Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200228035 nr. 3

28 035
Wijziging van de Comptabiliteitswet houdende bepalingen inzake het beheer van liquide middelen van rechtspersonen die collectieve middelen beheren, inzake de financiering van die rechtspersonen en inzake de beheersing van het EMU-saldo voor zover dit saldo door het financieel beheer van deze rechtspersonen wordt beïnvloed (Eerste wijziging van de Comptabiliteitswet 2001)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING1

ALGEMEEN

1. Inleiding

De uitoefening van bepaalde publieke taken is – veelal bij of krachtens de wet – vaak toegewezen aan rechtspersonen die geen deel uitmaken van de Staat (der Nederlanden). Deze rechtspersonen worden wel aangeduid als rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT). De publieke activiteiten van een RWT worden gefinancierd met publieke middelen. De publieke middelen kunnen zowel betrekking hebben op een rijksbijdrage ten laste van een departementale begroting, als op de opbrengsten uit wettelijke heffingen, dan wel een combinatie van beide. De Algemene Rekenkamer heeft in het rapport «Vermogensvorming bij instellingen op afstand van het Rijk»2 vastgesteld dat instellingen steeds meer geld lenen, uitlenen en beleggen en heeft gewezen op de noodzaak van een wettelijke regeling op dit gebied. Daarbij heeft de Algemene Rekenkamer voorgesteld om het lenen en beleggen bij het Rijk voor bepaalde categorieën instellingen open te stellen.

In de onderhavige 1e wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 (CW 2001) worden nadere eisen gesteld aan het beheer van publieke middelen door RWT's. Op deze wijze wordt voorkomen dat met deze publieke middelen ongewenste financiële risico's worden gelopen. Tevens is het vanuit het oogpunt van een doelmatige financiering van publieke taken gewenst dat de publieke middelen waarover een RWT het beheer voert, waar mogelijk, worden aangehouden bij het Rijk.

De wijziging bestaat uit een aantal onderdelen. Een eerste onderdeel heeft betrekking op een verbod op oneigenlijk kasbeheer en regels ter beperking van de risico's van liquidemiddelenbeheer. Een tweede onderdeel heeft betrekking op het verplicht aanhouden van liquide middelen bij het Rijk. Daardoor zullen de financiële middelen van RWT's pas de schatkist verlaten op het moment dat deze middelen ook daadwerkelijk worden uitgegeven ten behoeve van de publieke taak. Het derde onderdeel betreft de mogelijkheid voor de RWT's die hun liquide middelen aanhouden bij het Rijk, om voor de financiering van hun investeringen leningen bij het Rijk af te sluiten. Deze laatste twee onderdelen van de wijziging worden ook wel aangeduid als geïntegreerd middelenbeheer.

Uiteraard hebben bovengenoemde voorschriften inzake het oneigenlijk kasbeheer, de beperking van risico's van liquidemiddelenbeheer en het verplicht aanhouden van liquide middelen in beginsel alleen betrekking op de publieke gelden die een RWT beheert. Voor de eventuele private activiteiten van een RWT en het daarmee samenhangende kasgeldbeheer worden geen wettelijke regels gesteld via de CW 2001. In artikel 45, vierde lid, wordt bepaald onder welke voorwaarde een RWT zijn eventuele private liquide middelen buiten het geïntegreerd middelenbeheer kan houden.

Op basis van het Europees Stelsel van Rekeningen 1995 worden de meeste rechtspersonen met een publieke taak gerekend tot de sector overheid en deze zijn derhalve mede bepalend voor de ontwikkeling van het EMU-saldo. In deze wijziging van de CW 2001 worden tevens regels gesteld voor het kunnen monitoren en beheersen van het EMU-saldo.

Bij de vormgeving van deze wijziging van de CW 2001 is op de relevante onderdelen aangesloten bij de wettelijke eisen die voor het beheer van publieke middelen van decentrale overheden zullen gaan gelden (Wet financiering decentrale overheden, Stb. 2000, 587).

In het vervolg van deze memorie van toelichting wordt in paragraaf 2 de reikwijdte van deze wijziging aangegeven. In paragraaf 3 wordt het onderdeel verplicht aanhouden van liquide middelen bij het Rijk uiteengezet. In paragraaf 4 komt de mogelijkheid van het lenen bij de Minister van Financiën aan de orde. Tezamen dekken deze twee onderdelen het begrip geïntegreerd middelenbeheer. De budgettaire verwerking van het geïntegreerd middelenbeheer staat in paragraaf 5 centraal. De regels ter beperking van het risico van liquidemiddelenbeheer en inzake het verbod op oneigenlijk kasbeheer zijn in paragraaf 6 opgenomen. Paragraaf 7 bevat bepalingen over het beheersen en monitoren van het EMU-saldo. Tot slot worden de financiële gevolgen van dit wetsvoorstel in paragraaf 8 behandeld.

2. Reikwijdte geïntegreerd middelenbeheer

Onder RWT's worden in dit wetsvoorstel verstaan rechtspersonen met een publieke taak, die bij of krachtens de wet is geregeld. Dit zijn de rechtspersonen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, van de CW 2001.

De wettelijke regels voor het geïntegreerd middelenbeheer gelden in principe voor elke RWT. Er is echter voorzien in een aantal uitzonderingen. Er zullen RWT's worden uitgezonderd op algemene beleidsmatige gronden, op grond van de (geringe) omvang van hun liquide middelen en op categoriale gronden. Ten einde op voorhand duidelijkheid te verschaffen over de RWT's waarvoor het geïntegreerd middelenbeheer zal gelden, zal de minister van Financiën in overeenstemming met de betrokken ministers deze rechtspersonen als zodanig aanwijzen (artikel 45, eerste lid).

De algemene beleidsmatige uitzonderingen zijn:

– rechtspersonen met activiteiten die een evident marktkarakter hebben (o.a. zorgverzekeraars);

– rechtspersonen waaraan de publieke taak is opgelegd om deelnemingen te verwerven of leningen aan derden te verstrekken;

– rechtspersonen met een maatschappelijke functie waaraan een relatief beperkte publieke neventaak is toegevoegd (bijvoorbeeld de ANWB en de APK-erkenninghouders).

Rechtspersonen die voldoen aan één van deze algemene beleidsmatige uitzonderingsgronden vallen in beginsel buiten de regel dat zij hun publieke liquide middelen in de schatkist moeten aanhouden. Het is echter niet uitgesloten dat er RWT's zijn die tot een van deze uitzonderingscategorieën worden gerekend, maar die op grond van eigen overwegingen toch aan het geïntegreerd middelenbeheer willen deelnemen. Indien de minister van Financiën in overeenstemming met de betrokken minister die overwegingen valabel acht, kan hij besluiten ook deze RWT's aan te wijzen als deelnemer aan het geïntegreerd middelenbeheer.

Rechtspersonen die niet zijn aangewezen, zijn niet gerechtigd deel te nemen aan het geïntegreerd middelenbeheer. Ook de bepalingen inzake het verbod op oneigenlijk kasbeheer en de regels ten aanzien van het beperken van de risico's van liquidemiddelenbeheer zijn niet van toepassing op niet-aangewezen rechtspersonen.

Ook RWT's met een te geringe financiële omvang worden uitgesloten van het geïntegreerd middelenbeheer. Van de integratie van de liquide middelen van kleine RWT's met 's Rijks kas zijn geen significante doelmatigheidsvoordelen te verwachten. Deze kleine RWT's zijn echter wel onderworpen aan het verbod op oneigenlijk kasbeheer en aan de regels ter beperking van de risico's van het liquidemiddelenbeheer.

Naast de bovenstaande uitzonderingsgronden voor het geïntegreerd middelenbeheer, zijn er ook categoriale uitzonderingen mogelijk. De categoriale uitzonderingen hebben betrekking op een specifiek beleidsveld. Het gaat dan om categorieën RWT's waarvan een groot deel beleidsmatig is uitgezonderd of een geringe financiële omvang heeft en waarvan op grond van rechtsgelijkheid ook de overige tot die categorie behorende rechtspersonen niet verplicht worden tot het aanhouden van hun liquide middelen bij het Rijk. Onder deze categoriale uitzonderingen vallen bijvoorbeeld de rechtspersonen in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs. Een rechtspersoon, vallend onder de categoriale uitzonderingen, kan wel vrijwillig deelnemen aan het geïntegreerd middelenbeheer. Voorwaarde is dan wel dat de RWT voldoet aan één van de financiële omvangcriteria. De rechtspersonen die onder de categoriale uitzonderingen vallen en niet op vrijwillige basis deelnemen aan het geïntegreerd middelenbeheer, moeten voldoen aan de regels ter beperking van de risico's van het liquidemiddelenbeheer en het verbod op oneigenlijk kasbeheer.

Bij ministeriële regeling van de minister van Financiën worden de RWT's aangewezen waarop de voorschriften omtrent het middelenbeheer van toepassing zijn (artikel 45). Daarbij worden twee lijsten met RWT's opgesteld. De eerste lijst RWT's (lijst A) heeft betrekking op de RWT's die deelnemen aan het geïntegreerd middelenbeheer. Deze RWT's houden hun middelen aan bij het Rijk en hebben de mogelijkheid te lenen bij het Rijk, voor zover zij over een leningsbevoegdheid beschikken op grond van de op hen van toepassing zijnde specifieke regelgeving (bijvoorbeeld de instellingswet). Daarnaast is het deze RWT's verboden een oneigenlijk kasbeheer te voeren.

De tweede lijst RWT's (lijst B) heeft betrekking op de RWT's waarvoor, naast het verbod op oneigenlijk kasbeheer, de regels ter beperking van de risico's van liquidemiddelenbeheer gelden.

Beide lijsten worden door de Minister van Financiën in overeenstemming met de betrokken ministers opgesteld.

Samenvattend kan het volgende schema worden opgemaakt voor de verschillende onderdelen van de voorschriften voor het middelenbeheer van RWT's.

 RWT's vallende onder lijst A of Blijst Alijst B
1RWT's die vallen onder de algemene beleidsmatige uitzonderingennee, tenzij bij keuzenee
2RWT's met een geringe financiële omvangneeja
3RWT's die vallen onder de categoriale uitzonderingennee, tenzij bij keuzeja, tenzij bij keuze onder A
4RWT's die niet vallen onder 1, 2, of 3janee
 Bepalingen van toepassing op lijst A of Blijst Alijst B
aVerplicht aanhouden van liquide middelen bij het Rijkjanee
bMogelijkheid om te lenen bij het Rijk, mits leningsbevoegdheid o.g.v. specifieke regelgevingjanee
cVerbod op oneigenlijk kasbeheerjaja
dRegels ter beperking van het risico van liquidemiddelenbeheerneeja

De beide lijsten zullen in beginsel om de vijf jaar op volledigheid worden bezien. Het omvangscriterium ter bepaling van de plaatsing op lijst A of lijst B wordt daarbij zodanig toegepast dat RWT's alleen van lijst B naar lijst A kunnen worden overgeplaatst, maar niet andersom. Uit een oogpunt van administratieve doelmatigheid is het namelijk wenselijk te voorkomen dat RWT's periodiek tussen beide lijsten zouden moeten switchen. Deze vijfjaarlijkse integrale toets op volledigheid betekent niet dat tussentijds geen RWT's op een lijst kunnen en zullen worden bijgeplaatst dan wel van een lijst kunnen of zullen worden afgevoerd.

3. Verplicht aanhouden van liquide middelen bij het Rijk

a. Algemeen

Een RWT voert het kasbeheer over zijn publieke middelen tot aan het moment waarop de publieke activiteiten tot daadwerkelijke uitgaven leiden. Het beheer van publieke middelen door een RWT zal binnen het kader van de toegewezen publieke taak moeten worden vormgegeven. Deze publieke taak mag niet worden opgerekt en/of aangetast doordat een RWT zich begeeft in risicovolle transacties buiten het publieke domein.

Om te voorkomen dat de aan een RWT verstrekte financiële middelen voor de uitvoering van de publieke taak door het uitzetten van die middelen of door tijdelijke beleggingen geheel of gedeeltelijk verloren gaan, zal een RWT bij het beheer van de publieke middelen geen overmatig risico mogen lopen. Door het verplicht aanhouden van de publieke middelen bij het Rijk wordt bereikt dat een RWT per definitie een risico-arm kasbeheer voert. De liquide middelen worden rentedragend aangehouden bij het Rijk op een rekening-courant of een deposito. Het Rijk is een eersteklas en solide debiteur voor het RWT, zodat het risico van de bij het Rijk aangehouden liquide middelen nihil is.

De integratie van de publieke middelen met 's Rijks schatkist laat de bestuurlijke verantwoordelijkheid van een RWT onverlet. Het is een RWT die vanuit zijn publieke activiteiten bepaalt wanneer uitgaven verricht moeten worden1. De beschikkingsmacht van RWT's over hun financiële middelen wordt door de integratie met 's Rijks schatkist niet aangetast. De minister van Financiën is uit hoofde van de treasury-functie slechts volgend, in de zin dat de (verwachte) ontvangsten en uitgaven van een RWT een uitgangspunt zijn voor zijn treasury-activiteiten.

b. Doelmatigheid

Ook op grond van doelmatigheidsoverwegingen is het gewenst de publieke middelen die door RWT's worden beheerd zo lang mogelijk beschikbaar te houden binnen het totaalverband van 's Rijks schatkist. Door bundeling van publieke geldstromen worden eerst binnen de overheid (rijksoverheid en RWT's) alle tijdelijke of structurele kastekorten of -overschotten gesaldeerd voordat de Minister van Financiën zich op de geld- en kapitaalmarkt begeeft om externe financiering aan te trekken. Zolang een RWT de bij haar aanwezige publieke middelen nog niet daadwerkelijk heeft uitgegeven voor de uitoefening van de publieke activiteiten, kunnen die publieke middelen dus beschikbaar blijven voor de treasury-functie die de minister van Financiën vervult. Indien de kort opeisbare middelen van de RWT's worden geïntegreerd met 's Rijks schatkist ontstaat een structureel rentevoordeel doordat Financiën minder lang hoeft te lenen (met een relatief hoge rente), terwijl de RWT's, die hun kort opeisbare middelen in de schatkist aanhouden, een rentevergoeding krijgen die past bij de korte looptijd. Uitgangspunt hierbij is dat de RWT's een marktconforme rentevergoeding ontvangen, waarbij rekening wordt gehouden met looptijd en kredietwaardigheid. Zolang de middelen kort uitstaan bij particuliere banken en nog niet tot daadwerkelijk uitgaven voor de uitoefening van de publieke taak hebben geleid, kan het middelenbeheer voor de publieke sector als geheel worden verbeterd. Doordat de RWT's hun middelen nu gaan aanhouden in 's Rijks schatkist, kan de minister van Financiën deze middelen betrekken bij zijn financiering, zodat hij minder, relatief dure, lange middelen op de kapitaalmarkt behoeft aan te trekken. De mate waarin dit rentevoordeel gerealiseerd kan worden hangt onder andere af van de structurele hoogte van het totaal van de publieke middelen die de RWT's aanhouden bij het Rijk.

Op de tegoeden en kredieten in rekening-courant zal voor het gehele saldo de interbancaire rente zonder op- en afslagen worden vergoed respectievelijk in rekening worden gebracht. Dit is voor de RWT aantrekkelijk omdat het gehele saldo risicoloos tegen een hoge korte rente (zonder afslagen) uitstaat en bovendien voor het roodstaan geen toeslagen berekend worden.

Het rente-arrangement voor leningen aan RWT's zal worden aangeboden op het niveau waartegen de Staat zelf leent. Ook deposito's zullen op dit niveau worden aangeboden. Daar bovenop zullen RWT's die in enig jaar gemiddeld een groter bedrag aan deposito's dan aan leningen bij de schatkist aanhouden, voor het meerdere een bonusrente ontvangen. Daarmee wordt het renteniveau, dat kredietwaardige banken maximaal aan hun klanten zouden kunnen bieden, geëvenaard. Hiermee wordt beoogd dat zowel RWT's met leningen als RWT's met deposito's er niet op achteruit gaan door deel te nemen aan het geïntegreerd middelenbeheer.

Tevens zal het rente-arrangement een efficiënter werkkapitaalbeheer van de RWT's mogelijk maken, doordat de betaalrekening, die de RWT bij haar bank aanhoudt, in directe verbinding staat met 's Rijks schatkist. Evenzo wordt indien de specifieke regelgeving dit toestaat een kredietfaciliteit aangeboden om tijdelijke liquiditeitstekorten op te vangen, tegen een relatief lage rente. Dit alles genereert meer rentebaten (of vermijdt rentekosten) op het werkkapitaal van de RWT's dan in de huidige situatie, waarin RWT's hun tegoeden aanhouden bij het commerciële bankwezen. Het komt daarbij vaak voor dat banken over roodstaan een hoger tarief (debetrente) in rekening brengen dan zij over positieve saldi vergoeden (creditrente). Door het bundelen van geldstromen worden de positieve saldi van de RWT's met overschotten eerst gesaldeerd met de debetsaldi van de RWT's die een tekortpositie hebben. Daardoor wordt voorkomen dat het verschil tussen debetrente en creditrente door de banken in rekening wordt gebracht.

De doelmatigheid van de financiering van de door RWT's uitgevoerde publieke taken wordt tevens vergroot doordat de RWT's indien de specifieke regelgeving dit toestaat toegang krijgen tot een leenfaciliteit bij de minister van Financiën. Hierbij wordt de RWT's relatief gunstige voorwaarden geboden.

Daarnaast is een aanvullend positief effect op de bedrijfsvoering van een RWT te verwachten. Een RWT die zijn geld aanhoudt bij het Rijk voert per definitie een risicoloos kasbeheer, hetgeen tot een vereenvoudiging van de treasury-activiteiten kan leiden.

c. Rekening-courant

Een RWT houdt de publieke middelen aan bij het Rijk op een eigenrekening-courant bij het ministerie van Financiën. In de Zevende wijziging van de CW (Stb. 2001, 240) is de bevoegdheid van de minister van Financiën geregeld om met derden zo'n externe rekening-courantrelatie aan te gaan (artikel 24, zesde lid). Het openen van een rekening-courant bij het Rijk kan zo worden vormgegeven, dat een RWT gebruik kan blijven maken van de betalingsdienstverlening die door particuliere banken wordt aangeboden. Een RWT, het Rijk en de particuliere bank kunnen overeenkomen dat de betaalrekening van de RWT bij een particuliere bank in het concernverband wordt gebracht met de overige bankrekeningen van het Rijk. Op deze wijze worden de rekening-courant bij het Rijk en een betaalrekening bij een particuliere bank als het ware aan elkaar gekoppeld en kan een RWT gebruik blijven maken van de betaalrekening bij de particuliere bank.

Vanuit het Ministerie van Financiën zal geen toezicht worden uitgeoefend op het betalingsverkeer en of de besteding van de geldmiddelen door de RWT's. Het toezicht op de RWT's is volledig een taak van de verantwoordelijke ministers.

Aan de rekening-courant bij het Rijk is een depositofaciliteit gekoppeld. Indien een RWT op basis van zijn actuele liquiditeitenprognose voorziet dat een deel van zijn saldo op de rekening-courant bij het Rijk naar verwachting voor een langere periode niet uitgegeven zal worden, kan een bepaald bedrag voor een bepaalde toekomstige periode worden vastgezet tegen een rente die doorgaans hoger is dan de rente die wordt vergoed op de rekening-courant. Een RWT kan op elk gewenst moment het initiatief nemen tot het afsluiten van een deposito bij het Rijk.

De financiering van een RWT vindt in het algemeen gespreid plaats gedurende een jaar. Daarbij zal zo veel als mogelijk moeten worden aangesloten bij de specifieke omstandigheden in de bedrijfsvoering van een RWT. Uitgangspunt is dat een RWT niet rood mag staan op de rekening-courant. Er kunnen zich echter situaties voordoen, waarbij een tijdelijke roodstand van de rekening-courant bij het Rijk niet te vermijden is. De op een RWT van toepassing zijnde specifieke wet- en regelgeving is daarvoor een belangrijke omgevingsfactor. Aan de rekening-courant bij het Rijk kan daarom een kredietfaciliteit worden gekoppeld. Voor het overbruggen van een tijdelijke situatie waarin de kasontvangsten lager zijn dan de kasuitgaven kan het een RWT worden toegestaan tot een maximaal bedrag rood te staan op de rekening-courant. Het betrokken vakdepartement zal zich voor een roodstand garant moeten stellen ten opzichte van de Minister van Financiën. Een RWT zal een krediet onderbouwd moeten aanvragen via de verantwoordelijke vakminister die het verzoek van de RWT toetst. De toetsing van het krediet bestaat uit het beoordelen van de hoogte van het krediet in relatie tot het aan het krediet ten grondslag liggende benodigde werkkapitaal en de inpasbaarheid van de rente- en aflossingsverplichtingen in de (meerjaren)begroting van de desbetreffende RWT.

De modaliteiten van de rekening-courant en de daaraan gekoppelde deposito- en kredietfaciliteit worden vastgelegd in een op artikel 49a gebaseerde ministeriële regeling van de minister van Financiën (voorlopige werktitel: Regeling geïntegreerd middelenbeheer RWT's). Vanuit het oogpunt van transparantie en eenvoud is het uitgangspunt een generieke regeling, met objectief en eenvoudig te bepalen marktconforme rente-niveaus waarbij rekening wordt gehouden met verschillen in looptijd.

4. Lenen bij de Minister van Financiën

Een RWT die de publieke middelen aanhoudt bij het Rijk (in de schatkist) heeft de mogelijkheid om te lenen bij de Minister van Financiën. Daarbij wordt er overigens wel vanuit gegaan dat de betrokken RWT op grond van de voor hem geldende specifieke weten regelgeving in het algemeen bevoegd is tot het aangaan van leningen, dan wel dat de bevoegdheid tot het aangaan van leningen in die regelgeving niet is ingeperkt of aan de RWT is ontnomen. Vandaar de in artikel 48, eerste lid, opgenomen voorwaarde dat onverminderd geldt hetgeen bij of krachtens andere wetten is bepaald. De leenfaciliteit bij de Minister van Financiën heeft betrekking op het financieren van investeringen in vaste activa die benodigd zijn voor de uitoefening van de publieke taak. Er worden geen leningen verstrekt met een looptijd korter dan een jaar. Bij het afsluiten van een lening wordt uitgegaan van de intentie om de looptijd van de lening zo veel mogelijk te koppelen aan de economische levensduur van de onderliggende investering. Door het koppelen van de looptijd van de financiering aan de economische levensduur van de investering wordt voorkomen dat een RWT onnodig renterisico loopt bij de uitoefening van de bedrijfsvoering.

Een RWT vraagt een lening via de betrokken vakminister bij de Minister van Financiën aan (artikel 48, eerste lid). De verantwoordelijke vakminister toetst het verzoek. De toetsing van het nut en de noodzaak van investeringen maakt deel uit van de reguliere toezichtsrelatie tussen het vakdepartement en een RWT, voor zover in de specifieke wet- en regelgeving een dergelijke toets aan de minister is voorbehouden. Bij de toetsing van de aangevraagde leningen gaat het in ieder geval om het beoordelen van de hoogte van de leningen in relatie tot de inpasbaarheid van de rente- en aflossingsverplichtingen in de meerjarenbegroting van de desbetreffende RWT. De toetsing van de leningen ligt bij het vakdepartement, omdat het vakdepartement de kennis heeft en de verantwoordelijkheid draagt indien de RWT bij zijn rente- en aflossingsverplichtingen in gebreke blijft.

De modaliteiten van de leenfaciliteit worden vastgelegd in de eerder genoemde ministeriële regeling van de Minister van Financiën.

Het verstrekken van een lening door de Minister van Financiën is een alternatief voor het verstrekken van een lening direct ten laste van de begroting van de betrokken vakminister dan wel voor de verstrekking van een lening door een (commerciële) financiële instelling met een garantie van de vakminister. Het voordeel van het verstrekken van een lening door de Minister van Financiën boven een directe begrotingsbelasting van de betrokken departementale begroting is dat via de begroting van Nationale Schuld het uitgavenkader niet behoeft te worden belast; dit is overeenkomstig de gehanteerde methode bij baten-lastendiensten. Het voordeel boven verstrekking door een financiële instelling is dat het Rijk een lening onder gunstigere voorwaarden zal kunnen verstrekken, omdat de Minister van Financiën als grote en buitengewoon kredietwaardige partij op de kapitaalmarkt de gunstigste condities zal kunnen bedingen.

5. Budgettaire verwerking van het geïntegreerd middelenbeheer

De verplichtingen, uitgaven en ontvangsten die samenhangen met de door RWT's aangehouden saldi op rekening-courant bij het Ministerie van Financiën, alsmede met de leningen en kredieten die worden afgesloten tussen de RWT's en het Ministerie van Financiën, worden in de begroting van Nationale Schuld (IXA) verwerkt.

In de memorie van toelichting bij de CW 2001 (Kamerstukken II, 2000/2001, 27 849), artikel 7, is uitgebreid ingegaan op de begrotingstechnische verwerking van deze geldstromen in de begroting van nationale schuld. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.

Het budgettaire risico van een eventuele niet-(terug)betaling van rente en aflossing door een RWT ligt bij het vakdepartement. Afdekking van dat risico wordt vormgegeven doordat de vakminister zich tegen over de minister van Financiën garant dient te stellen voor de rente- en aflossingsverplichtingen van de betrokken RWT. Daartoe zal per lening of krediet een garantstellingsconvenant worden opgesteld. De daaruit voortvloeiende garantieverplichting dient door het vakdepartement in het jaar van sluiten van het convenant opgenomen te worden in de departementale begroting.

6. Relatie met artikel 24 CW 2001

Artikel 24 bevat bepalingen over het kasbeheer. Bij de Zevende wijziging van de CW (Stb. 2001, 240; Kamerstukken II, 1999–2000, 26 974) is dit artikel ingrijpend gewijzigd. Het zesde lid heeft betrekking op externe rekening-courantrelaties die de Minister van Financiën met derden die collectieve middelen beheren, kan aangaan. Dit artikellid luidt als volgt: Onze Minister van Financiën kan ten behoeve van een doelmatig en risico-arm kasbeheer aan derden voor zover deze collectieve middelen beheren, toestaan deze middelen in rekening-courant aan te houden bij het Ministerie van Financiën. De onderhavige bepalingen inzake het geïntegreerd middelenbeheer sluiten hier goed op aan. Het rentedragend aanhouden van liquide middelen bij 's Rijks schatkist op grond van artikel 45, eerste lid, door rechtspersonen die op lijst A staan, leidt tot het instellen van een rekening-courantverhouding met die rechtspersonen op grond van artikel 24, zesde lid. Artikel 24, zesde lid, moet echter thans niet zo beperkt worden geïnterpreteerd, dat externe rekeningen-courant alleen mogen worden aangehouden in het kader van het geïntegreerd middelenbeheer ex artikel 45. Er zijn in de praktijk ook een aantal rekening-courant verhoudingen, gebaseerd op artikel 24, zesde lid, met rechtspersonen die niet in het kader van het geïntegreerd middelenbeheer op lijst A staan. Voorbeelden hiervan zijn de rekening-courant met de Europese Gemeenschap en met de academische ziekenhuizen.

7. Regels ter beperking van het risico van liquidemiddelenbeheer en verbod op oneigenlijk kasbeheer

Zoals in paragraaf 3 is aangegeven zal het beheer van publieke middelen door een RWT binnen het kader van de toegewezen publieke taak moeten worden vormgegeven. Deze publieke taak mag door een RWT niet worden opgerekt en/of aangetast door risicovolle beleggingstransacties buiten het publieke domein.

Om te voorkomen dat de aan een RWT verstrekte financiële middelen geheel of gedeeltelijk verloren gaan, zal een RWT bij het beheer van de publieke middelen geen overmatig risico mogen lopen. De RWT's die verplicht hun publieke liquide middelen bij het Rijk aanhouden, lopen door plaatsing op lijst A «per definitie» geen risico.

De eis van risico-arm liquidemiddelenbeheer moet daarom worden gematerialiseerd voor de RWT's die op grond van hun omvang niet verplicht worden hun publieke middelen aan te houden bij het Rijk (de RWT's op lijst B). In artikel 45, tweede lid, worden daartoe aan deze RWT's beperkingen opgelegd ten aanzien van de vormen (producten) waarin zij dat kunnen doen. Die eisen zullen door de Minister van Financiën in een ministeriële regeling worden opgenomen. Die eisen kunnen zowel betrekking hebben op de aard van de producten (producten met een beperkt marktrisico, dat wil zeggen het risico van hoofdsomverlies door koersdalingen of het risico dat geen vergoeding voor de beschikbaarstelling van de middelen wordt verkregen, hetgeen beide het geval kan zijn bij belegging in aandelen) als op de instellingen waarbij die producten kunnen worden betrokken (beperking van debiteurenrisico). Bij de opstelling van deze ministeriële regeling zal nauw worden aangesloten bij de ministeriële regeling die in het kader van de Wet financiering decentrale overheden voor decentrale overheden is ontworpen (de «Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden»).

Het beheer van publieke middelen door een RWT mag niet leiden tot het oprekken van de toegewezen publieke taak. Het genereren van inkomsten met publieke middelen zonder dat sprake is van een activiteit uit hoofde van de publieke taak is niet toelaatbaar. Het aantrekken van financiële middelen om daarmee via het opnieuw uitzetten van die financiële middelen additionele middelen te verwerven wordt aangeduid als oneigenlijk kasbeheer. Oneigenlijk kasbeheer door een RWT wordt voorkomen door de verbodsbepaling in de CW 2001 dat een RWT geen financiële middelen mag aantrekken om daarmee via het opnieuw uitzetten van die financiële middelen additionele middelen te verwerven. De verbodsbepaling inzake oneigenlijk kasbeheer heeft betrekking op de RWT's op lijst A en lijst B en is opgenomen in artikel 46.

8. Bewaken EMU-saldo

Landen die deelnemen aan de derde fase van de Europese Monetaire Unie moeten voldoen aan een aantal financieel-economische criteria, waaronder een maximale toegestane waarde van het EMU-tekort van drie procent van het Bruto Binnenlands Product. De rechtspersonen die collectieve middelen beheren worden volgens het Europees Stelsel van Rekeningen 1995 gerekend tot de sector overheid en zijn derhalve mede bepalend voor de ontwikkeling van het EMU-saldo.

Over de actuele ontwikkeling van het EMU-saldo wordt thans twee maal per jaar gerapporteerd aan de Europese Unie. Voor een adequate berekening van het EMU-saldo is inzicht nodig in de financiële transacties van de bedoelde instellingen. De door de Minister van Financiën op grond van artikel 44, eerste lid, op te stellen regels zullen gericht zijn op het waarborgen van een adequate informatievoorziening, daar waar sprake is van transacties die een significante invloed hebben op het EMU-saldo.

In de uitzonderlijke situatie dat de plafondwaarde van drie procent bereikt dreigt te worden en de rechtspersonen die collectieve middelen beheren hier mede een oorzaak van zijn, kan de Ministerraad besluiten dat de Minister van Financiën de bevoegdheid krijgt om aanvullende regels op te stellen ten aanzien van deze instellingen. Bij deze regelgeving kan gedacht worden aan regels inzake een tijdelijke lening- en/of investeringsstop. Dit ultimum remedium is vastgelegd in de bepaling in artikel 44, tweede lid, dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld ter beheersing van het EMU-saldo. Deze bepaling is ontleend aan artikel 7 van de Wet financiering decentrale overheden.

9. Financiële gevolgen

De financiële gevolgen van deze wetswijziging zijn voornamelijk een uitvloeisel van het geïntegreerd middelenbeheer (het aanhouden van liquide middelen door RWT's bij de Minister van Financiën en de mogelijkheid om leningen en kredieten bij de Minister van Financiën aan te trekken). Deze gevolgen kunnen worden onderscheiden naar de aspecten:

a. doelmatigheidsvoordelen (rente- en risicovoordelen) voor het Rijk en/of de RWT's:

b. directe budgettaire gevolgen voor het Rijk;

c. administratieve lasten.

In bijlage 1 bij dit wetsvoorstel is het zogenaamde Standaardformulier inzake de financiële gevolgen opgenomen. Onderstaande informatie geldt daarbij als toelichting.

Ad a. Doelmatigheidsvoordelen (rentevoordelen) voor het Rijk en/of de RWT's

De doelmatigheidsvoordelen die voortvloeien uit het geïntegreerd middelenbeheer vallen uit een in een tweetal categorieën.

In de eerste plaats leidt het integreren van de kort opeisbare publieke middelen van RWT's met de middelen van het Rijk ('s Rijks schatkist) tot structurele kostenvoordelen. Indien de kort opeisbare middelen van de RWT's worden geïntegreerd met 's Rijks schatkist ontstaat een structureel rentevoordeel doordat Financiën minder lang hoeft te lenen (met een relatief hoge rente), terwijl de RWT's, die hun kort opeisbare middelen in de schatkist gaan aanhouden, een rentevergoeding krijgen die past bij de korte looptijd. Uitgangspunt hierbij is dat de RWT's een marktconforme rentevergoeding ontvangen. Het rentevoordeel voor de begroting van de Nationale Schuld wordt, op basis van de voorlopige lijst van RWT's die aan het geïntegreerd middelenbeheer deelnemen, geraamd op ca NLG 50,0 mln. (EUR 22,7 mln) per jaar. Bij het integreren van de publieke middelen van de RWT's is er voor de RWT's tevens sprake van een vermindering van het kredietrisico op hun uitstaande middelen, aangezien de Staat een buitengewoon betrouwbare debiteur is.

Het aan de RWT's geboden rente-arrangement zal tevens een efficiënter werkkapitaalbeheer van de RWT's mogelijk maken, doordat de betaalrekening, die de RWT bij haar bank aanhoudt, in directe verbinding staat met 's Rijks schatkist. Evenzo wordt een kredietfaciliteit (rekening-courantkrediet) geboden met een rente op niveau waarop de Staat zelf inleent. Dit alles genereert meer rentebaten (of vermijdt rentekosten) op het werkkapitaal van de RWT's dan in de huidige situatie, waarin RWT hun tegoeden aanhouden bij het commerciële bankwezen. Deze additionele rente- en kostenvoordelen voor de RWT's worden geraamd op ca NLG 75,0 mln. (EUR 34,0 mln.) per jaar.

In de tweede plaats wordt de doelmatigheid van de financiering van de door RWT's uitgevoerde publieke taken tevens vergroot doordat de RWT's, indien de specifieke regelgeving dit toestaat, toegang krijgen tot een leenfaciliteit bij de minister van Financiën. Rentevoordelen voor de RWT's worden hierbij geraamd op ca NLG 25,0 mln. (EUR 11,3 mln.) per jaar.

Op basis van het bovenstaande is het totale doelmatigheidsvoordeel geraamd op NLG 150,0 mln. (EUR 68,1 mln.) per jaar.

Ad b. Directe budgettaire gevolgen voor het Rijk

Als directe budgettaire gevolgen voor het Rijk worden in de eerste plaats aangemerkt de bedragen aan liquide publieke middelen die RWT's in de vorm van rekening-courantsaldi en kortlopende termijndeposito's gaan aanhouden bij de Minister van Financiën. Deze bedragen vormen ontvangsten op de begroting van de Nationale Schuld (IXA) voor zover ze niet binnen hetzelfde jaar weer worden opgevraagd. Worden er door de RWT's in enig jaar meer gelden opgevraagd dan aangehouden in de 's Rijks schatkist, dan is per saldo sprake van uitgaven op de begroting van IXA. Tijdens de invoering van het geïntegreerd middelenbeheer wordt er vooralsnog uitgegaan van een (ontvangsten)bedrag aan rekening-courantsaldi en kortetermijndeposito's van ca. NLG. 6,5 mrd (EUR 2,95 mrd.) uit hoofde van de door RWT's in 's Rijksschatkist aangehouden middelen. Naast de rekeningen-courantsaldi en de kortetermijndeposito's zullen de RWT's langetermijndeposito's kunnen aanhouden bij de Minister van Financiën, welke bij het afsluiten leiden tot ontvangsten en bij expiratie (afloop) tot uitgaven op de begroting van de Nationale Schuld. Hierbij wordt uitgegaan van een per saldo ontvangstenbedrag van ca. NLG 2,0 mrd. (EUR 0,9 mrd) tijdens de invoering van het geïntegreerd middelenbeheer.

In de tweede plaats worden de leningen en rekening-courantkredieten die door de Minister van Financiën – onder garantie van de betrokken vakminister – aan RWT's zullen worden verstrekt, als directe budgettaire gevolgen aangemerkt. Omdat dit een optie voor de RWT's op de A-lijst is en er vooralsnog geen inzicht bestaat in de mate waarin de RWT's van die mogelijkheid gebruik zullen en – gegeven de specifieke weten regelgeving die geldt – kunnen maken, is hiervoor thans moeilijk een realistische uitgavenraming te geven. Bovendien leiden de verstrekte leningen en kredieten tot aflossingen (ontvangsten), waardoor naar verwachting het meerjarige budgettaire (saldo)effect na een bepaalde beginperiode zal gaan afvlakken. Tentatief wordt de totale omvang van door RWT's bij de Minister van Financiën te sluiten leningen geraamd op ca. NLG 3,0 mrd. (EUR 1,4 mrd.).

De ontvangsten uit in de schatkist aangehouden rekening-courantsaldi en termijndeposito's, evenals de uitgaven aan verstrekte leningen en kredieten, zijn overigens voor het budgettaire kader (de ijklijnen) niet-relevant.

Ad c. Administratieve lasten

De administratieve lasten die met dit wetsvoorstel samenhangen zullen zich voornamelijk bij het ministerie van Financiën concentreren. Het betreft de uitvoeringskosten voor de informatievoorziening aan en het relatiebeheer met de RWT's, alsmede de kosten van saldoregulatie. Deze uitvoeringskosten worden op ca. NLG. 2,5 mln. geraamd (EUR 1,1 mln.).

Bij de vakdepartementen brengt het garant stellen voor door RWT's aan te vragen leningen en rekening-courantkredieten (artikelen 48 en 49) administratieve lasten met zich mee. Ook thans staan de departementen meestal al garant voor door derden aan RWT's verstrekte leningen en kredieten. Voor zover dat niet het geval is, zal in de praktijk afgewacht moeten worden in welke mate de RWT's (op vrijwillige basis) van de leenfaciliteit gebruik zullen maken om een redelijke raming van de daarmee samenhangende departementale kosten te kunnen maken. Er wordt vooralsnog van uitgegaan dat deze kosten binnnen de bestaande begrotingen opgevangen kunnen worden.

Voor de RWT's zijn noch aan de centralisatie van de liquide middelen in de schatkist noch aan de leenfaciliteit extra kosten verbonden. De centralisatie vindt plaats via de constructie van een concernrekening die het ministerie van Financiën zal aanhouden bij banken waarmee de RWT's een bancaire relatie hebben. De organisatie van het betalingsverkeer van een RWT hoeft hierdoor geen verandering te ondergaan. De administratieve lasten met betrekking tot het aantrekken van leningen door RWT's veranderen voor RWT's niet als gevolg van het feit dat het Rijk in plaats van een financiële instelling als leninggever gaat optreden.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen A en B

Door middel van de wijzigingen in deze onderdelen worden de artikelen 37 en 39 van de CW 2001 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2000–2001, 27 849) in elkaar geschoven.

Onderdeel C

Artikel 44 (Emu-saldoartikel)

Naast de Staat en de openbare lichamen, bedoeld in de Wet financiering decentrale overheden (Stb. 2000, 587), zijn er nog een groot aantal andere rechtspersonen met een publieke taak waarvan de financiële middelen invloed hebben op de hoogte van het aan de lidstaat Nederland toegerekende EMU-saldo. Dit saldo (tekort) thans is genormeerd op 3% van het Bruto Binnenlands Produkt. Over de actuele ontwikkeling van het saldo dient twee maal per jaar door de Minister van Financiën aan de Europese Unie te worden gerapporteerd.

Om de invloed van de verschillende organen/rechtspersonen op de ontwikkeling van het EMU-saldo te kunnen vaststellen, dient een adequate gegevensverstrekking aan de Minister van Financiën te worden gewaarborgd. In de benodigde gegevens van de rechtspersoon de Staat (het Rijk) wordt voorzien op basis van de Rijksbegrotingsvoorschriften. De gegevensverstrekking door de openbare lichamen, bedoeld in de Wet financiering decentrale overheden, ligt vast in de bepaling in artikel 8 van die wet, waarin is voorgeschreven dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld ten aanzien van de verstrekking van gegevens welke nodig zijn voor het toezicht op de naleving van het bepaalde inzake het EMU-saldo.

De onderhavige bepaling in het eerste lid van artikel 44 heeft betrekking op andere rechtspersonen dan de Staat en de openbare lichamen, bedoeld in de Wet financiering decentrale overheden. Het betreft rechtspersonen die op basis het Europees Stelsel van Rekeningen (ESR, thans het stelsel uit 1995) tot de sector overheid worden gerekend. Dit zijn voor een belangrijk deel de rechtspersonen met een publieke taak als bedoeld in artikel 45. De belangrijkste categorie uitzonderingen zijn de rechtspersonen die (bij of krachtens de wet vastgestelde) tarieven hanteren voor geleverde goederen of diensten. Die worden in het ESR tot de marktsector gerekend. Als voorbeeld hiervan geldt het Kadaster.

De regels die in het kader van artikel 44, eerste lid, aan de gegevensverstrekking zullen worden gesteld, zullen in het algemeen dezelfde regels zijn als die in het kader van de Wet financiering decentrale overheden voor het zelfde doel aan de openbare lichamen zullen worden gesteld. Dat houdt onder andere in dat een kwartaalrapportage over het vorderingensaldo per rechtspersoon nodig is. Nader zal nog worden bezien of deze rapportage rechtstreeks aan de Minister van Financiën dient te geschieden of, zoals voor de openbare lichamen is voorzien, aan het CBS.

In het tweede en derde lid wordt bepaald dat bij een dreigende overschrijding van de geldende norm voor het EMU-saldo (3%) van de overheid als gevolg van een ongewenste ontwikkeling van het EMU-saldo van de bovenbedoelde rechtspersonen, er bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld kunnen worden ter beheersing van het EMU-saldo van die rechtspersonen. Met deze bepalingen is aangesloten bij artikel 7 van de Wet financiering decentrale overheden).

Bij de regels die in dit verband gesteld kunnen worden, moet worden gedacht aan regels inzake een tijdelijke lening- en of investeringsstop. Er moet hierbiju niet worden gedacht aan regels die de rechtspersonen kunnen beperken in hun beschikkingsbevoegdheid over hun bancaire tegoeden – waaronder de tegoeden aangehouden bij de schatkist – en termijndeposito's.

Concreet aangrijpingspunt is de overschrijding van de norm voor het EMU-saldo van de overheid, zoals is vastgelegd in artikel 104C en het daarop gebaseerde Protocol nr. 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (het Verdrag van Maastricht). Gekozen is voor een geclausuleerde benadering; er kan alleen worden ingegrepen bij een dreigende overschrijding van de EMU-norm die door een ongewenste ontwikkeling van het EMU-saldo van de bedoelde rechtspersonen wordt veroorzaakt. Hiermee wordt recht gedaan aan het «ultimum remedium» karakter van de voorziening: alleen in uitzonderlijke situaties kan worden ingegrepen.

Het vierde lid bevat de bepaling die voorkomt, dat op grond van de definitie van rechtspersonen in het eerste lid, het bepaalde in het tweede lid van toepassing zal zijn op de openbare lichamen, bedoeld in de Wet financiering decentrale overheden (provincies, gemeenten, waterschappen, de politieregio's en lichamen, ingesteld met toepassing van de wet gemeenschappelijke regelingen). Dat is niet nodig, omdat voor die openbare lichamen een overeenkomstige bepaling in de Wet financiering decentrale overheden is geregeld.

Onderdeel D

Artikel 45 (Beperking van risico's en bevordering doelmatigheid van kasbeheer/treasurybeheer)

Voor een toelichting bij dit artikel wordt ook verwezen naar de paragrafen 3, 4 en 6 van het algemeen deel van de toelichting.

In dit artikel wordt de reikwijdte van de bepalingen in de artikelen 45 tot en met 49a in eerste aanleg afgebakend door de verwijzing in het eerste en tweede lid van artikel 45 naar de rechtspersonen als bedoeld in artikel 91, eerste lid, onder d, van de CW 2001. De reikwijdte betreft rechtspersonen die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitvoeren en die daartoe geheel of gedeeltelijk bekostigd worden uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen. Het derde lid biedt de mogelijkheid om de reikwijdte nog enigszins uit te breiden. Er zijn namelijk ook een aantal rechtspersonen met een publieke taak die niet bij of krachtens de wet is geregeld. Voorbeelden van deze laatste categorie rechtspersonen zijn de Stichting Groenfonds, de Stichting Marorgelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma. Deze rechtspersonen kunnen op grond van het bepaalde in het derde lid door de Minister van Financiën in overeenstemming met de betrokken vakminister worden aangewezen voor opname op lijst A of lijst B.

Artikel 45 bevat bepalingen ter beperking van de financiële risico's die RWT's lopen bij het uitzetten van hun liquide middelen bij bancaire of andere (financiële) instellingen of bij het beleggen van de liquide middelen. In algemene zin waren voor RWT's nog geen regels gesteld.

In artikel 45 wordt onderscheid gemaakt tussen twee categorieën RWT's. Voor een eerste categorie (lijst A) is in het eerste lid de verplichting opgenomen om de liquide middelen aan te houden in 's Rijks schatkist. Op die manier wordt elk risico op hoofdsom- en of renteverlies voorkomen. Bovendien is hiermee voor de betrokken RWT's en het Rijk een doelmatigheidsvoordeel te behalen.

In het tweede lid wordt een tweede categorie RWT's (lijst B) onderscheiden waarvoor risicobeperking wordt bereikt door eisen te stellen aan de vormen (producten) waarin de liquide middelen mogen worden uitgezet of belegd. Die eisen zullen door de Minister van Financiën in een ministeriële regeling worden opgenomen. De RWT's die in deze categorie worden opgenomen, zullen door de Minister van Financiën in overeenstemming met de betrokken ministers worden aangewezen. Wat de te stellen eisen aan de producten betreft, zal nauw aangesloten worden bij de regeling die daartoe in het kader van de Wet financiering decentrale overheden is ontworpen (Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden).

In het algemeen deel van de memorie van toelichting is aandacht besteed aan de criteria die worden gehanteerd om tot de indeling van beide lijsten te komen.

De te hanteren financiële omvangscriteria die de eerste maal worden toegepast bij de verdeling van de RWT's over de lijsten A en B zijn de volgende. Deze criteria zijn alternatief ten opzichte van elkaar (of/of):

a. een totaalbedrag aan inkomsten in het jaar 2000 van NLG 34,0 mln./EUR 14,0 mln. of meer (categorie A);

b. een totaalbedrag aan liquide middelen en beleggingen op 31 december 2000 van NLG 2,0 mln. of EUR 0,9 mln. of meer (categorie A).

RWT's die onder een van deze criteria blijven, worden ingedeeld in categorie-B.

Met uitzondering van de categoriale uitzonderingen met een bepaalde minumumomvang aan liquide middelen ligt het niet in het voornemen om niet-categorie A-RWT's op vrijwillige basis de mogelijkheid te geven hun liquide middelen in de schatkist aan te houden. De categoriale uitzonderingen die op vrijwillige basis deel willen nemen aan het geïntegreerd middelenbeheer zullen zich daartoe tot de minister van Financiën dienen te wenden met het verzoek om opgenomen te worden op lijst A.

Op grond van het bepaalde in artikel 49a, waarin aan de Minister van Financiën de bevoegdheid is verleend om nadere regels te stellen, zullen de hiervoor uitgezette beleidsmatige keuzes en de daaruit voortvloeiende categorie-indeling A en B in een ministeriële regeling worden opgenomen. Dat geldt ook voor de aanwijzing van de instellingen waarbij en van de producten waarin RWT's hun liquide middelen kunnen vastleggen (tweede lid van artikel 45).

In het vierde lid is een bepaling opgenomen die de mogelijkheid biedt om de liquide middelen van een rechtspersoon die zijn verkregen uit private activiteiten buiten het geïntegreerd middelenbeheer te houden. De voorschriften inzake het oneigenlijk kasbeheer, de beperking van risico's van liquidemiddelenbeheer en het verplicht aanhouden van liquide middelen hebben uiteraard in beginsel alleen betrekking op de publieke gelden die een RWT beheert. Voor de eventuele private activiteiten van een RWT en het daarmee samenhangende kasgeldbeheer worden geen wettelijke regels gesteld via de CW 2001.

In dit lid wordt uitgegaan van het op een adequate wijze separaat in de jaarrekening verantwoorden van de niet-collectieve (of private) liquide middelen. Daartoe is in zijn algemeenheid binnen een RWT een adequate administratieve scheiding vereist tussen de inkomsten en uitgaven die samenhangen met enerzijds de publieke activiteiten en anderzijds de private activiteiten. In de wettelijke regeling met betrekking tot een RWT (de zogenaamde instellingswet) kunnen daartoe de nodige voorschriften zijn opgenomen. Indien en zolang er bij een RWT geen sprake is van een adequate (administratieve) scheiding gelden de voorschriften uit de onderhavige wet voor alle liquide middelen. Een adequate scheiding is in dit verband in elk geval een juridische scheiding, waardoor kan worden voorkomen dat verliezen in de beleggingssfeer van de private middelen aangezuiverd moeten worden uit de publieke middelen. Ook zonder juridische scheiding kan er sprake zijn van een adequate scheiding als er een separate verantwoording van de publieke en de private middelen wordt opgesteld. Een separate verantwoording kan worden opgesteld aan de hand van een gescheiden administratie van de private en publieke geldstromen. Voor het doel van het geïntegreerd middelenbeheer kan ook zonder dat een gescheiden administratie wordt gevoerd, een separate verantwoording worden opgesteld aan de hand van een meer globale toedeling van de kosten of uitgaven aan de private activiteiten, bijvoorbeeld doordat de kosten of uitgaven aan de private activiteiten worden toegerekend naar rato van het aandeel van de private ontvangsten in het totaal van de ontvangsten.

De accountant die is belast met de controle van de jaarrekening van de RWT, zal de splitsing van de publieke en de private geldstromen in zijn controle dienen te betrekken. Aan de hand van de uitkomsten van deze controle (accountantsverklaring en de gerapporteerde bevindingen in het accountantsrapport) kan dan worden vastgesteld of de jaarrekening aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

Artikel 46 (Verbod op oneigenlijk kasbeheer)

Artikel 46 bevat het verbod op oneigenlijk kasbeheer voor de RWT's die op de lijsten A en B voorkomen. Onder oneigenlijk kasbeheer wordt verstaan het actief aantrekken van financiële middelen door een RWT met het doel extra financiële middelen te genereren door de aangetrokken gelden tegen een bepaalde (hogere) rentevergoeding uit te zetten (actief bankieren). In feite houdt dit verbod in dat rentearbitrage niet is toegestaan. Dergelijke activiteiten behoren niet tot de publieke taken van een RWT uit de categorie A en B. In geval een dergelijke activiteit expliciet wel een (onderdeel van de) wettelijke taak van een RWT kan zijn (bijvoorbeeld bij De Nederlandse Bank), zullen die RWT's via de aanwijzingsprocedure van artikel 45 niet in de categorieën A of B worden ingedeeld en is de onderhavige wetswijziging op hen niet van toepassing.

Artikel 47 (Toezicht betrokken minister)

Het toezicht op eventueel actief bankieren, zoals omschreven in artikel 46, door een RWT ligt bij de betrokken minister, dat wil zeggen bij de minister die beleidsmatig verantwoordelijk is voor de betrokken RWT (eerste lid). Dat geldt ook voor het toezicht op het bepaalde in het tweede lid van artikel 45, dat wil zeggen het toezicht op de RWT's op lijst B ten aanzien van de producten waarin zij hun liquide middelen mogen uitzetten.

De beleidsmatig verantwoordelijke minister is in het algemeen de minister die verantwoordelijk is voor de wettelijke regelingen met betrekking tot de RWT. Om dat toezicht zinvol te kunnen uitoefenen heeft de minister minimaal behoefte aan een actieve en – aanvullend – een passieve informatievoorziening door de RWT, alsmede aan een sanctiemogelijkheid in het geval de RWT het verbod tot actief bankieren overtreedt of zijn liquide middelen in niet-toegestane producten uitzet. In het tweede lid wordt daartoe een informatieplicht voor de RWT en een informatiebevoegdheid voor de minister geregeld. De sanctie in het derde lid houdt de mogelijkheid in de RWT in een concreet geval van overtreding van het bepaalde in artikel 45, tweede lid, of artikel de aanwijzing te geven bepaalde financiële transacties te herzien. Een aanwijzing is ook mogelijk wanneer bijvoorbeeld private gelden buiten het geïntegreerd middelenbeheer worden gehouden, terwijl er geen sprake is van een adequate wijze van separaat verantwoorden (zoals bedoeld in artikel 45, vierde lid).

Artikel 48

Eerste lid (Leenfaciliteit)

Dit artikellid bevat een leenfaciliteit voor RWT's die op grond van artikel 45, eerste lid, verplicht zijn hun liquide middelen aan te houden in de schatkist (categorie-A-RWT's). Het gebruik maken van de leenfaciliteit voor investeringen is niet verplicht. Financieringsmiddelen kunnen ook in de markt worden aangetrokken, maar dat zal in het algemeen op minder gunstige voorwaarden gebeuren.

De bepaling inzake het onverminderd van kracht blijven van in andere wettelijke regelingen gegeven voorschriften heeft met name betrekking op het in een aantal instellings- of aanwijzingswetten geregelde verbod tot het aantrekken van leningen door de betrokken RWT's.

Aanvragen voor een lening dienen altijd via de betrokken verantwoordelijke vakminister te worden ingediend. De vakminister toetst op grond van artikel 48, eerste lid, het verzoek aan financiële criteria: meerjarige budgettaire inpasbaarheid in de begroting van de RWT, noodzakelijkheid van de investering voor de doelmatige uitvoering van de publieke taak (bijvoorbeeld lenen versus huren of leasen), e.d. .Wat deze laatste toets betreft, geldt dat de specifieke regelgeving ten aanzien van een RWT een dergelijk toets niet moet uitsluiten.

De toets op de meerjarige budgettaire inpasbaarheid binnen de begroting van de RWT is van belang, omdat de Minister van Financiën slechts dan een aanvraag van een lening zal honoreren als de betrokken vakminister zich budgettair garant stelt voor het risico dat de RWT zijn aflossings- en renteverplichtingen niet nakomt.

Verder wordt ook verwezen naar paragraaf 4 van het algemeen deel van de toelichting (lenen bij de Minister van Financiën).

Tweede lid (leenfaciliteit)

Het tweede lid verklaart het bepaalde in het eerste lid ten aanzien van de mogelijkheid tot het verkrijgen van leningen van overenkomstige toepassing op de rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde, indien op die rechtspersonen het eerste lid van artikel 45 van toepasing is. Dat houdt dus in dat rechtspersonen met een publieke taak, welke taak niet bij of krachtens de wet is geregeld, eveneens de mogelijkheid wordt geboden een lening bij het Ministerie van Financiën te sluiten. Voorwaarde daartoe is dat deze rechtspersonen door de Minister van Financiën zijn aangewezen om ten behoeve van een doelmatig en risico-arm kasbeheer hun liquide middelen rentedragend in de schatkist aan te houden en dat de lening wordt aangewend voor een investering die benodigd is voor de uitvoering van de publieke taak van de betrokken rechtspersoon.

Indien een rechtspersoon is aangewezen voor de toepassing van het tweede lid van artikel 45 – dat inhoudt dat hij ten behoeve van een doelmatig en risico-arm kasbeheer zijn liquide middelen alleen mag uitzetten in de vorm van producten die voldoen aan door de Minister van Financiën te stellen eisen – dan wordt aan deze rechtspersoon niet de mogelijkheid geboden om bij de Minister van Financiën een lening te sluiten ten behoeve van een investering voor zijn publieke taak. Die rechtspersoon is daarvoor dan aangewezen op een financiële markt.

Derde lid (garanstelling)

In dit artikellid wordt vormgegeven aan de budgettaire garantstelling van het vakdepartement voor een door een RWT aangegane lening bij de schatkist. Er wordt een zeker budgettair automatisme geregeld voor het geval de betrokken RWT zijn renteen/of aflossingsverplichtingen niet nakomt. In zo'n geval ontstaat er namelijk op de begroting van Nationale Schuld (IXA) een probleem als gevolg van de derving van inkomsten. Om dat probleem te ondervangen, is er een bevoegdheid voor de Minister van Financiën geregeld om de begroting van de betrokken vakminister te belasten voor de bedragen die niet (op tijd) van een RWT worden ontvangen. Alvorens Financiën tot daadwerkelijke belasting van de begroting van het betrokken departement zal overgaan, zal in het algemeen eerst met het departement in overleg worden getreden over de oorzaken van de betalingsachterstand door de RWT.

De garantstelling door de vakminister heeft betrekking op de onderlinge verantwoordelijkheidsverdeling binnen het Rijk en is uitsluitend gericht op het belasten van de begroting van het vakdepartement. De aflossings- en renteverplichting van de rechtspersoon ten opzichte van het Rijk wordt niet aangetast als de interne garantstelling wordt geëffectueerd. De garantstelling heeft geen externe werking in de zin dat de rechtspersoon hier rechten aan kan ontlenen. Het enige effect is dat het toezien op (en desnoods afdwingen van) de naleving van de betalingsverplichting van de rechtspersoon verschuift van de Minister van Financiën naar de beleidsverantwoordelijke minister.

Als er daadwerkelijk gebruik gemaakt moet worden van de garantstelling zal het betalingsprobleem van de betrokken RWT budgettair op de begroting van het vakdepartement zichtbaar worden en zal het departement voor compensatie zorg moeten dragen.

Niet door een RWT betaalde rente en aflossing op een bij de Minister van Financiën gesloten lening (of rekening-courantkrediet; zie artikel 49) kan door het Ministerie van Financiën met het vakdepartement worden afgerekend door middel van toepassing van de Verrekenregeling.

Op grond van de bepaling in dit artikellid ontstaat er op het moment van aangaan van een lening door een RWT bij de Minister van Financiën voor het vakdepartement een uit deze wet voortvloeiende garantieverplichting, die op grond van artikel 4, vijfde lid, van de CW 2001 als verplichting in de begroting moet worden verwerkt. In beginsel vallen deze garanties onder het voorafgaande toezicht van de Inspectie der Rijksfinanciën (IRF). Dat toezicht zal uitgeoefend moeten worden tijdens de voorbereiding van de te sluiten leningsovereenkomst tussen de RWT en de Minister van Financiën. Dat vereist een tijdige organisatorische afstemming binnen het Ministerie van Financiën. Bij het voorafgaand toezicht van de IRF gaat het erom de eventuele budgettaire consequenties voor het vakdepartement helder in beeld te krijgen.

Artikel 49 (Rekening-courantfaciliteit)

In aanvulling op de leenfaciliteit voor investeringen is in dit artikel een rekening-courantkredietfaciliteit opgenomen op grond waarvan aan een categorie-A-RWT voor tijdelijke liquiditeitstekorten een roodstand in rekening-courant kan worden toegestaan.

Ook voor deze faciliteit zal de betrokken vakminister zich garant moeten stellen voor de daaruit voortvloeiende rente- en aflossingsverplichtingen van de RWT.

Artikel 49a

De bevoegdheid om in het kader van het geïntegreerd middelenbeheer nadere regels te kunnen stellen zal worden vormgegeven in een ministeriële regeling van de Minister van Financiën (voorlopige werktitel: Regeling geïntegreerd middelenbeheer rechtspersonen met een publieke taak). In deze regeling zal zowel de aanwijzing van RWT's als bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 45 worden opgenomen, als de aanwijzing van de instellingen en van de producten, bedoeld in het tweede lid van artikel 45. Ook nadere voorschriften voor de lening- en kredietverstrekking (artikel 48 en 49) en voor de wijze waarop en de voorwaarden waaronder op basis van artikel 45, eerste lid, liquide middelen rentedragend in de schatkist kunnen wortden aangehouden, zullen in deze regeling een plaats krijgen.

Artikel II

In dit artikel zijn een aantal overgangsbepalingen opgenomen.

Op basis van het bepaalde in het eerste lid is er gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet geen sprake van een overtreding van de wet als de aangewezen RWT's hun liquide middelen nog niet overeenkomstig de bepalingen van artikel 45, eerste en tweede lid, in overleg met de Minister van Financiën hebben ondergebracht in de schatkist, respectievelijk nog niet hebben omgezet in aangewezen (beleggings)producten bij aangewezen instellingen. Dit biedt de mogelijkheid om in die periode van zes maanden de betrokken RWT's bij de beoogde ministeriële regeling aan te wijzen. Ook kunnen de andere bij ministeriële regeling vast te stellen bepalingen in die periode worden geformaliseerd. Tenslotte biedt deze periode voor de betrokken RWT's de ruimte om zich aan te melden bij de minister onder wiens beleidsmatige toezicht zij vallen. Er kunnen dan afspraken gemaakt worden over met name het tijdsschema waarbinnen, zoveel mogelijk boetevrij, de liquide middelen kunnen worden omgezet in rekening-courantsaldi bij de schatkist dan wel in aangewezen producten bij aangewezen instellingen. Het tweede lid biedt voor het maken van dergelijke afspraken nogmaals een periode van zes maanden. Met de mogelijkheid in het derde lid om zo nodig door de Minister van Financiën voor individuele RWT's de periode van in totaal twaalf maanden op grond van het eerste en tweede lid, te verlengen, wordt beoogd te kunnen voorkomen dat bepaalde beleggingen geforceerd moeten worden afgebouwd. Ondoelmatigheden als gevolg van bijvoorbeeld koersverlies kunnen daarmee worden voorkomen.

Het vierde lid bevat een sanctiebepaling voor de gevallen waarin RWT's onwillig zouden zijn de onderhavige wettelijke bepalingen na te leven.

De overgangsbepaling in het vijfde lid sluit aan bij de bepaling in artikel 45, vierde lid, inzake de scheiding tussen de private en de publieke middelen die een RWT in beheer heeft. De overgangsbepaling regelt dat gedurende de overgangstermijn de private middelen van een RWT buiten het geïntegreerd middelenbeheer kunnen worden gehouden ook als dan nog geen sprake is van een adequate scheiding tussen de beide soorten liquide middelen. Bij de vaststelling van de periode van maximaal 18 maanden wordt uitgegaan van inwerkingtreding van de wet tussen 1 juli 2002 en 1 januari 2003. In dat geval zal dus pas met ingang van de jaarrekening over 2004 op een adequate wijze de scheiding tussen private en publieke middelen moeten worden verantwoord. Indien de inwerkingtreding later plaatsvindt, kan met toepassing van de inwerkingstredingsbepaling in artikel IV zo nodig de periode van 18 maanden worden verlengd.

De Minister van Financiën,

G. Zalm

BIJLAGE 1 Overzicht van de financiële gevolgen voor de rijksbegroting

1. Omschrijving van het voorstel: Wetsvoorstel inzake geïntegreerd middelenbeheer van rechtspersonen met een wetteliijke taak
2. Beoogde datum van inwerktreding/ingang: 1 juli 2002
Financiële gevolgen voor de rijksbegroting (in miljoenen euro's)Begrotingsjaar 2001Meerjarenramingen 
  2002200320042005
Uitgaven      
1.1 Rente0,00– 11,35– 22,70– 22,70– 22,70
1.2 Uitvoeringskosten0,00+ 0,55+ 1,10+ 1,10+ 1,10
1.3 Leningen (hoofdsom)0,00PM1PMPMPM
2. Totaal0,00– 10,80– 21,60– 21,60– 21,60
3. Reeds opgenomen in begroting en in meerjarenramingen0,000,000,000,000,00
4. Verhoging/Verlaging t.o.v. begroting en meerjarenramingen0,00– 9,50– 19,00– 19,00– 19,00
Ontvangsten      
1.1 Liquide middelen0,00PM2PM2PMPM
1.2 Deposito's0,00PM3PM3PMPM
2. Totaal0,00PMPMPMPM
3. Reeds opgenomen in begroting en in meerjarenramingen0,00PMPMPMPM
4. Verhoging/Verlaging t.o.v. begroting en meerjarenramingen0,00PMPMPMPM

Toelichting op de raming:

De financiële gevolgen van het onderhavige wetsvoorstel vallen uit een in:

1. Rente- en kostenvoordelen, welke neerslaan bij zowel de rijksbegroting als bij de RWT's. Hierboven zijn alleen de de verwachte lagere renteuitgaven en de uitvoeringskosten opgenomen die tot uitdrukking komen op de rijksbegroting. De rente en kostenvoordelen uit hoofde van een efficiënter werkkapitaalbeheer en leenfaciliteit slaan neer bij de RWT's.

2. Kasstromen uit hoofde van het aanhouden van rekening-courant en het afsluiten van deposito's en leningen door RWT's bij de schatkist. Het gaat hierbij om kasstromen met een financieringskarakter op grond waarvan een vordering danwel een schuld tussen de schatkist en de RWT ontstaat (zie paragraaf 9, onder b van het MvT). Deze kasstromen zijn niet-relevant voor het bugettaire Uitgavenkader. Voor de jaren 2002 en 2003 zijn deze financieringsstromen als volgt tentatief geraamd: PM1=EUR 700 mln.; PM2=EUR 1 500 mln.; PM3=EUR 450 mln.

Compensatie: N.v.t.

Prestatiegegevens:

BIJLAGE 2 Voorgenomen aanwijzing van rechtspersonen waarop het geïntegreerd middelenbeheer zal worden toegepast (lijst A) dan wel waarop het Fido-kader zal worden toegepast (lijst B)

Lijst A

1. Rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 20 011, dat wil zeggen rechtspersonen met een bij of krachtens de wet geregelde taak, die daartoe worden bekostigd uit bij of krachtens de wet ingestelde heffingen en die door aanwijzing hun liquide middelen aan dienen te houden in de schatkist (geïntegreerd middelenbeheer).

Ministerie van Justitie

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers

Raden (5) voor de Rechtsbijstand (Amsterdam, Arnhem, 's-Hertogenbosch, Den Haag, Leeuwarden)

Stichting Reclassering Nederland

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

De in artikel 21, eerste lid, van de Politiewet 1993 bedoelde regio's(*)2

Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP)

Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP)

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

(inclusief onderwijsinstellingen LNV)

Commissariaat voor de media

Informatie Beheer Groep

Mondriaanstichting

Stichting Fonds beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst

Stichting Fonds voor de Amateurkunst

Stichting Fonds voor de Podiumkunsten

Stichting Fonds voor de Scheppende Toonkunst

Stichting Nederlands Fonds voor de Film

Stichting Stimuleringsfonds voor de Architectuur

Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs (PF)

Stichting Vervangingsfonds en bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs (VF)

BVE: landelijke organen voor beroepsonderwijs (*)3

BVE: regionale opleidingscentra (*)3

BVE: vakinstellingen (*)3

Agrarische Opleidingscentra (*)3

HBO (inclusief Hogere Agrarische Scholen) (*)3

WO (universiteiten, incl. Landbouwuniversiteit Wageningen) (*)3

Onderzoeksinstellingen OCW: KNAW, KB, NWO (*)3

Ministerie van Financiën

Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer

Stichting Toezicht Effectenverkeer

Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

Ministerie van Defensie

Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting

Kadaster

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)

Dienst wegverkeer

Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL)

Railinfrabeheer BV

Railverkeersleiding BV1

Railned BV

Ministerie van Economische Zaken

Centraal Orgaan Vooraadvorming Aardolieprodukten (COVA)

Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR)

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Bureau Beheer Landbouwgronden Staatsbosbeheer (voor onderwijsinstellingen, zie de lijst bij OCW)

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelenheid2

Centrale organisatie Werk en Inkomen (CWI)

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) Zorg Onderzoek Nederland (ZON)

2. Rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, dat wil zeggen rechtspersonen met een niet bij of krachtens de wet geregelde, maar wel publieke taak, die daartoe worden bekostigd uit publieke middelen en die door aanwijzing hun liquide middelen aan dienen te houden in de schatkist (geïntegreerd middelenbeheer).

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Nationaal Restauratiefonds

Ministerie van Financiën

Stichting Joods Humanitair Fonds

Stichting Marorgelden Overheid

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Participatiefonds gemeentelijke vervoerbedrijven

Westerschelde Tunnelmaatschappij NV

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Stichting Groenfonds

Stichting Ontwikkelings- en saneringsfonds voor de landbouw

Stichting Ontwikkelings- en saneringsfonds voor de visserij

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Stichting Rechtsherstel Indische Gemeenschap

Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma

Lijst B

1. Rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001, dat wil zeggen rechtspersonen met een bij of krachtens de wet geregelde taak, die daartoe worden bekostigd uit bij of krachtens de wet ingestelde heffingen en die door aanwijzing hun liquide middelen slechts mogen uitzetten in de vorm van producten die voldoen aan door de Minister van Financiën te stellen eisen (Fido-kader).

Ministerie van Justitie

Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven Gezinsvoogdij-instellingen (ca. 18) HALT-bureau's (63) Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) Vereniging Slachtofferhulp Nederland

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Nederlands Bureau Brandweerexamens (Nbbe) Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (NIBRA) Stichting Fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel (VUT-fonds)

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Rijksmuseale instellingen (20) Instellingen voor het primair onderwijs (ca. 2300) Instellingen voor het voortgezet onderwijs (ca. 380)

Ministerie van Financiën

Waarderingskamer

Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Keuringsinstituut voor Waterleidingartikelen (KIWA NV)

Stichting Advisering Bestuursrechtspraak Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB)

Stichting Bureau Architectenregister

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

European Certification Bureau Nederland (ECBN)

Instellingen afname examens klein vaarbewijs

Onafhankelijke Post- en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA)

Raad voor de Transportveiligheid

Stichting INNOVAM

Stichting inschrijving Eigen Vervoer (SIEV)

Stichting Koninklijk Onderwijsfonds voor de Scheepvaart (KOFS)

Stichting Nationale en Internationale Wegvervoerorganisatie (NIWO)

Stichting Scheepsafvalstoffen Binnenvaart (SAB)

Ministerie van Economische Zaken

Waarborg Platina, Goud en Zilver

Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (CTB) Faunafonds

Jachtfonds (activiteiten worden overgenomen door het Faunafonds)

Stichting Bloembollenkeuringsdienst (BKD)

Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ)

Stichting Controleorgaan voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten (CPE)

Stichting Kwaliteitscontrolebureau voor groenten en fruit (CKB)

Stichting Naktuinbouw

Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Zaaizaad en Pootgoed voor Landbouwgewassen (NAK)

Stichting Skal Controleorganisatie voor biologische productiemethode

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Keuringsinstellingen ingevolge Wet op de Gevaarlijke Werktuigen

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Centraal Administratiekantoor Bijzondere Ziektekosten BV

College Bouw Ziekenhuisvoorzieningen (CBZ)

College Sanering Ziekenhuisvoorzieningen (CSZ)

College Tarieven Gezondheidszorg (CTG)

College Toezicht Zorgverzekeringen (CTZ)

Stichting Uitvoering Omslagregeling WTZ

2. Rechtspersonen, bedoeld in artikel 45, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, dat wil zeggen rechtspersonen met een niet bij of krachtens de wet geregelde, maar wel publieke taak, die daartoe worden bekostigd uit publieke middelen en die door aanwijzing hun liquide middelen slechts mogen uitzetten in de vorm van producten die voldoen aan door de Minister van Financiën te stellen eisen (Fido-kader).

(geen)


XNoot
1

Het advies van de Algemene Rekenkamer en de reactie van de minister daarop is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
2

Kamerstukken II, vergaderjaar 1999–2000, 27 066, nrs. 1–2.

XNoot
1

Uiteraard is een RWT bij de uitvoering van de publieke activiteiten onderworpen aan de desbetreffende specifieke weten regelgeving van de beleidsverantwoordelijke minister waarin de publieke verantwoording en het publieke toezicht is geregeld.

XNoot
1

Voor een aantal instellingen op lijst A geldt dat deze als gevolg van gecompliceerde juridische en bestuurlijke verhoudingen naar verwachting een ruime tijdspanne nodig hebben voor de invoering van het geïntegreerd middelenbeheer. Deze instellingen zijn met een (*) geoormerkt. Hierbij moet worden bedacht dat de regeling pas in werking kan treden nadat de 1e wijziging van de Comptabiliteitswet 2001 is vastgesteld.

XNoot
2

Afhankelijk van nader bestuurlijk overleg zal besloten worden over het al dan niet handhaven van de politieregio's op de A-lijst.

XNoot
3

Afhankelijk van nader bestuurlijk overleg zal besloten worden over het al dan niet handhaven van de onderwijsinstellingen op de A-lijst.

XNoot
1

Afhankelijk van nadere besluitvorming over de vormgeving van de NS-taakorganisaties, zullen de betrokken ministers nader overleg plegen over het al dan niet handhaven van deze organisatie op de A-lijst.

XNoot
2

Het UWV en de SVB vallen op grond van de wet SUWI vanaf 1 januari 2002 onder het regiem van het geïntegreerd middelenbeheer. Daarom staan ze niet op deze lijst, die gebaseerd is op de CW 2001.