nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ondergetekende heeft met belangstelling kennis genomen van de reacties
van de fracties van de PvdA en de VVD op het wetsvoorstel. In het hiernavolgende
zal ondergetekende ingaan op de vragen en opmerkingen van de leden van die
fracties.
De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen
van het wetsvoorstel. Zij vragen waarom de voorwaarde dat de subsidie alleen
innovatieve activiteiten mag betreffen, zo beperkend werkt en vragen voorts
waarom het bedoelde budget voor ondersteuning of versteviging van het schoolmanagement
niet kan worden gezien als innovatieve activiteit.
De bepaling van artikel 3, tweede lid, van de Wet overige OCenW-subsidies
(WOOS) schept de mogelijkheid, ten gunste van de subsidieontvangers, in dringende
gevallen activiteiten op het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschappen
te subsidiëren naast de bestaande bekostigingswetten die er zijn op die
terreinen. Die subsidie moet echter ten goede komen aan activiteiten die innovatief,
vernieuwend, zijn van aard. De begrenzing van de subsidieverstrekking tot
vernieuwende activiteiten maakt dat bijvoorbeeld een incidentele financiële
injectie bestemd voor het personeel op het gebied van management, ondersteuning
en arbeidsmarktomstandigheden, voor welke doeleinden de scholen voor basisonderwijs
en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs reeds lang formatie ontvangen,
niet kan worden gebracht onder die typering. Het vernieuwende moet namelijk
zijn gelegen in de activiteiten zelf – bij de subsidieverstrekking moet
duidelijk zijn of de activiteiten als zodanig zijn aan te merken – en
wordt niet bepaald door de binnen de oormerking mogelijke invulling die de
scholen geven aan de ontvangen gelden. Ondergetekende wijst er in dit verband
op dat bij de totstandkoming van de WOOS nog onder de toepassing van dit artikel
werd gebracht de financiering van activiteiten voor scholen en instellingen
in verband met het beleid op het terrein van de informatie- en communicatietechnologie
(Kamerstukken II, 1997/98, 25 671, nr. 3).
De leden van de PvdA-fractie vragen of er terzake van het in de memorie
van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel genoemde voorbeeld geen probleem
zou zijn geweest als het zogenaamde moa-budget zou zijn toegevoegd aan het
schoolprofielbudget. De leden van de PvdA-fractie vragen verder
of meer voorbeelden dan genoemd, bekend zijn en zo niet, of er dan geen sprake
is van gelegenheidswetgeving.
In de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordt een
prangende situatie geschetst die zich recentelijk voordeed. De problematiek
van het beschreven geval bestond er voornamelijk uit dat de financiële
impuls voor management, ondersteuning en arbeidsmarktomstandigheden zoals
overeengekomen bij de collectieve arbeidsovereenkomst voor de sector onderwijs
2000–2002, pas aan het einde van het kalenderjaar in de vorm van extra
formatie werd verstrekt en niet optimaal door de scholen kon worden ingezet
als niet ook de betreffende formatierekeneenheden konden worden verzilverd.
Voor dat laatste moest een wetswijziging worden geïnitieerd. Een andere
wetsystematiek, zou daarvan sprake zijn geweest, waarbij niet in formatierekeneenheden,
maar in geld een bedrag voor een dergelijke bestemming wordt beschikbaar gesteld,
zou inderdaad in het genoemde geval het probleem ten aanzien van de verzilvering
hebben weggenomen. Het gegeven voorbeeld op het terrein van de personele vergoeding
is niet het enige, maar het maakt zeer duidelijk dat ingeval van incidentele
extra subsidiëring van bijvoorbeeld onderwijsactiviteiten op basis van
de WOOS, eenmaal aangepast in voorgestelde zin, van een inefficiënte
gang van zaken als beschreven, geen sprake meer zal zijn. Ondergetekende wijst
erop dat bij de subsidiëring op het terrein van de materiële instandhouding
van basisscholen en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs, het gemis
van een iets ruimer toepassingsbereik van artikel 3, tweede lid, van de WOOS
zich evenzeer deed gelden. Middelen die aan het eind van het kalenderjaar
nog beschikbaar kwamen voor de verbetering van de kwaliteit van de schoolgebouwen
in het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs, zijn op basis
van artikel 4:23, derde lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht aan
die scholen beschikbaar gesteld. Het laatstgenoemde artikellid bepaalt dat
voor subsidieverstrekking in incidentele gevallen, mits de subsidie voor ten
hoogste vier jaar wordt verstekt, geen wettelijke grondslag is vereist. Nader
bezien had deze bepaling echter niet mogen worden toegepast omdat bij een
dergelijke grote groep schoolbesturen niet van een incidenteel geval kan worden
gesproken.
Deze leden vragen voorts of de voorgestelde beperking tot extra activiteiten
inhoudt dat het slechts gaat om incidentele voorzieningen of ook om een eventuele
structurele investering.
Het wetsvoorstel maakt in dringende gevallen subsidieverstrekking van
extra activiteiten of extra voorzieningen op basis van de WOOS mogelijk naast
subsidieverstrekking op basis van bijvoorbeeld de reguliere bekostigingswetten,
voor zover die extra subsidie incidenteel van aard is of verstrekt wordt totdat
in de totstandkoming van wetgeving is voorzien waarbij de betreffende materie
permanent wordt geregeld. Het zal derhalve in die gevallen dat artikel 3,
tweede lid, van de WOOS wordt toegepast, niet gaan om een structurele financiering.
De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennis genomen van de
voorgestelde verruiming van het toepassingsgebied van de WOOS. Zij vragen
ten aanzien van het in de memorie van toelichting aangehaalde voorbeeld of
op de grondslag van artikel 4:23, derde lid, sub d, van de Algemene wet bestuursrecht
de subsidiëring kan worden geregeld. Zij merken daarbij tegelijkertijd
op dat het beter is dit soort zaken, zoals voorgesteld, expliciet in de WOOS
te regelen.
Artikel 4:23, derde lid, onder d, van die wet, is naar de toelichting
bij die bepaling bedoeld voor gevallen waarin zowel het aantal subsidieontvangers
als het tijdvak van subsidiëring beperkt is. Het eerdergenoemde saillante
voorbeeld betrof eenmalige extra subsidie ten gunste van het personeel en
valt in dat opzicht onder de bepaling van de Algemene wet bestuursrecht. De
subsidie werd echter verstrekt aan alle scholen voor basisonderwijs en dat
grote aantal subsidieontvangers brengt met zich dat niet gesproken
kan worden van subsidie in «incidentele gevallen». De voorgestelde
wijziging van de WOOS daarentegen ziet op subsidieverstrekking waarbij de
subsidie zelf incidenteel van aard is, maar het aantal subsidieontvangers
niet beperkt is.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L. M. L. H. A. Hermans