nr. 5
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 15 oktober 2003
Hierbij informeer ik u, mede namens de Minister van Financiën, over
de stand van zaken bij de besprekingen over het Gasgebouw met Shell en ExxonMobil.
In mijn brief van 11 juni jl. (Kamerstukken II, 2002–2003, 28 109,
nr. 4) heb ik u laten weten dat was gebleken dat implementatie van de nieuwe
structuur zoals die op hoofdlijnen was geschetst in de brief van 8 april 2002
(Kamerstukken II, 2001–2002, 28 109, nr. 2), niet in één
allesomvattende stap haalbaar was. Daarom hebben partijen zich verder gericht
op het uitwerken van de herstructurering van het Gasgebouw in twee achtereenvolgende
stappen in de verwachting dat dat een adequaat antwoord zou zijn op de complexiteit
van een volledige herstructurering in één keer.
De eerste stap zou leiden tot juridische splitsing van Gasunie, ook met
het oog op de verzelfstandiging van het transmissiesysteembeheer. Deze verzelfstandiging
is immers het meest urgent gezien de eisen van de liberalisering van de Europese
gasmarkt. Partijen hadden besloten per 1 januari aanstaande de juridische
verzelfstandiging van GTS, het transportbedrijf van Gasunie, te realiseren.
Partijen zouden er tevens naar streven dat de Staat gelijktijdig met deze
juridische verzelfstandiging van het transportbedrijf, enig aandeelhouder
hiervan zou worden.
Bij de tweede stap zou het gaan om de herstructurering van de handelsactiviteiten
en van de relatie hiervan met de productieactiviteiten; met name zou het gaan
om de splitsing van het handelsbedrijf (Trade & Supply) in een handelsbedrijf
van Shell en een handelsbedrijf van ExxonMobil en om de relaties tussen elk
van die twee handelsbedrijven enerzijds en de Maatschap Groningen (van EBN
en NAM) anderzijds.
De Maatschap en de daarin samenwerkende partijen zouden verantwoordelijk
zijn voor de productie en de exploitatie van het Groningenveld, alsmede voor
de voortzetting van het kleine velden beleid, zoals in de brief van 11 juni
jl. nader werd toegelicht.
Partijen zijn in de intensieve en constructieve besprekingen ver gekomen.
Maar uiteindelijk bleek de in de eerste stap voorziene overdracht aan de Staat
van het 25% belang van Shell respectievelijk van het 25% belang van ExxonMobil
in GTS, op dit moment niet haalbaar. Het gebrek aan zekerheid over de ontwikkeling
van prijzen en voorwaarden in Europa en Nederland op de thans nog volop in
transitiefase verkerende energiemarkten, en de effecten hiervan op de financiële
neutraliteit, zijn op dit moment onoverkomelijk gebleken.
Dit betekent dat de besprekingen over overname van het belang van Shell
en ExxonMobil in het transportnet niet op korte termijn kunnen worden voortgezet,
en evenmin de besprekingen over de volledige herstructurering van de handelsactiviteiten
en van de relatie hiervan met de productieactiviteiten. Partijen zullen gesprekken
over herstructurering van het Gasgebouw op een later tijdstip kunnen hervatten.
De geschetste herstructurering blijft immers wel het beleidsstreven om redenen
uiteengezet in de brief van 19 november 2001 (Kamerstukken II, 2001–2002,
28 109, nr. 1). Een dergelijke volledige herstructurering van het Gasgebouw
zal dan evenzeer wijziging behoeven van de bestaande privaatrechtelijke overeenkomsten.
Later zal bezien worden hoe en wanneer dergelijke gesprekken hervat kunnen
worden.
Alles overziende moet de conclusie zijn dat het op dit moment niet mogelijk
was al te komen tot andere verhoudingen in het Gasgebouw en in de betreffende
publiek-private samenwerking. Dat betekent dat deze samenwerking vooralsnog
gehandhaafd zal blijven. De publieke belangen die thans met het Gasgebouw
zijn gediend en die ook in de toekomst en onder mogelijk andere omstandigheden
goed gewaarborgd moeten blijven, betreffen naast een betrouwbare energievoorziening,
het optimale beheer van de nationale bodemschatten, voortzetting van het kleine
velden beleid en behoud van het aandeel van de overheid in de opbrengsten
van die bodemschatten.
Het feit dat partijen nu geen overeenstemming hebben bereikt, betekent
ook dat de juridische verzelfstandiging van GTS per 1 januari geen doorgang
vindt. Dat laat onverlet dat het realiseren van een onafhankelijk transmissiesysteembeheer
zal doorgaan ingevolge de eisen van de Tweede Europese Gasrichtlijn die per
1 juli 2004 in nationale wetgeving geïmplementeerd moeten zijn. De richtlijn
stelt de eis van voldoende onafhankelijkheid voor het beheer van het transportnet
en stelt eisen aan de toerusting van dat beheer mede om een goede werking
van de gasmarkt te kunnen bevorderen. Wetgeving hiervoor is in voorbereiding
en ik zal u binnenkort een voorstel van wet aanbieden.
In dit kader vraagt ook de motie Ten Hoopen (Kamerstukken II, 2002–2003,
28 600, XIII, nr. 26) die vroeg om publieke verankering van de publieke
belangen in de gassector, opnieuw om een oordeel. Waar nodig zal ik met voorstellen
komen voor regelgeving waar deze met het oog op de publieke belangen vereist
worden. Met de bovengenoemde wetgeving ter implementatie van de Gasrichtlijn
beoog ik uitvoering te geven aan de in de motie gevraagde verdere verankering
van een goed functionerende marktwerking. Ook het kleine velden beleid, al
opgenomen in de huidige Gaswet, zal in de gewijzigde Gaswet volledig gehandhaafd
blijven. Er komt tevens regelgeving met betrekking tot taken op het vlak van
de leveringszekerheid.
Nu partijen hun samenwerking in het Gasgebouw vooralsnog ongewijzigd voortzetten,
blijven ook de bestaande bevoegdheden van de Staat in dat verband ongewijzigd.
Dit geldt ook voor de zeggenschap over Gasunie, te weten Shell 25%, ExxonMobil
25% en de Staat 50%, waarvan 40% via Energie Beheer Nederland. Zoals dat overigens
ook ná herstructurering steeds de bedoeling was en zal
zijn, verandert ook niet de zeggenschap in het kader van de Maatschap Groningen
over het Groningenveld, onder meer over de daarin aanwezige voorraden en de
daarin aanwezige capaciteit. Tenslotte blijft ook binnen die samenwerking
van partijen de bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken over bijv.
de prijs van Groningengas en over de voorwaarden voor het kleine velden beleid
onveranderd. De huidige rol van Gasunie in het kader van de uitvoering van
het kleine velden beleid wordt voortgezet.
Hiermee reageer ik ook op signalen van de Ondernemingsraad van Gasunie
over de herstructurering en de splitsing van Gasunie. Omdat de eerstkomende
tijd wordt afgezien van volledige herstructurering, zal naar ik hoop ook bij
Gasunie de aandacht zich nu eerst volledig richten op de vereiste verzelfstandiging
van het transportbedrijf. Gasunie dient nu in het licht van de wetgeving die
voortvloeit uit de Tweede Europese Gasrichtlijn, voorbereidingen te treffen
om het transmissiesysteembeheer in een aparte entiteit onder te brengen en
voldoende onafhankelijk te positioneren.
De Minister van Economische Zaken,
L. J. Brinkhorst