte van kostendoorberekening heeft namelijk gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederland als vestigingsland.

Verder blijkt dat er Europees gezien geen level playing field is wat betreft toezichtskosten. Wat zal de inzet van de minister op dit punt zijn in Brussel en op welke termijn verwacht hij resultaat?

Uit de brief over de evaluatie van de bekostiging van het financieel toezicht (28 122, nr. 22) komt naar voren dat vooral kleine en nieuwe financiële instellingen tegen hoge toetredingsdrempels aanlopen hetgeen zeker in het licht van de ambitie om Nederland aantrekkelijk te maken voor financiële instellingen, geen wenselijke ontwikkeling is. Om welke bedragen gaat het hierbij precies? Aangezien verrekening binnen de sector niet haar voorkeur heeft, vraagt mevrouw Blanksma de minister te zoeken naar andere mogelijkheden om deze drempels weg te nemen.

De heer Tang (PvdA) constateert dat de voorliggende internationale vergelijking van de toezichtskosten leert dat Nederland zowel naar boven als naar beneden geen uitschieter is. Een meer opvallende bevinding is wel dat de doorberekeningsmethodiek van kosten verschilt van land tot land. Met name het al dan niet doorberekenen van kosten die met de centrale bank zijn gemoeid lijkt een verschil te maken. Dienen hierover, gelet op het uitgangspunt van het level playing field, in Europees verband niet hardere afspraken te worden gemaakt? Uit genoemde vergelijking blijkt verder dat in Nederland de kosten van toezicht voor met name kleine bedrijven relatief hoog zijn hetgeen strijdig lijkt met het actieplan van Holland Financial Centre waarin uitdrukkelijk aandacht voor innovatie en dynamiek wordt gevraagd. Is dit ongewenste effect niet belangrijk genoeg om de toerekening van de kosten te herzien?

De kostenverschillen tussen landen kunnen slechts in beperkte mate geduid worden. Zo is niet duidelijk of er verschillen zijn tussen landen ten aanzien van het functioneren van en/of het publieke vertrouwen in de financiële sector. Uit het jaarverslag van de AFM over 2006 komt naar voren dat dit vertrouwen in Nederland in 2006 aanzienlijk gedaald is ten opzichte van 2005, welke daling door de AFM wordt toegeschreven aan toenemende transparantie. In het verslag komen her en der praktijken naar boven die bij elkaar genomen geen vertrouwenwekkend beeld geven. Zo blijkt dat consumenten te veel krediet krijgen, dat hun nog steeds te veel misleidende reclame wordt voorgeschoteld, dat de financiële bijsluiter in de regel niet aan de financiële eisen voldoet, dat meerdere grote instellingen geen brede visie op de zorgplicht hebben en dat de aard en kwaliteit van gestructureerde producten door consumenten niet doorgrond kunnen worden. De beleidslijn van het kabinet is dat de consument kritischer en financieel bewuster moet worden gemaakt, maar punt is dat voor de consument financiële producten vaak even ondoorgrondelijk zijn als medische kwalen. De afhankelijkheid van adviezen is dan ook groot. Zoals niet vertrouwd dient te worden op de medische bijsluiter maar op de dokter, dient ook niet vertrouwd te worden op de financiële bijsluiter maar op de adviseur of de aanbieder in de financiële sector. Illustratief is, zoals uit pagina 66 van het voorliggende jaarverslag van de AFM blijkt, dat een meerderheid van de consumenten van oordeel is dat de verantwoordelijkheid voor het afsluiten van een financieel product voornamelijk bij de aanbieder ligt. Is bekend welke kosten en hoeveel mensjaren gemoeid zijn met CentiQ en wegen die wel op tegen de baten? Uit het jaarverslag blijkt dat de financiële bijsluiter in veel gevallen niet op orde is. Wordt geëvalueerd of de bijsluiter voldoende effect heeft, in de zin dat de consument de aard en de kwaliteit van de producten beter gaat doorgronden?

Een ander belangrijk aandachtspunt is preventie. De overheid kan weliswaar veel recherche-uren stoppen in het oplossen van slechts een paar van de vele fraudezaken, maar van belang is dat tevens geprobeerd wordt een belangrijk deel van deze zaken te voorkomen. Een mogelijkheid daartoe is het verhogen van de grens van € 50 000. Uit antwoorden op Kamervragen blijkt evenwel dat Europese wetgeving een dergelijke verhoging in de weg staat. Kan de minister dat toelichten? Daarnaast ondersteunt de heer Tang in dit kader het initiatief van een aantal fraude-experts tot het instellen van een telefonische hulplijn voor consumenten/beleggers. Ook de sector is hierbij gebaat, in de zin dat het kaf van het koren wordt gescheiden. Bovendien is er een direct belang voor de overheid, aangezien minder fraudezaken leiden tot minder opsporing en dus minder kosten. Publiek-private samenwerking op dit punt is dan ook zeer wel denkbaar. Is ook de minister bereid genoemd initiatief te ondersteunen? Is hij tevens bereid binnen drie maanden een voorstel hiertoe te ontwikkelen en dit vervolgens aan de Kamer voor te leggen?

Het jaarverslag van DNB 2006 gaat nadrukkelijk in op de risico’s, hetgeen ook inherent is aan prudentieel toezicht. Hierbij moet niet alleen oog zijn voor specifieke risico’s maar ook voor systeemrisico’s. Vooralsnog is onduidelijk of door betere internationale integratie van markten het systeemrisico is toe- of afgenomen.

DNB houdt stresstests voor financiële instellingen om na te gaan of zij macro-economische schokken kunnen doorstaan. Er zijn evenwel andere delen in de nieuwe economie die ook door grote schokken getroffen kunnen worden. In het jaarverslag valt op dat de loan to value ratio almaar stijgt. Met name starters steken zich in de schulden. Een neerwaartse spiraal is zeker denkbaar: lagere huizenprijzen, gedwongen verkopen, inzakkende consumptie en oplopende werkloosheid. Is de minister bekend met een analyse van het gevaar van zo’n neerwaartse spiraal? Zo niet, is hij bereid DNB een dergelijke analyse uit te laten voeren?

De heer Irrgang (SP) constateert mede op grond van de voorliggende stukken dat, hoewel de baten van het financieel toezicht moeilijk te kwalificeren zijn, er ten opzichte van andere Europese landen in Nederland sprake is van een relatief goed ontwikkeld financieel toezicht, hetgeen onverlet laat dat nog vele zaken verbetering behoeven. Bij dat laatste kan gerefereerd worden aan de woekerpolissen, de kredietreclames, de sms-leningen en de grootschalige oplichtingen rond beleggen in Dubai en Turkije. De conduits bemoeilijken in de praktijk het toezicht en leiden soms zelfs tot ontduiking aan het toezicht. In die zin is er dan ook reden genoeg om het krediettoezicht, bij voorkeur in internationaal verband aan te scherpen.

De vraag of toezichthouders «te duur» zijn, moet bezien worden op basis van zowel de kosten als de baten. Aangezien Nederland een relatief goed ontwikkeld financieel toezicht heeft, is het ook goed verdedigbaar dat de kosten ervan iets hoger liggen ten opzichte van de meeste andere landen.

Principiële vraag is of goed toezicht een reguliere overheidstaak is waarvan de kosten door de gemeenschap als geheel worden gedragen. De heer Irrgang heeft de neiging die vraag bevestigend te beantwoorden. Zo is het merkwaardig dat financieeltoezichthouders enerzijds boetes uitdelen waarvan de opbrengsten vervolgens worden teruggegeven, en anderzijds geld in rekening brengen voor dat toezicht. Wat is de omvang van de verschillende stromen en kunnen sommige niet tegen elkaar weggestreept worden? Kan inzicht worden gegeven in de manier waarop financieeltoezichtskosten worden doorberekend? Feit is dat de huidige methode van doorberekening in het nadeel uitvalt van kleine banken ten opzichte van grote banken, hetgeen in de praktijk de concurrentie op de bancaire markt belemmert. Is dit naast vereenvoudiging geen reden de huidige wijze van doorberekening op korte termijn te wijzigen?

Door de inwerkingtreding van de Wet financieel toezicht (Wft) stond het jaar 2006 grotendeels in het teken van de verwerking door de AFM van duizenden vergunningsaanvragen voor tussenpersonen. Heeft deze extra werkbelasting het reguliere toezicht van de AFM niet belemmerd?

In het voorliggende jaarverslag van de AFM staat dat er veel minder is uitgegeven voor het effectentypisch toezicht dan aanvankelijk was begroot. Wat is daarvan de reden? In hetzelfde jaarverslag staat op pagina 70 dat de naleving van regelgeving voor kredietreclames te wensen overlaat en dat maar liefst twee derde van die reclames niet voldoet aan de regelgeving. Ligt hieraan niet een gebrek aan slagvaardigheid van de AFM ten grondslag? Is niet alleen de naleving maar ook de controle op de naleving onvoldoende? Dient het aanpakken van dergelijke reclames niet topprioriteit van de AFM te zijn?

Het democratisch toezicht op onafhankelijke toezichthouders is vooralsnog complex voor de Tweede Kamer aangezien zij hierover altijd via de minister van Financiën moet communiceren. In dat licht doet de heer Irrgang de suggestie om de Kamer voortaan rechtstreeks met de voorzitter van de AFM en de president van DNB van gedachten te laten wisselen, voorafgaand of tijdens algemeen overleg over het financieel toezicht.

De heer Weekers (VVD) sluit zich aan bij de suggestie van de heer Irrgang inzake direct overleg tussen de Kamer en de AFM en DNB, bijvoorbeeld naar aanleiding van de verschijning van de jaarverslagen van beide instanties.

De AFM als toezichthouder is met behulp van wet- en regelgeving en een aantal zeer gemotiveerde medewerkers intensief bezig om het kaf van het koren te scheiden in de financiële wereld middels een systematiek van vergunningverlening, self-assessment en stringente handhaving. Dit laat onverlet dat er nog steeds klachten van ondernemers zijn over bureaucratie, zoals de ingewikkeldheid en omvang van de desbetreffende formulieren en handleidingen. Voorkomen moet worden dat met name kleinere ondernemers hierdoor de markt worden uitgedrukt. Is de minister bereid om samen met de AFM genoemde bureaucratie aan een toets van Actal te onderwerpen? Wil hij het tevens daartoe leiden dat ondernemers met hun vragen bij de AFM terechtkunnen via een telefonische hulplijn?

De heer Weekers verzoekt de minister de huidige tarievenstructuur te bezien in het kader van het rapport Maat Houden, in de zin dat nagegaan wordt welke kosten de toezichthouder kan doorberekenen aan de sector zelf en welke kosten voor rekening van de overheid behoren te komen.

De president van DNB heeft in het voorwoord van zijn jaarverslag over 2006 aandacht gevraagd voor de coördinatie van het toezicht in Europa en heeft er daarbij op aangedrongen dat voortvarend wordt gewerkt aan convergentie van toezichtsregels en toezichtspraktijken. Ook heeft hij gepleit voor een lead supervisor model. Wat is de reactie van de minister hierop?

Tijdens zijn werkbezoek aan DNB en de AFM is het de heer Weekers gebleken dat de rechtspraak naar aanleiding van besluiten van de AFM stroomlijning verdient. Op dit moment is er een rol weggelegd voor zowel de Raad van State als het College van Beroep voor het bedrijfsleven, zonder dat sprake is van de mogelijkheid tot cassatie. Is de minister bereid om samen met zijn collega van Justitie te bewerkstelligen dat de rechtspraak ter zake meer geconcentreerd en gestroomlijnd wordt, inclusief de mogelijkheid tot cassatie?

DNB en de AFM worden in toenemende mate geconfronteerd met dreiging van aansprakelijkheid door schade. Onduidelijk is vooralsnog hoeveel toezicht er van de financieeltoezichthouders wordt gevergd, hoewel qua verantwoordelijkheid onderscheid gemaakt dient te worden tussen de gedragstoezichthouder en de prudentieel toezichthouder. Refererend aan onderzoeken die reeds in kaart hebben gebracht hoe de aansprakelijkheid in omringende landen is geregeld, verzoekt de heer Weekers de minister zijn visie hierop kenbaar te maken.

In het jaarverslag 2006 pleit DNB er met kracht voor om de langdurige discussie over de transitie van de gulden naar de euro langzamerhand af te sluiten aangezien de hoge gevoelsinflatie niet overeenstemt met de werkelijk gemeten inflatie, en om meer oog te hebben voor de positieve gevolgen van de invoering van de euro. Deelt de minister dit pleidooi om het boek over genoemde transitie nu echt te sluiten?

Volgens de heer Tony van Dijck (PVV) moet er in algemene zin voor gewaakt worden dat Nederland niet te zeer doorschiet in zijn financieel toezicht.

In de begroting van DNB wordt gesproken van een toename van structurele incidenten bij de geldtransactiekantoren en wordt nieuwe regelgeving aangekondigd, terwijl er reeds speciale regelgeving is voor deze sector. De vraag is dan ook of de huidige 26 geldtransactiekantoren nog wel bestaansrecht hebben gezien de grote risico’s ten aanzien van witwassen en terrorisme.

In dezelfde begroting wordt gesproken over een bezuiniging van 5% op ondersteunende diensten, terwijl meer dan 30% van de kosten betrekking heeft op ondersteunende activiteiten. Is gelet op dat hoge percentage van 30 niet veel meer bezuinigingswinst te behalen voor DNB?

In het jaarverslag 2006 vermeldt DNB vol trots in dat jaar een beleggingsrendement te hebben behaald van 2,2% over alle beleggingsportefeuilles. Dit percentage komt de heer Van Dijck als nogal teleurstellend voor, daar de huidige rente op bepaalde spaarrekeningen 4,5% is. Tevens vraagt hij waarom DNB in 2006 53 ton goud heeft verkocht en of dit wel een verstandige keuze is gelet op de huidige financiële markt. Verder is hij benieuwd te vernemen of DNB evenals de AFM, de geïnde boetes ten goede laat komen aan de sector. Wil de minister tevens aangeven wat de onderliggende gedachte ervan is dat DNB winst maakt, in dit geval 1,5 mld. in het jaar 2006?

Zoals zij in het jaarverslag 2006 aangeeft, kiest de AFM voor de «principle based»-benadering, zodat de sector de regelgeving beter kan inpassen. Dit heeft een positieve invloed op zowel de toezichtsinspanningen als de toezichtskosten. De Gedragscode hypothecaire financieringen wordt door een groot aantal hypotheekadviseurs evenwel niet goed nageleefd, terwijl de AFM daarover geen enkele melding van aanbieders heeft ontvangen. Wat is deze zelfregulering dan nog waard? Is die alleen bedoeld om de AFM buiten te deur te houden en de toezichtskosten laag te houden? Moet de aanbieders niet een meldingsplicht worden opgelegd met betrekking tot gedragscodes? Dienen met name tussenpersonen niet veel harder te worden aangepakt bij niet-naleving en niet integere advisering?

In hetzelfde jaarverslag meldt de AFM dat sprake is van een schade van minimaal 90 mln. voor consumenten als gevolg van illegale financiële activiteiten, waarbij zij aangeeft dat de daadwerkelijke schade rond de 500 mln. zou kunnen uitkomen. Hoe is het mogelijk dat onder toezicht van de AFM staande instellingen zoals Royal Dubai en Golden Sun Resorts de Nederlandse consument weten te verleiden met reclames op de Nederlandse televisie? Hoe wordt dit soort praktijken aangepakt en hoe kunnen de consumenten daartegen beter beschermd worden?

Daarnaast vraagt de heer Van Dijck waarom de AFM de risicogeoriënteerde aanpak van DNB niet volgt.

In de evaluatie van de bekostiging van het financieel toezicht staat terecht dat financiële barrières moeten worden weggenomen. De heer Van Dijck wijst het voornemen van de minister echter van de hand om de kosten in verband met de reductie van de financiële bijdrage om te kunnen toetreden tot de financiële markt, af te wimpelen op de rest van de markt. Die kosten dienen voor rekening van de overheid te komen.

Uit de evaluatie blijkt verder dat de toezichtskosten van DNB nauwelijks zijn toegenomen terwijl die van de AFM met 35% zijn toegenomen. Moet onderhand niet gedacht worden aan plafonnering van de toezichtskosten van de AFM?

Uit de voorliggende Internationale vergelijking kosten en tarieven financieel toezicht blijkt dat de toezichtskosten in Nederland voor banken en verzekeraars relatief hoog zijn, met name omdat de kosten van DNB voor 80% worden doorberekend aan de private sector, terwijl deze kosten in veel andere landen in het geheel niet worden doorberekend maar uit de publieke middelen worden gefinancierd. Dit is ongezond voor de Nederlandse concurrentiepositie. Is de minister bereid om met het oog op een gezonde Nederlandse concurrentiepositie, deze methode van doorberekening van toezichtskosten nog eens goed tegen het licht te houden?

Ten slotte vraagt de heer Van Dijck welke effecten de minister verwacht van de invoering van de MiFID en op welke wijze hij ervoor gaat zorgen dat de bestuurders van de toezichthouders een bezoldiging krijgen, aangepast aan de MP-norm.

Antwoord van de minister

De minister proeft een redelijke mate van tevredenheid over de mate waarin de kwaliteit van het financieel toezicht in Nederland zich verhoudt tot de kosten, hetgeen overigens geen reden is om achterover te leunen en nergens meer accenten op te leggen. Op basis van internationale vergelijkingen neemt Nederland wat betreft de kosten een middenpositie in. De eigen mogelijkheden tot verdere analyse en interpretatie zijn vooralsnog beperkt, zodat het van belang is hierover met andere Europese landen tot meer informatie- en gedachtewisseling te komen, mede met het oog op de noodzaak van een level playing field in Europa.

De aard van de recente hypothekencrisis in de VS heeft betrekking op een buitengewoon klein deel van de hypothecaire markt in Nederland, waarbij er geen aanleiding is om aan te nemen dat dit deel snel groter zal worden. Alertheid blijft desalniettemin geboden waarbij niet terughoudend zal worden opgetreden indien maatregelen noodzakelijk zijn. Daarnaast vindt op dit moment in Europees verband en in IMF-kader een aantal onderzoeken plaats die ertoe moeten leiden dat de overheden tezamen met de internationale toezichthouders beter in staat zijn de risico’s op deze markten te beprijzen. Bovendien heeft de president van DNB onlangs aangegeven dat implementatie van de afspraken in het kader van Basel 2 bij zal dragen aan grotere robuustheid ten opzichte van dit type risico’s.

Ten aanzien van hedgefunds en private-equityfondsen zijn een aantal algemene maatregelen nodig. Deze raken onder andere de vraag wanneer aandeelhouders verplicht kunnen worden hun intenties kenbaar te maken en wanneer ze het recht moet worden gegund om in aandeelhoudersvergaderingen onderwerpen te agenderen. Voor het uitoefenen van enige vorm van controle op hoe deze fondsen te werk gaan is een goede relatie met de desbetreffende vermogens- en kredietverstrekkers essentieel, waartoe DNB inmiddels een aantal richtlijnen heeft doen uitgaan.

Ten aanzien van de vraag van de heer Tang over de almaar stijgende loan to value ratio en de mogelijkheid van een door DNB uit te voeren analyse op dit punt zal de minister in zijn eerstvolgende contact met de president van DNB nagaan wat hierover in de planning is opgenomen waarna hij de Kamer zal informeren.

Met betrekking tot het toezicht op de ontvlechting van ABN AMRO heeft DNB het ministerie van Financiën verzocht om op tijdelijke basis extra capaciteit aan te trekken, welk verzoek positief is bejegend. De met de ontvlechting gepaard gaande toezichtskosten dienen in principe door de bancaire sector zelf gedragen te worden.

In de toezichtskosten van de AFM die de afgelopen jaren fors waren toegenomen, vindt inmiddels een stabilisatie plaats. Na de fase van het steeds toevoegen van nieuwe taken aan de AFM is nu een fase ingetreden waarin de AFM met de tot haar beschikking staande taken «volwassener» en in aantal opzichten ook doelmatiger moet gaan functioneren. Hoewel «principle based»-toezicht niet per definitie tot minder kosten behoeft te leiden, zal het in ieder geval resulteren in minder administratieve lasten, in de vorm van minder rapportages en meer afrekenen op beoogde resultaten.

De minister heeft geen reden aan te nemen dat het regulier toezicht van de AFM geleden heeft onder nieuwe taken die zij erbij heeft gekregen, mede omdat extra mensen zijn aangenomen om die nieuwe taken te accommoderen.

Het ligt in het voornemen van de minister om op het heden gepresenteerde rapport van de AFM binnen een week met een reactie te komen.

In de onlangs door de Kamer ontvangen kabinetsreactie over de schuldhulpverlening wordt onder meer expliciet ingegaan op kredietreclames. Zo is de AFM reeds overgegaan op strengere handhaving van de regels inzake kredietreclame en worden de boetes bij overtredingen fors verhoogd. Daarnaast wordt beoogd een aantal nieuwe instrumenten in te zetten zoals het op de beeldbuis doen verschijnen van waarschuwingen.

De suggestie van de heer Weekers om Actal samen met de AFM de systematiek van vergunningverlening, self-assessment etc. nader te onderzoeken, mede met het oog op toetredingsdrempels voor kleinere bedrijven, zal de minister concreet inbrengen in het overleg met de AFM. Ook het door de heer Irrgang genoemde punt dat de kostendoorberekeningssystematiek in het nadeel lijkt uit te vallen van de kleinere bedrijven en dat de opbrengsten van boetes terechtkomen bij de sector zelf in plaats van bij de belastingbetaler, zal de minister in beschouwing nemen. Uitgangspunt voor hem blijft overigens dat het preventieve deel van het toezicht, dat partijen dus in staat stelt deel te nemen aan de markt, voor rekening van de sector zelf komt en dat het repressieve deel van het toezicht door de samenleving wordt betaald.

Alle tariefvoorstellen worden met de sector besproken voordat ze door de toezichthouders aan de minister worden voorgelegd. In panelbijeenkomsten kan de sector zijn mening geven over de begroting. Hoewel de verslagen van die bijeenkomsten openbaar zijn, acht de minister het zinvol dat voortaan concreter wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met adviezen afkomstig van het panel op het moment van goedkeuring van de begroting van toezichthouders.

Voor consumentenbescherming en financiële educatie is door het Rijk een bedrag van 4,5 mln. uitgetrokken, terwijl de sector zelf een bijdrage van ruim € 700 000 levert. Daar de implementatie pas kort geleden is gestart, dient deze een eerlijke kans te krijgen, hetgeen onverlet laat dat de minister de ontwikkelingen op dit vlak, met name waar het gaat om de afweging tussen kosten en baten, kritisch zal volgen.

De financiële bijsluiter is nog geen jaar geleden vernieuwd naar aanleiding van kritische evaluaties van de eerste versie. De bijsluiter is nu korter en bevat meer afbeeldingen waardoor deze toegankelijker is voor de consument. De Kamer zal nog geïnformeerd worden over de termijn waarbinnen de nieuwe evaluatie ter zake zal plaatsvinden opdat nagegaan kan worden of de bijsluiter de beoogde gedragseffecten heeft.

Bij het verhogen van de € 50 000-grens inzake AFM-toezicht plaatst de minister vraagtekens, niet alleen omdat het in Europees verband tot complicaties zou leiden maar ook omdat meer toezicht tot meer kosten leidt. In termen van prioriteiten is bovendien de vraag of mensen die dergelijke hoge bedragen kunnen beleggen op deze manier extra ondersteund moeten worden. Wel vindt overleg plaats met de AFM over de vraag in hoeverre duidelijker gemaakt kan worden aan de consument welke producten wel en niet vallen onder het toezichtsregime.

De volgende week zullen de ministeries van Financiën en van Justitie gezamenlijk overleg hebben met de initiatiefnemers van de 113 helpdesk waarna de Kamer over de uitkomst ervan zo spoedig mogelijk zal worden geïnformeerd. De minister staat overigens positiever tegenover dergelijke initiatieven naarmate ze particulierder van aard zijn, in de zin dat hij hierin geen specifieke overheidsverantwoordelijkheid ziet. Dit laat onverlet dat wanneer er in wet- en regelgeving barrières zijn voor de sector zelf om met dit soort initiatieven te komen, de overheid niet zal schromen om behulpzaam te zijn bij het wegnemen van die barrières.

In reactie op de vraag van de heer Irrgang of de verwerking van de vele duizenden vergunningsaanvragen voor tussenpersonen, het reguliere toezicht van de AFM heeft belemmerd, stelt de minister dat het de toezichthouder vrij staat om op basis van prioriteitstelling binnen de verschillende toezichtsterreinen met capaciteit te schuiven als ontwikkelingen dit vereisen. Op basis van een door haar zelf gepubliceerd onderzoek naar marktmisbruik en marktmanipulatie, constateert de AFM dat de markt schoner is geworden.

De suggestie om niet alleen de minister van Financiën maar ook de Kamer direct controle te laten uitoefenen op het functioneren van DNB en AFM zal leiden tot diffuusheid waarbij onduidelijk is wie uiteindelijk de controlerende verantwoordelijkheid heeft. De lijn dient te zijn, mede onder verwijzing naar de Kaderwet ZBO’s dat de Kamer de minister controleert en dat de minister de toezichthouders controleert.

Een algehele uitsluiting van aansprakelijkheid van toezichthouders is niet aan de orde. Enig aansprakelijkheidsrisico houdt instituties scherp, maar wanneer daarin te ver wordt gegaan, zal het leiden tot een te defensieve houding hunnerzijds, hetgeen ten koste zal gaan van het toezicht als zodanig. In Nederland volgt de aansprakelijkheid van de AFM, DNB en de Staat uit het Burgerlijk Wetboek en dus niet uit de Wet financieel toezicht. In augustus 2007 heeft de Kamer een reactie van de minister van Justitie ontvangen (31 123, nr. 1) op het rapport-Van Dam over aansprakelijkheid. Hoewel de conclusie van dat rapport is dat het aansprakelijkheidsrisico voor toezichthouders niet te groot is, is aanvullend onderzoek door de minister van Financiën aangekondigd, dat meer is gericht op de internationale dimensie van toezicht. Voor de zomer 2008 zal dat onderzoek zijn afgerond waarna de Kamer hierover een reactie van de minister van Financiën zal ontvangen, waarin tevens zal worden ingegaan op de vraag of aansprakelijkheid in het burgerlijk recht moet neerslaan dan wel in, meer specifiek op financiële dienstverlening betrekking hebbende wetgeving.

Daar geldtransactiekantoren commerciële instellingen zijn, heeft de overheid geen enkele zeggenschap over al of niet opheffing ervan. De recente problemen rond deze kantoren rechtvaardigen overigens niet om het toezicht hierop te verminderen dan wel te beëindigen.

De vraag van de heer Weekers over stroomlijning van de rechtspraak zal schriftelijk worden beantwoord. Zijn suggestie inzake de instelling van de mogelijkheid tot cassatie acht de minister op voorhand niet zinnig. Daar het dan civiel recht betreft zou in feite een aparte rechtsgang moeten worden geïntroduceerd terwijl het College van Beroep voor het bedrijfsleven zich beweegt binnen het terrein van het bestuursrecht.

Enige maanden geleden heeft de minister naar aanleiding van de benoeming van de heer Hoogervorst tot voorzitter van de AFM aangekondigd van plan te zijn het salaris voor die functie evenals de daaraan traditioneel gerelateerde salarissen van directeuren van DNB te verlagen ten opzichte van het salarisniveau van hun voorgangers. Ook DNB is er inmiddels mee akkoord gegaan dat de directeurssalarissen met 12% omlaaggaan op het moment van benoeming van nieuwe directeuren. Bovendien is afgesproken dat de salarisstijging voor directieleden van DNB nooit hoger zal zijn dan de salarisstijging conform de algemene bank-cao. Met betrekking tot het salaris van de president van DNB zou naar het oordeel van de minister eveneens een reductie kunnen plaatsvinden, zelfs forser dan eerdergenoemde 12%. Een dergelijke reductie is evenwel nog niet aan de orde, aangezien op dit moment sprake is van een goed functionerende president van DNB die niet voornemens is op korte termijn te vertrekken.

Het boek over de transitie van de gulden naar de euro mag volgens de minister inderdaad als gesloten worden beschouwd.

Daar Nederland op het punt van de coördinatie van het toezicht in Europa een minderheidsstandpunt inneemt in de EU blijft het voorlopig vooral een kwestie van duwen, trekken en agenderen.

De minister zegt toe in overleg te treden met de AFM ten aanzien van vragen en informatieverzoeken van ondernemers over formulieren, handleidingen etc.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Blok

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,

Berck


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Vendrik (GroenLinks), Blok (VVD), voorzitter, Ten Hoopen (CDA), ondervoorzitter, Weekers (VVD), Gerkens (SP), Van Haersma Buma (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Dezentjé Hamming (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Irrgang (SP), Luijben (SP), Kalma (PvdA), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (ChristenUnie), Jules Kortenhorst (CDA), Van der Burg (VVD), Tony van Dijck (PVV), Heerts (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Tang (PvdA) en Vos (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Halsema (GroenLinks), Remkes (VVD), Jonker (CDA), Aptroot (VVD), Van Gerven (SP), Jan de Vries (CDA), Van Hijum (CDA), De Krom (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Pechtold (D66), Kant (SP), Ulenbelt (SP), Van der Veen (PvdA), Anker (ChristenUnie), Mastwijk (CDA), Nicolaï (VVD), De Roon (PVV), Smeets (PvdA), Karabulut (SP), Thieme (PvdD), Heijnen (PvdA), Spekman (PvdA) en Van Dam (PvdA).

Naar boven