Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201027925 nr. 378

27 925
Bestrijding internationaal terrorisme

nr. 378
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 januari 2010

In vervolg op de brief met kenmerk Kamerstuk 27 925, nr. 375 van 4 januari jl. en met referentie aan het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken van 11 december 2009 met kenmerk 2009Z24160/2009D63717 inzake de Afghanistan conferentie in Londen op 28 januari 2010, willen wij u middels deze brief op de hoogte stellen van de Nederlandse inzet tijdens die conferentie.

De voorbereiding van de bijeenkomst in Londen vond op 20 januari jl. plaats in Kabul met een vergadering van de Joint Coordination and Monitoring Board (JCMB), het voornaamste overleggremium tussen de internationale gemeenschap en de Afghaanse regering. De conferentie in Londen zal geopend worden door de Afghaanse president, de Britse premier en de secretaris-generaal van de VN. Het inhoudelijke gedeelte van de conferentie richt zich op drie hoofdonderwerpen, waarover door vertegenwoordigers van de Afghaanse regering een presentatie gegeven zal worden: veiligheid, ontwikkeling en goed bestuur en regionale samenwerking.

Mede vanwege het feit dat afronding van de kabinetsformatie in Afghanistan langer op zich laat wachten dan aanvankelijk voorzien, leent het ene onderwerp zich meer voor concrete besluitvorming dan het andere. Onze verwachting is dat de conclusies op het gebied van veiligheid vrij concreet zullen zijn, met name ten aanzien van de uitbreiding van leger en politie en ten aanzien van een Afghaans initiatief voor reïntegratie van strijders. Over ontwikkelings-gerelateerde onderwerpen en regionale samenwerking zullen richtinggevende in plaats van conclusieve aanbevelingen gedaan worden. De conferentie dient de strategische richting aan te geven, waarna de uitkomsten worden geconcretiseerd tijdens een internationale conferentie in Kabul dit voorjaar. Hieronder wordt nader ingegaan op de drie hoofdtthema’s van de conferentie in Londen.

Hoewel de urgentie voor de nieuwe regering om tot actie te komen en de problemen snel aan te pakken, groot is, zijn wij in algemene zin van mening dat de mate van Afghaans eigenaarschap van de voorbereiding op deze conferentie, bemoedigend is. Op alle hoofdonderwerpen zijn Afghaanse ministeries, ondanks het feit dat de kabinetsformatie nog niet is afgerond, hard bezig met het ontwikkelen van beleid, dat uitvoering moet geven aan de plannen die president Karzai in zijn inaugurele rede van 19 november vorig jaar ontvouwde. De conferentie in Londen moet dan ook vooral een politieke impuls betekenen voor internationale betrokkenheid bij Afghanistan. Op de vervolgconferentie in Kabul zal de Afghaanse regering naar verwachting beleidsplannen kunnen presenteren, waar de internationale gemeenschap zich over uit zal spreken en – waar mogelijk en afhankelijk van de inhoud – zich aan zal committeren.

In het kader van veiligheid zal in Londen gesproken worden over transitie van verantwoordelijkheden aan de Afghaanse overheid, over reïntegratie van strijders en over de omvang van het Afghaanse leger en de Afghaanse politiemacht. Nederland is van mening dat volgend jaar het proces van transitie van eindverantwoordelijkheid voor veiligheid aan de Afghaanse overheid van start moet gaan. Dit proces dient met voldoende waarborgen omgeven te zijn, zodat duurzaamheid is verzekerd. Dat betekent dat transitie niet uitsluitend een militair proces is: het gaat niet alleen om goed getrainde en goed uitgeruste veiligheidstroepen, transitie is ook een kwestie van adequaat openbaar bestuur. Vanwege deze brede visie op het proces van transitie zal Nederland in Londen aandacht vragen voor de bestuurlijke inbedding: er is nog steeds een tekort aan goed geschoolde ambtenaren. Met name in de provincie zijn de tekorten schrijnend. Evenmin is er een wetgevend beleidskader voor lokaal bestuur vastgesteld, hetgeen duurzame verbetering op dit vlak vertraagt. Wij zijn dan ook van mening dat op het gebied van capaciteitsopbouw en kwaliteitsverbetering van het openbaar bestuur een groter gevoel van urgentie aangewezen is. Nederland zal in Londen de Afghaanse regering en de VN oproepen om de beleidsinitiatieven die op dit vlak ontwikkeld worden, concreter te maken met een duidelijk tijdpad, mede met het oog op het proces van transitie.

De Afghaanse regering zal in Londen een beleidsinitiatief presenteren voor de reïntegratie van Talibanstrijders. Nederland zal dit verwelkomen en wijzen op het belang dat in dit kader aan de sociaal-economische aspecten gegeven moet worden: de gemeenschappen waarin strijders opgevangen moeten worden moeten hier wel klaar voor zijn. Uitsluitend financiële incentives zijn gevoelig voor corruptie. Ook moet voorkomen worden dat door teveel aandacht voor de oud-strijder, een duurzame opname in de gemeenschap in de waagschaal wordt gesteld en aanleiding geeft tot nieuwe conflicten en corruptie. Uiteraard mag reïntegratie niet leiden tot straffeloosheid. Op initiatief van het VK en Japan zal de instelling van een trustfund aangekondigd worden om dit proces financieel te ondersteunen. Nederland verwelkomt de Afghaanse plannen op het gebied van reïntegratie en zal deze nader bestuderen. Parallel zal de Afghaanse regering werken aan het hogere doel van verzoening met de Taliban en initiatieven ontwikkelen om een vredesproces op gang te brengen. Een dergelijk proces zal uiteraard de reïntegratie van strijders bevorderen en vice versa. Afghaans leiderschap is voor Nederland essentieel en een absolute voorwaarde voor een duurzame oplossing.

Ten slotte zal op veiligheidsgebied een nieuwe doelstelling voor het jaar 2011 voor de omvang van de Afghaanse veiligheidsstructuren (ANSF – Afghan National Security Forces) aangekondigd worden. Momenteel is het streven in oktober 2010 de maximale omvang van de politiemacht 109 000 te laten bedragen en die van het leger 134 000. Nederland is doordrongen van de noodzaak van een verdere groei van de ANSF en zal een gecontroleerde verdere groei per oktober 2011 tot 171 600 ANA en 134 000 ANP dan ook kunnen steunen. De kwantitatieve doelstellingen mogen echter niet ten koste gaan van de kwaliteit. De rol van ISAF op het gebied van training dient dan ook navenant te groeien.

Ten aanzien van ontwikkeling is de Nederlandse inzet gericht op een verbetering van het openbaar bestuur, zoals hierboven uiteengezet. De internationale gemeenschap moet ook zelf orde op zaken stellen om dit proces te ondersteunen: donorcoördinatie moet derhalve beter. Nederland steunt versterking van de coördinerende rol van UNAMA. Verder moet versterking van de senior civilian representative binnen ISAF leiden tot betere coördinatie van de civiele inspanningen van ISAF en betere samenwerking met UNAMA.

Ook de EU moet samenhangender optreden om haar steentje bij te dragen aan dit proces. In dit kader zijn de uitvoering van het EU Actieplan voor Afghanistan en Pakistan en het aantreden van één EU-vertegenwoordiger in Kabul als gevolg van het in werking treden van het Verdrag van Lissabon, belangrijke aandachtspunten. Afhankelijk van een nadere prioritering door de Afghaanse overheid en vorderingen op het gebied van corruptiebestrijding, kan de internationale gemeenschap ertoe overgaan om meer middelen via de Afghaanse begroting te kanaliseren. Afghaanse initiatieven om de interne coördinatie te verbeteren, zoals het clusteren van ministeries rond de thema’s landbouw, economie en menselijk kapitaal met een sterke coördinerende rol van het ministerie van Financiën, worden door Nederland krachtig ondersteund. Het is dergelijk Afghaans leiderschap dat nodig is om werkelijk uitvoering te geven aan de eigen ontwikkelingsagenda en daarin prioritering aan te brengen.

Ook bestrijding van corruptie is een belangrijk thema waar door de nieuwe regering Karzai prioriteit aan wordt gegeven. Nederland zal oproepen tot krachtig beleid om corruptie tegen te gaan. Hierbij is het van belang dat er een coherent institutioneel raamwerk komt, dat steunt op een heldere juridische basis. Uiteindelijk moet dit leiden tot een klimaat van openheid en een werkelijke cultuurverandering binnen het ambtenarenapparaat. Dat zal tijd kosten. Maar vooruitgang op dit punt is niet alleen belangrijk voor de integriteit en de effectiviteit van het Afghaanse bestuur, ook voor het draagvlak binnen donorlanden is dit cruciaal en iets waar de nieuwe regering op afgerekend zal worden.

In algemene zin zal Nederland in Londen opmerken dat de betrokkenheid en de rol van vrouwen bij het tot stand komen van de beleidsinitiatieven en de verdere uitwerking ervan tot op heden onvoldoende is. Juist bij de ontwikkeling van nieuw beleid moeten vrouwen betrokken zijn, om de effecten op juiste waarde te kunnen schatten en te zorgen dat nieuw beleid een bijdrage levert aan de verbetering van de nog steeds zwaar achtergestelde positie van vrouwen in Afghanistan.

Ten slotte zal de conferentie spreken over regionale samenwerking. Hoewel de voortekenen voor een verdere toenadering tussen Pakistan en Afghanistan positief zijn, is er nog geen sprake van een regionaal beleid dat door alle betrokken buurlanden binnen een vaststaand institutioneel kader wordt gedragen. De komende periode is in dat opzicht van groot belang, aangezien een duurzame oplossing voor de problemen in zowel Afghanistan als in Pakistan alleen mogelijk zal zijn als alle belanghebbenden op constructieve wijze hieraan meewerken en zij de banden, bijvoorbeeld op handelsgebied, nauwer aanhalen. De rol die derde landen in dit kader spelen, zoals Turkije dat in aanloop naar Londen volgende week een conferentie organiseert met alle relevante spelers in de regio, is positief en wordt door Nederland verwelkomd.

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen

De minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

A. G. Koenders