nr. 54
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 1 mei 2002
Hierbij informeer ik u over mijn voornemen tot de oprichting van een interdepartementaal
kenniscentrum ordeningsvraagstukken. Hiermee wordt invulling gegeven aan de
kamerbreed gesteunde motie van het lid Voûte, ingediend bij de behandeling
van de EZ begroting op 18 oktober 20011.
In deze motie wordt onder meer opgeroepen om een kenniscentrum Liberalisering,
Privatisering en MDW op te richten.
1. Inleiding
Een belangrijke overweging bij de motie was dat een kenniscentrum het
lerend vermogen van de overheid op dit terrein zou kunnen vergroten. Ordeningsvraagstukken
doen zich voor op verschillende beleidsterreinen. Daarbij zijn er veel overeenkomsten
in de problematiek en de te kiezen oplossingen. Een meer gestructureerde informatie-uitwisseling
tussen verschillende beleidsterreinen, gecombineerd met een gezamenlijke kennisopbouw,
kan een wezenlijke bijdrage leveren aan een verdere verbetering van de kwaliteit
van de ordening van zowel private als (semi-)publieke sectoren.
2. Werkprogramma
Het streven is om in het kenniscentrum op termijn expertise op te bouwen
over de volle breedte van het spectrum van ordeningsvraagstukken. Partners
in het kenniscentrum zijn de betrokken departementen en toezichthouders. Vanzelfsprekend
zal het kenniscentrum goede contacten onderhouden met de kennisontwikkeling
in de wetenschap. De kennis staat ten dienste van de departementen, die op
vrijwillige basis gebruik kunnen maken van de diensten van het centrum. Concreet
wordt beoogd de kennis in te zetten ten behoeve van de voorbereiding van grotere
beleidsnota's, wetgevingstrajecten en het oplossen van problemen die zich
tijdens de implementatie voordoen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat de
oprichting van een kenniscentrum geen wijziging brengt in de verantwoordelijkheden
van de betrokken bewindspersonen.
De opbouw van de benodigde expertise zal enige tijd vergen. Om toch op
korte termijn een effectieve start te maken, en al snel toegevoegde waarde
te kunnen leveren in beleidsdiscussies, zal de aandacht in de komende periode
in eerste instantie gericht worden op kennisopbouw enuitwisseling rond de
ordening van netwerksectoren1. De keuze hiervoor
ligt voor de hand omdat het gaat om een aantal maatschappelijk en economisch
belangrijke sectoren, waarvoor verschillende ministeries beleidsmatig verantwoordelijk
zijn, terwijl er door het infrastructuurgebonden karakter veel overeenkomsten
zijn in de ordeningsvraagstukken. Mede vanuit deze motivatie is in een project
van het ministerie van Economische Zaken2 over
de ordening van netwerksectoren in het afgelopen jaar al kennis ontwikkeld,
verzameld en gebundeld op dit terrein. Gestreefd wordt naar een afwegingskader,
op basis waarvan het zoeken naar de juiste ordeningsvorm ondersteund wordt.
Het genoemde project van het ministerie van Economische Zaken heeft een aanzet
tot zo'n kader geleverd. Verder werkt het ministerie van Verkeer en Waterstaat
op dit moment aan het versterken van het kennisnetwerk voor ordeningsvraagstukken
voor de V+W sectoren.
Vanuit dit perspectief kan het kenniscentrum ordeningsvraagstukken een
goede start maken. Er zal op korte termijn interdepartementaal een gezamenlijk
onderzoeksprogramma opgesteld worden. Het streven is om in ieder geval jaarlijks
een aantal sectoren door middel van peer reviews
(gericht op het versterken van wederzijdse kennis bij betrokken departementen)
door te lichten, en om benchmarks uit te voeren.
Parallel aan de netwerksectoren ligt het voor de hand dat ook gebruik
wordt gemaakt van de kennis die de afgelopen jaren in MDW verband is opgebouwd.
Zo zijn er kaders ontwikkeld voor de toepassing van verschillende instrumenten
voor overheidsbeleid op het gebied van marktordening, zoals Veilen en andere
allocatiemechanismen, Concessies en aanbestedingen, Vouchers en persoonsgebonden
budgetten en Verhandelbare rechten. Daarnaast is er in de afgelopen kabinetsperiodes
ordeningskennis opgebouwd over o.a. de ordening van vrije beroepen en het
transitiemanagement bij liberaliseringprojecten. Deze kennis zal in de komende
periode verder worden uitgediept en binnen het kenniscentrum worden gebundeld.
Daarnaast zal op korte termijn in interdepartementaal verband worden bezien
hoe de verdere invulling van het werkprogramma van het kenniscentrum ordeningsvraagstukken
zal worden vormgegeven. Hierbij zal ook voor goede afstemming moeten worden
zorggedragen met activiteiten die in ander verband worden verricht.
3. Organisatie
Het kenniscentrum dient gedragen te worden door alle departementen die
op hun beleidsterrein ordeningsvraagstukken tegenkomen. Het centrum zal dan
ook een interdepartementale opzet kennen. De implementatie ervan zal door
het ministerie van Economische Zaken worden gefaciliteerd, waarbij de personele
invulling grotendeels via detachering en onderlinge uitwisseling vanuit de
betrokken departementen zal worden vormgegeven. Voorts zullen voor specifieke
activiteiten projecten worden gedefinieerd waarin betrokken departementen
op ad-hoc basis participeren. Het werkprogramma van het kenniscentrum zal
in interdepartementaal verband worden vastgesteld. Ik zal U rond de zomer
berichten over de verdere inhoud en organisatie van het kenniscentrum.
De Minister van Economische Zaken,
A. Jorritsma-Lebbink
XNoot
1TK 01/02, 28 000 XIII, nr. 17.
XNoot
1Het gaat daarbij in eerste instantie om de volgende sectoren: post, telecommunicatie,
kabel, spoor, bus, luchthavens, drinkwater, afvalwater, afval, elektriciteit
en gas.
XNoot
2Met betrokkenheid van het ministerie van Financiën en een adviserende
rol van NMa/DTe en CPB.