27 925
Bestrijding internationaal terrorisme

nr. 325
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN, VAN DEFENSIE, EN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 oktober 2008

Overeenkomstig het verzoek van de Kamer om regelmatig te worden geïnformeerd over de voortgang van de missie in Afghanistan, doen wij u hierbij de periodieke stand van zakenbrief toekomen.

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen

De minister van Defensie,

E. van Middelkoop

De minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

A. G. Koenders

Inleiding

Op 20 juni jl. ging uw Kamer de laatste brief toe over de stand van zaken met betrekking tot Afghanistan (Kamerstuk 27 925, nr. 315). Deze brief gaat in op de ontwikkelingen in de laatste vier maanden op het gebied van opbouw, politieke en bestuurlijke ontwikkelingen, militaire zaken, de wederopbouw van de Afghaanse veiligheidsorganisaties en de komst van nieuwe partners. In deze brief zijn de toezeggingen verwerkt zoals gedaan tijdens het algemeen overleg van 2 juli jl., alsmede de verzoeken van de Kamer in de brief van 9 september jl. over de te behandelen onderwerpen in deze voortgangsrapportage (Kenmerk 08-DEF-B-144).

Op 7 september jl. is de 21-jarige soldaat der eerste klasse Jos ten Brinke om het leven gekomen in Uruzgan, na een aanslag met een IED op het voertuig waarin hij zich bevond. De regering spreekt hierbij nogmaals haar diepgevoelde medeleven uit met zijn nabestaanden. Bij deze aanslag, en bij enkele andere, zijn verschillende militairen gewond geraakt. De toestand van de twee militairen die nog in het ziekenhuis liggen is stabiel en hun herstelproces vordert gestaag. De regering spreekt haar grote waardering uit voor de inzet van alle militairen, diplomaten en ontwikkelingswerkers, die onder moeilijke en gevaarlijke omstandigheden hun werk doen in Afghanistan.

De afgelopen maanden is de berichtgeving over Afghanistan gedomineerd door een toename van het aantal veiligheidsincidenten, met als triest dieptepunt de incidenten waarbij meerdere burgers omkwamen in de provincie Herat, de dood van tien Franse militairen in de omgeving van Kaboel en recent de aanslagen op meer dan 20 buspassagiers en op 2 medewerkers van een particulier koeriersbedrijf. De landelijke toename van het aantal veiligheidsincidenten en de gerichte Taliban-aanslagen op onder andere hulpverleners en Afghaanse overheidsvertegenwoordigers zijn een bron van grote zorg. Deze berichten geven overigens ten onrechte de indruk dat in het hele land de veiligheidssituatie alleen maar verslechtert. Ofschoon deze aanslagen de kwetsbaarheid op veel plaatsen aantonen, moet worden vastgesteld dat de Afghaanse autoriteiten in toenemende mate verantwoordelijkheid nemen voor de veiligheid in het land. Het centrale doel van ISAF is de Afghaanse overheid daarbij te steunen en in dat opzicht wordt vooruitgang geboekt. De internationale aanwezigheid in Afghanistan is dan ook niet gericht op een militaire overwinning op de Taliban, maar op het versterken van de Afghaanse overheid, het helpen verbeteren van de veiligheidssituatie en het stimuleren van de wederopbouw en goed bestuur. Over de volle breedte is langzame doch gestage voortgang waarneembaar. Toenemende veiligheid, meer democratie en verbetering van de levensomstandigheden voor de Afghanen zullen de ontvankelijkheid van de bevolking voor de druk van de leiders achter de gewapende tegenstand tegen de Afghaanse overheid uiteindelijk steeds verder verminderen. Dat is de essentie van de 3D-aanpak («Defence, Diplomacy, Development») in Afghanistan; tot stand brengen van duurzame stabiliteit en veiligheid in Afghanistan is een kwestie van lange adem.

Het vergt eerst en vooral van Afghaanse zijde grote en langdurige inspanningen om de kwaliteit van het openbaar bestuur te verbeteren en het vertrouwen onder alle groepen van de Afghaanse bevolking te herstellen. De recente ministersbenoemingen die door president Karzai zijn voorgelegd aan het parlement, zijn een positieve stap. Elders binnen het Afghaanse overheidsapparaat en vooral op provinciaal niveau verliest de versterking en uitbreiding van het overheidsapparaat vaart. De regering is hierover bezorgd en deze zorgen zijn nadrukkelijk kenbaar gemaakt, onder meer tijdens de ontmoeting van de Minister President, de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking met President Karzai in New York, eind september.

In Uruzgan blijven belangrijke functies als districtsgouverneur of districtspolitiecommandant vaak lang onvervuld, of voldoen nieuw benoemde bestuurders niet aan de criteria voor competentie, integriteit of tribale neutraliteit. Dit is een terugkerend onderwerp van gesprek met de Afghaanse autoriteiten omdat competente, neutrale lokale bestuurders cruciaal zijn voor het bereiken van duurzame stabiliteit in Uruzgan.

1. Terugblik missie Uruzgan 2006–2008 en start nieuwe missie 2008–2010

Nederland heeft nu ruim twee jaar een leidende verantwoordelijkheid voor de ondersteuning van de Afghaanse overheid bij het bevorderen in Uruzgan van veiligheid en stabiliteit, de ontwikkeling van het provinciale bestuur en sociale en economische ontwikkeling. In de «artikel 100-brief» over de huidige Nederlandse bijdrage in Uruzgan (Kamerstuk 27 925, nr. 279) werd een terugblik gegeven op de voortgang van de missie tot op dat moment. Geconcludeerd werd dat de eerste anderhalf jaar van de missie een gemengd beeld te zien gaf en dat de verworvenheden in Uruzgan nog niet onomkeerbaar waren. De regering heeft daarop besloten tot een nieuwe missie van nog eens twee jaar, met enkele belangrijke nieuwe en aanvullende accenten op basis van de opgedane ervaringen. Zo worden nu de opbouwinspanningen van de Afghaanse regering en NGO’s met meer middelen ondersteund en bevorderd, wordt meer geïnvesteerd in de opbouw van adequaat bestuur en worden de inspanningen op het gebied van training en begeleiding van leger en politie geïntensiveerd. Daarbij blijft het Nederlandse beleid erop gericht de lokale bestuurders, de lokale overheidsdiensten en de Afghaanse veiligheidsdiensten (ANSF) te assisteren naar zelfstandigheid in hun optreden («Afghaniseren»). Om die ontwikkeling beter te ondersteunen wordt tevens het civiele karakter van de missie versterkt. Sinds december 2007 is hard gewerkt aan de voorbereiding van de implementatie van deze nieuwe accenten, zodat deze bij de start van de nieuwe missie per 1 augustus dit jaar meteen een plaats konden krijgen in de werkzaamheden.

Wederopbouw

De eerste twee jaar van de missie heeft Nederland zich, naast het uitvoeren van snelle, zichtbare projecten, geconcentreerd op het leggen van een basis voor duurzame wederopbouw. Financieel en diplomatiek heeft Nederland veel geïnvesteerd in de samenwerking met de Afghaanse nationale programma’s en het faciliteren van hun komst naar Uruzgan; zie ook de aangehechte Annex inzake wederopbouw en ontwikkeling. Daartoe moest tevens worden geïnvesteerd in de lokale capaciteit in de provincie, zowel van de overheid als van NGO’s. Deze aanpak vergde geduld en vasthoudendheid en begint nu, twee jaar later, vruchten af te werpen. Nieuwe scholen en klinieken zijn opgericht in de hele provincie op basis van consultatie en samenwerking met lokale gemeenschappen. Ook hebben de Nederlandse inspanningen een groeiend aantal Afghaanse en internationale NGO’s en VN-organisaties naar de provincie gebracht waardoor de capaciteit voor het uitvoeren van wederopbouwactiviteiten in de provincie aanmerkelijk is gegroeid. Tekenend voor deze ontwikkeling is dat de regering in 2006 verwachtte jaarlijks ongeveer 6 miljoen euro te kunnen besteden, terwijl inmiddels al ruim 70 miljoen is gecommitteerd. Nu een begin is gemaakt met de meest basale voorzieningen voor de bevolking van Uruzgan, zijn nieuwe sectoren als water en energie geïdentificeerd waarin Nederland de komende jaren zal investeren.

Uruzgan was en is nog steeds één van de armste provincies in één van de armste landen ter wereld en de verwachtingen met betrekking tot de te bereiken resultaten mogen derhalve niet te hoog zijn. De regering heeft echter vertrouwen dat de Nederlandse inspanningen eind 2010 concrete vooruitgang zullen hebben gebracht in het dagelijks leven van het merendeel van de bevolking van Uruzgan.

Bestuur

Een van de belangrijkste problemen die Nederland constateerde bij de aanvang van de missie in 2006 was een acuut en breed gebrek aan capaciteit bij de lokale overheid. Een ernstig tekort aan afdoende infrastructuur, middelen en gekwalificeerd personeel betekende dat de Afghaanse overheid slechts op minimaal niveau functioneerde. Capaciteitsopbouw was dan ook van het begin af aan een van de hoofdprioriteiten van de missie. Nederland heeft geïnvesteerd in het verbeteren van overheidsgebouwen en de uitrusting van ambtenaren en heeft daarnaast, in samenwerking met VN en NGO’s, een begin gemaakt met het trainen en versterken van het overheidsapparaat. De gouverneur van Uruzgan kan beschikken over competente, speciale adviseurs die door Nederland gefinancierd worden. Daarnaast werkt de Task Force Uruzgan (TFU) nauw samen met de Afghaanse overheid op bijna alle aspecten van de missie. Projecten worden uitgevoerd in consultatie en samenwerking met lokale autoriteiten en de Afghanen worden zoveel mogelijk in staat gesteld zelf activiteiten uit te voeren. Dit is opnieuw een kwestie van lange adem. Het opbouwen van een professioneel en competent ambtenarenapparaat zal veel tijd kosten. Desalniettemin zijn op dit vlak de eerste stappen gezet en is de capaciteit van de lokale overheid uitgebreid.

Het verbeteren van bestuur is niet alleen een kwestie van opleiding van ambtenaren, maar ook van benoeming van competente, integere bestuurders door de Afghaanse regering. Op dit vlak loopt Uruzgan, evenals het zuiden van Afghanistan in zijn geheel, nog altijd achter. Belangrijke functies op districtsniveau moeten het te lang stellen zonder gekwalificeerde, formeel benoemde bestuurders. Aan de criteria waaraan dergelijke functionarissen moeten voldoen wordt soms voorbij gegaan. Nederland spreekt de Afghaanse overheid hier op alle niveaus stevig op aan en steunt het Independent Directorate for Local Government, dat tot taak heeft het bestuur op provinciaal en lokaal niveau te versterken.

De stammencultuur blijft een belangrijke factor in het maatschappelijk leven. Tribale loyaliteiten zijn veelal belangrijker voor lokale bestuurders of politieagenten dan de formele verantwoordelijkheid die verschuldigd is aan de Afghaanse overheid. Dit werkt corruptie in de hand en ondermijnt de geloofwaardigheid van de overheid bij de lokale bevolking. Hierdoor wordt de slagvaardigheid van de landelijke en de provinciale overheid beperkt, terwijl het overheidshandelen juist de kern zou moeten vormen van een betere toekomst voor Afghanistan. Het vooruitzicht van de verkiezingen leidt er bovendien toe dat ook hogere autoriteiten en bestuurders hun banden met hun tribale achterban aanhalen, hetgeen het functioneren van de bestuurslijnen van centraal naar lokaal niveau niet bevordert.

Constante aandacht voor de bestuurlijke situatie is dan ook een van speerpunten van de Nederlandse diplomatieke inspanningen, in de wetenschap dat het aan de Afghaanse overheid zelf is om het bestuur te verbeteren en verder vorm te geven. Op bestuur wordt nader ingegaan in de paragraaf over opbouw en ontwikkeling.

Veiligheid

Veiligheid en stabiliteit zijn cruciaal voor het boeken van vooruitgang bij wederopbouw en versterking van het bestuur. Tegelijk is goed bestuur een belangrijke randvoorwaarde voor de verbetering van de stabiliteit en veiligheid. Het winnen van het vertrouwen van de bevolking die decennia van conflict heeft moeten verduren, is niet eenvoudig. De Taliban zijn daarbij een tegenstander gebleken die behendig gebruik maakt van lokale conflicten en spanningen en die bruut geweld en intimidatie niet schuwt bij het beïnvloeden van de lokale bevolking. Voor het succes van de Nederlandse missie is het cruciaal gebleken om gedetailleerde kennis en inzicht te vergaren in de tribale verhoudingen en spanningen in de provincie. Nederland maakt zich sterk voor representatief en competent bestuur en probeert met gerichte projecten stammen tot elkaar te brengen en lokale spanningen te verminderen. Slechts door de gehele bevolking van Uruzgan te overtuigen dat zij te winnen heeft bij een sterke Afghaanse overheid kan de voedingsbodem voor de Taliban worden verwijderd. Waar de Taliban de confrontatie zoeken, moet deze met militaire middelen worden beantwoord.

Het centrale doel van de ISAF-missie is de Afghaanse overheid te helpen zelf de veiligheidsproblemen in haar land ter hand te nemen. Capaciteitsvergroting bij leger en politie zijn daarvoor eerste vereiste, reden waarom Nederland in Uruzgan ten aanzien van beide sterk heeft geïnvesteerd (zie ook hieronder paragraaf 5 over Militaire ontwikkelingen). Nederland heeft vanaf het begin van de missie de ontplooiing van afdoende Afghaanse troepen in Uruzgan bepleit. In 2006 streefde Nederland daarbij naar de plaatsing van 1200 militairen in de provincie. Sinds de ontplooiing van de 4e ANA Brigade in de winter van 2007/2008 is dat aantal inmiddels ruimschoots overschreden. Door training en de inzet van Operational Mentoring and Liaison Teams (OMLT’s) is bovendien de kwaliteit van de Afghaanse troepen gestaag verbeterd. Afghaanse militairen nemen inmiddels deel aan het overgrote deel van de operaties en zijn in toenemende mate in staat om op lager niveau zelfstandig te opereren. Naarmate de Afghaanse strijdkrachten en politie (Afghan National Security Forces – ANSF) beter getraind raken, zullen ze meer op de voorgrond treden en krijgt de veiligheid nadrukkelijk een Afghaans gezicht. Dit proces is inmiddels vergaand geïmplementeerd in Kaboel, waar de verantwoordelijkheid voor de veiligheid geleidelijk aan de Afghaanse autoriteiten wordt overgedragen.

Hoewel de Afghaanse politie (Afghan National Police – ANP) minder ver gevorderd is dan het leger (Afghan National Army – ANA), is ook hier vooruitgang geboekt. Met de training van duizend hulpagenten en vervolgtrainingen om ruim 650 van deze hulpagenten op te werken tot volwaardige politieagenten, is het politiekorps van Uruzgan sterk in omvang gegroeid. De kwaliteit is ook verbeterd, al blijft verder professionalisering nodig. In de komende twee jaar zullen de Nederlandse inspanningen op dit gebied, die onder andere vallen binnen de door de EU gecoördineerde politiemissie, worden geïntensiveerd. Met de uitrol van het Amerikaanse Focused District Development (FDD)-programma voor politieagenten uit de districten Deh Rawod en Tarin Kowt, de inzet van Nederlandse Police Mentoring Teamsen forse investeringen in de politie-infrastructuur verwacht Nederland, samen met de partners in Uruzgan, de kwaliteit van de politie structureel te kunnen verbeteren.

Civiele versterking

Bij de aanvang van de missie beschikte de TFU over één politieke adviseur (POLAD). Thans beschikt de TFU over een civiele staf van 13 personen, waarin niet langer alleen personeel van het ministerie van Buitenlandse Zaken, maar ook extern ingehuurde experts en een drugsbestrijdingsexpert van het KLPD zijn vertegenwoordigd. Ook op het gebied van politieopbouw wordt de inzet van de Koninklijke marechaussee binnenkort aangevuld met adviseurs van het KLPD, die worden ontplooid in het kader van EUPOL.

De toegenomen civiele presentie in Uruzgan is de opmaat voor het onder civiele leiding plaatsen van het PRT. Aan de Kamer is toegezegd er naar te streven dit uiterlijk in augustus 2009 te realiseren en de regering verwacht dat tijdpad te kunnen volgen.

De versterking van het civiele karakter van de Nederlandse bijdrage is breder dan de uitbreiding van de civiele staf in Tarin Kowt. Wellicht belangrijker is de komst van Afghaanse en internationale NGO’s, VN-organisaties en het bedrijfsleven. Zo hecht Nederland groot belang aan de komst van UNAMA naar Uruzgan, waar de organisatie nog dit jaar een kantoor hoopt te openen. Uiteindelijk streeft de internationale gemeenschap in Afghanistan naar normalisering van de situatie, waarbij een sterke militaire presentie niet langer noodzakelijk is om de opbouw van het land mogelijk te maken. Wederopbouw en ontwikkeling zullen uiteindelijk moeten worden gerealiseerd in samenwerking tussen de Afghaanse overheid, donoren en internationale en nationale uitvoerende organisaties.

2. Internationale en regionale context

VN

Tijdens het Veiligheidsraaddebat over Afghanistan van 14 oktober jl. presenteerde Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal van de VN, Kai Eide, zijn voortgangsrapport waarin hij een aantal zorgelijke ontwikkelingen schetste ten aanzien van de veiligheidssituatie in het land. Eide plaatste daar tegenover echter ook enkele positieve ontwikkelingen, zoals de recente verbetering in de relatie tussen Afghanistan en Pakistan, een lichte daling van de teelt en productie van opium en de aangekondigde herschikking van de Afghaanse regering, waarmee competente bestuurders zijn benoemd op enkele belangrijke posten.

Nederland heeft in het debat steun uitgesproken voor Eide en voor een sterkere VN-rol in Afghanistan. Ook werd de Afghaanse overheid opgeroepen om corruptie te bestrijden en competente bestuurders aan te stellen.

Op 22 september jl. had de VN Veiligheidsraad al met consensus resolutie 1833 aangenomen, waarmee het mandaat van ISAF met twaalf maanden werd verlengd. Tot tevredenheid van de regering zijn in de resolutie meerdere punten overgenomen waarvoor Nederland zich in internationaal overleg sterk heeft gemaakt. De resolutie benadrukt de centrale rol van de VN en de Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-Generaal en roept alle Afghaanse partijen op om te komen tot een verzoeningsproces binnen het kader van de Afghaanse grondwet. Tenslotte is het belang onderstreept van het zoveel mogelijk vermijden van burgerslachtoffers, waarbij de inspanningen van ISAF op dit terrein worden erkend.

Op 23 september jl. ondertekenden de Secretaris-Generaal van de VN, Ban Ki Moon, en de Secretaris-Generaal van de NAVO, De Hoop Scheffer, een gezamenlijke verklaring over de VN-NAVO samenwerking. Nederland verwelkomt deze verklaring die een formeel raamwerk biedt voor nauwere samenwerking tussen beide organisaties op het gebied van vrede en veiligheid. De verklaring opent de weg naar een nog intensievere en structurele samenwerking tussen VN en NAVO in Afghanistan.

En marge van de Algemene Vergadering van de VN (AVVN) sprak de minister van Buitenlandse Zaken met Eide over het voornemen van UNAMA om een permanent kantoor te openen in Tarin Kowt. De verwachting is dat het UNAMA-kantoor nog dit jaar kan worden geopend. De opening van dit kantoor is van groot belang voor de ontwikkeling van Uruzgan, reden waarom Nederland bij herhaling daarop heeft aangedrongen. De opening is vertraagd door een aantal, goeddeels buiten de VN liggende redenen (waaronder de dood van de beoogd directeur als gevolg van een aanslag) en deze zal wat betreft logistiek en de personele bezetting nog enige voeten in de aarde zal hebben. Hoewel de veiligheidssituatie in Tarin Kowt nog verre van ideaal is, is deze de afgelopen periode dermate verbeterd, dat UNAMA en andere organisaties de stap zetten om zich daar te vestigen. De Nederlandse regering heeft bij de heer Eide, onder meer tijdens een ontmoeting van de minister van Buitenlandse Zaken met hem in New York, nogmaals steun voor het werk van UNAMA uitgesproken.

Op 16 oktober stemde een ruime meerderheid van de Duitse Bondsdag in met de verlenging met 14 maanden van de Duitse deelname aan ISAF en een verhoging van het aantal troepen van 3500 naar 4500 manschappen. Duitsland zal onder andere extra OMLT’s en de Quick Reaction Force voor het noorden leveren en heeft voor het eerst de inzet van Duitse verkenners in Kandahar, in het zuiden van Afghanistan, opgenomen in het mandaat.

Pakistan

Asif Ali Zardari, weduwnaar van oud-premier Benazir Bhutto en medevoorzitter van de Pakistan Peoples Party (PPP), werd op 6 september 2008 gekozen tot president van Pakistan. Zardari is hiermee tevens opperbevelhebber van het leger. De verkiezingen volgden op het aftreden van toenmalig president Musharraf medio augustus 2008. De aanwezigheid van de Afghaanse president Karzai als eregast bij de eedaflegging van Zardari op 9 september is een positief signaal voor de betrekkingen met Afghanistan. President Zardari heeft zich in zijn eerste maanden als president uitgesproken voor betere samenwerking met Afghanistan en India. Zo noemde Zardari in zijn toespraak tot Algemene Vergadering van de VN regionale samenwerking cruciaal. Pakistan wil samenwerken met Afghanistan en de NAVO om de Pakistaans/Afghaanse grens te bewaken. De Secretaris-Generaal van de NAVO is hierover een oriënterend gesprek begonnen met Pakistan.

De Pakistaanse regering zal een antwoord moeten formuleren op de dreiging van terrorisme en extremisme, waarvan de aanslag op het Marriott hotel in Islamabad op 20 september 2008 een tastbaar voorbeeld was. De voortgaande Talibanisering in de grensregio met Afghanistan is zorgelijk. Naast de veiligheidsproblematiek heeft Pakistan te kampen met groeiende economische problemen. Buitenlandse investeringen zijn grotendeels opgedroogd; er is sprake van energietekorten en een oplopend begrotingstekort kan leiden tot een verdieping van de economische crisis. Teneinde dit te voorkomen heeft de Pakistaanse overheid zich gewend tot de Asian Development Bank en de Wereldbank. Daarnaast zijn onderhandelingen gaande met Saudi-Arabië over een financieel pakket van 5 à 6 miljard dollar bedoeld voor de financiering van olie-importen.

Pakistan heeft de steun van de internationale gemeenschap nodig bij het bezweren van deze crises. Nederland dringt aan op een actieve EU-rol om het Pakistaanse volk te helpen in de huidige precaire economische en financiële situatie.

Samenwerking NAVO-Pakistan

Het aantreden van de nieuwe Pakistaanse regering onder civiel leiderschap is ook voor de NAVO aanleiding om te bezien of de samenwerking met Pakistan kan worden geïntensiveerd. De secretaris-generaal van de NAVO sprak tijdens de AVVN in New York met de Pakistaanse minister van Buitenlandse Zaken over mogelijkheden voor concrete samenwerking. De Nederlandse regering steunt het uitwerken van een nauwere samenwerking tussen de NAVO en Pakistan. Pakistan is onmisbaar voor het bereiken van onze doelen in Afghanistan. De NAVO kan een belangrijke voorbeeldfunctie hebben als moderne, transparante veiligheidsstructuur onder civiele aansturing en controle. De secretaris-generaal bezoekt eind oktober Pakistan om verder over deze materie te spreken.

Afghaans-Pakistaanse grensgebieden

Het Afghaans-Pakistaanse grensgebied is cruciaal voor de veiligheid en stabiliteit van beide landen en het succes van de ISAF-missie. Onder delen van de Pashtun-bevolking aan beide zijden van de grens is sprake van vervreemding en afkeer van de nationale regeringen. Deze groepen zijn vatbaar voor rekrutering door extremistische en gewelddadige groeperingen. President Zardari en premier Gilani hebben bij verschillende gelegenheden de eigen Pakistaanse verantwoordelijkheid bevestigd bij de strijd tegen het terrorisme en het belang benadrukt van een overkoepelende strategie van politiek-bestuurlijke hervormingen, sociaal-economische ontwikkeling en militair ingrijpen in de grensgebieden met Afghanistan. De implementatie van dit beleid laat een gemengd beeld zien. Na een poging van de Pakistaanse regering om de problemen in de grensregio door middel van onderhandelingen op te lossen heeft het Pakistaanse leger, mede onder internationale druk, een offensief ingezet in Bajaur en Swat.

Militaire informatie-uitwisseling en samenwerking tussen Afghanistan, Pakistan en ISAF wordt besproken in de Tripartiete Commissie (TPC), die op verschillende niveaus bijeenkomt.

Een van de concrete uitkomsten van het overleg binnen de TPC is de deelname door Pakistan aan de eerste van zes op te richten Border Coordination Centres.

Vanaf de val van de Taliban in 2001 heeft Iran bijgedragen aan de wederopbouw van Afghanistan. Met name op het gebied van elektriciteit en infrastructuur in de aan Iran grenzende provincies heeft het zich een goede buur betoond. Beide landen hebben dan ook veel gemeen: geschiedenis, taal, etnische achtergrond en religie, al wonen in Iran overwegend sjiieten en in Afghanistan overwegend soennieten. Bovendien wonen miljoenen Afghanen in Iran, deels als geregistreerd vluchteling. Iran heeft zich gecommitteerd aan het principe van vrijwillige terugkeer van geregistreerde Afghaanse vluchtelingen. De bilaterale betrekkingen tussen beide regeringen zijn goed. Iran heeft echter te lijden onder de toevloed van opium en heroïne uit Afghanistan. Enkele doorvoerroutes lopen door Iran en zorgen voor een toename van criminaliteit, maar ook voor een toenemende verslavingsproblematiek.

De rol van Iran is echter niet alleen maar positief. In Afghanistan is bij verschillende gelegenheden materieel onderschept, waaronder wapens en munitie, dat vermoedelijk afkomstig was uit Iran. Ofschoon directe betrokkenheid van de Iraanse regering bij deze leveranties niet is aangetoond, kan de betrokkenheid van elementen binnen de Iraanse overheid of het militaire apparaat niet worden uitgesloten. De Nederlandse regering heeft Iran opgeroepen een constructieve bijdrage te leveren aan de veiligheid en stabiliteit in Afghanistan en zich maximaal in te spannen om illegale uitvoer van wapens tegen te gaan.

India

Na de verdrijving van de Taliban heropende India in 2001 zijn ambassade in Kaboel en is het sindsdien actief betrokken bij opbouwwerkzaamheden. India is het belangrijkste land voor de export van Afghaanse goederen. Tijdens het staatsbezoek van president Karzai aan India begin augustus dit jaar, zegde premier Singh een bedrag van 450 miljoen dollar toe voor hulp bij wederopbouw, bovenop een bedrag van 750 miljoen dollar dat eerder was toegezegd voor de periode 2002–2009. Naast een voedselhulpprogramma ter waarde van 100 miljoen dollar is één van de meest prominente Indiase projecten de aanleg van een 218 kilometer lange weg van Delaram naar Zaranj aan de Iraans-Afghaanse grens. Andere in het oog springende projecten die door India worden gefinancierd zijn de bouw van het parlementsgebouw, een waterkrachtcentrale in Herat, de bouw van ziekenhuizen in Kaboel, Jalalabad, Herat, Mazar-e-Sharif en Kandahar en de aanleg van een hoogspanningskabel ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening van Kaboel. Daarnaast bestaan er beurzenprogramma’s voor Afghaanse studenten die in India willen studeren. Bij de uitvoering van de door India gefinancierde projecten in Afghanistan zijn ruim 4000 Indiërs betrokken.

De Taliban hebben regelmatig de Indiase aanwezigheid in Afghanistan tot doelwit van aanslagen gemaakt. Het trieste dieptepunt hiervan vormde de zelfmoordaanslag op de Indiase ambassade in Kaboel op 7 juli jl., waarbij 58 mensen, waaronder vier Indiërs, om het leven kwamen. Afghanistan en India kondigden onlangs aan nauwer te gaan samenwerken op het gebied van terrorismebestrijding.

China

Hoewel Afghanistan voor China geen prioriteitsland is, heeft China een groot aantal wederopbouwprojecten in Afghanistan gestart en onderhouden de landen in het algemeen vriendschappelijke banden. De Chinese inspanningen op het gebied van wederopbouw betreffen vooral infrastructuur, communicatie, irrigatie, ziekenhuizen en capaciteitsopbouw van de overheid. China heeft ook 30 Afghaanse politieagenten getraind. Tijdens de recente internationale donorconferentie in Parijs zegde China ongeveer 5 miljoen euro toe voor de Afghaanse wederopbouw.

Van grotere betekenis is de Chinese investering van ruim 3 miljard dollar in de Aynak kopermijn in de Afghaanse provincie Logar, ten zuiden van Kaboel. Het contract hiervoor werd op 25 mei 2008 gesloten tussen de China Metallurgical Group Corp, de Jiangxi Copper Corporation en de Zijing Mining Group Company enerzijds en het Afghaanse ministerie van mijnbouw anderzijds. Deze investering, de grootste ooit in Afghanistan, omvat niet alleen de exploratie, maar ook de bouw van een elektriciteitscentrale, een spoorlijn van Tadzjikistan naar Pakistan, en de bouw van ziekenhuizen en scholen. Dit zou 10 000 arbeidsplaatsen opleveren, een aandeel in de opbrengst voor de Afghaanse overheid van naar schatting 400 miljoen dollar op jaarbasis en 200 miljoen dollar aan belastingopbrengsten. Het is aannemelijk dat de Chinese investeringen nog zullen toenemen gezien de ruime beschikbaarheid in Afghanistan van natuurlijke hulpbronnen (olie, aardgas, ijzererts, goud en vooral koper). Bovendien worden buitenlandse investeerders sinds enige tijd toegelaten tot de aanbestedingsprocedures van het door de Afghaanse regering opgezette privatiseringsprogramma.

3. Interne politieke ontwikkelingen

Verkiezingen

In het najaar van 2009 zijn in Afghanistan presidentiële en provinciale verkiezingen voorzien. In de zomer van 2010 volgen parlementaire en lokale verkiezingen. De kiezersregistratie is deze maand van start gegaan in centraal en noordoost Afghanistan, waaronder de provincie Dai Kundi. In Uruzgan zal de kiezersregistratie in januari 2009 aanvangen en een maand duren. Nederland zal een bijdrage leveren van vijf miljoen euro aan UNDP ter financiering van de kiezersregistratie.

De lokale autoriteiten en de Afghaanse Nationale Politie (ANP) zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor een ordelijk en veilig verloop van de kiezersregistratie. Het Afghaanse leger (ANA) staat paraat als reservemacht ter eventuele ondersteuning van de politie. Waar nodig wordt het leger daarbij ondersteund en begeleid door ISAF. Een succesvolle kiezersregistratie is een voorwaarde voor representatieve verkiezingen en daarmee een belangrijke stap in het versterken van de legitimiteit van het openbaar bestuur van Afghanistan.

President Karzai benoemde op 14 mei jl. vijf van de zeven leden van de Onafhankelijke Kiescommissie. De overige twee leden, waaronder voorzitter dr. Azizullah Lodin, waren twee maanden eerder al benoemd. Het Afghaanse parlement nam begin september 2008 de nieuwe Wet op de Organisatie van de Onafhankelijke Kiescommissie aan. Volgens deze wet moeten de presidentiële benoemingen van de leden van de Kiescommissie door het parlement worden goedgekeurd. De wet is nog niet door de president bekrachtigd, en het is nog onduidelijk of de nieuwe wet invloed zal hebben op de zittingstermijn van de huidige Kiescommissie. Bij de benoeming van de huidige leden van de Kiescommissie heeft Karzai het parlement niet vooraf geconsulteerd. Daarmee bestaat het risico dat de status van de Kiescommissie, en daarmee wellicht de legitimiteit van de verkiezingsuitslag, zal worden betwist door de oppositie.

Het ziet ernaar uit dat de komende verkiezingen nog onder de oude Kieswet gehouden zullen worden, omdat de nieuwe Kieswet nog steeds ter goedkeuring bij het parlement ligt. Zowel inhoudelijk als procedureel zal dit naar verwachting weinig consequenties hebben voor het verloop van de verkiezingen.

Kabinetswijziging

Op 11 oktober heeft president Karzai enkele wijzigingen in zijn regering aangekondigd, die op het moment van schrijven van deze brief nog door het parlement moeten worden goedgekeurd. De belangrijkste voorgenomen wissel betreft minister van Onderwijs Haneef Atmar, die de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken wordt. Nederland juicht deze voordracht toe. Onder zijn voorganger, minister Zarar Moqbil was de hervorming van het ministerie van Binnenlandse Zaken gestagneerd. Minister Atmar heeft zijn bestuurlijke kwaliteiten op onderwijs bewezen en wordt in staat geacht het weerbarstige politiedossier op de rails te krijgen. Nederland zal hem hierbij, waar nodig, steunen. Minister Farouk Wardak, voormalig minister van parlementaire zaken, is voorgedragen als opvolger van Atmar op als minister van Onderwijs. Asadullah Khaled, voormalig gouverneur van Kandahar, is voorzien als opvolger van Farouk Wardak als minister voor Parlementaire Zaken.

Verder is de bekwame vice-minister Asef Rahimi van Rehabilitatie en Plattelandsontwikkeling (MRRD) voorgedragen als minister van Landbouw, Irrigatie en Veeteelt. Voormalig minister van Binnenlandse Zaken, Zarar Moqbil, is tenslotte de beoogd minister van Vluchtelingen en Repatriëring.

Losweken Taliban van de burgerbevolking

De Talibanbeweging is geen homogene beweging. Zo bestaan de Taliban in Uruzgan voor een belangrijk deel uit lokale bevolking, die zich niet om ideologische maar om onder meer opportunistische redenen bij de beweging aansluit. De wedijver om de beheersing van schaarse plaatselijke hulpbronnen, zoals land en water, is hiervan vaak de oorzaak. Ook gebrek aan vertrouwen in de lokale overheid, bijvoorbeeld door corruptie, kan een reden zijn. Bij conflicten over hulpbronnen is vaak sprake van een partij of stam die aansluiting zoekt bij lokale vertegenwoordigers van de Afghaanse overheid en daardoor in staat is om ten koste van de andere partij haar belangen te behartigen. Hierdoor ontstaan geregeld vicieuze cirkels van wraak en wederwraak, hetgeen er toe kan leiden dat een van de partijen zijn toevlucht tot de Taliban zoekt. De Taliban gebruiken deze wedijver om lokale stammen aan zich te binden. Ideologische drijfveren zijn slechts van beperkte betekenis.

In Uruzgan besteden de civiele staf en het PRT samen met de Afghaanse autoriteiten specifiek aandacht aan het identificeren van dergelijke conflicten en wordt contact gelegd en onderhouden met alle partijen. In consultatie met de bevolking worden projecten gekozen, die met de bestaande lokale dynamiek rekening houden. Met het winnen van vertrouwen en het uitvoeren van projecten wordt getracht de tribale spanningen te verminderen. Via een dergelijke lange-termijnstrategie wordt het mogelijk om zowel het draagvlak van de Taliban te verminderen als de Afghaanse overheid op een betere wijze te betrekken bij het oplossen van onderlinge problemen. Nederland ondersteunt de Afghaanse autoriteiten met concrete initiatieven, zodat zij vertrouwen kunnen opbouwen bij de bevolking.

Het verminderen van de invloed van de Taliban op de burgerbevolking is één van de centrale thema’s bij de uitvoering van de missie. Het is verweven in alle inspanningen die op de 3D’s, defence, diplomacy en development worden uitgevoerd. Ofschoon, zoals bekend, daarover van verschillende kanten verschillende gedachten worden geuit, is de consensus van de Afghaanse regering en de internationale gemeenschap dat deze vermindering niet moet worden doorgevoerd door met de Taliban-leiding te onderhandelen en een machtsdeling aan te bieden, maar door het succes van de versterking van het functioneren van de Afghaanse overheid in brede zin en de isolatie van de leiders van de Taliban. Daarbij kunnen de Afghaans-Pakistaanse vredejirga’s, gericht op het bijeen brengen van vertegenwoordigers van de bevolking in de grensgebieden, eveneens een positieve rol spelen.

Drugsbestrijding

De bevindingen van het meest recente UNODC rapport Afghanistan Poppy Survey 2008 (augustus 2008) zijn gematigd positief, maar de drugsproblematiek in Afghanistan blijft zorgwekkend. Na een snelle stijging in de afgelopen jaren is de papaverteelt in geheel Afghanistan in 2008 t.o.v. 2007 met 19% afgenomen en is het aantal papavervrije provincies gestegen van 13 naar 18. Daar staat tegenover dat de papaverteelt in zeven provincies is toegenomen, waaronder Uruzgan dat thans een vierde plaats inneemt. Het UNODC rapport maakt meer nog dan voorheen duidelijk dat papaverteelt nauwelijks verband houdt met armoede, maar veeleer met onveiligheid, de aanwezigheid van opstandelingen en zwak bestuur.

Nederland onderstreept het belang van de leidende rol van de Afghaanse overheid bij het bestrijden van illegale drugs. Drugsbestrijding heeft alleen een kans van slagen als de Afghaanse regering verantwoordelijkheid neemt voor het probleem en een evenwichtige benadering wordt gekozen; de bevolking moet een alternatief worden geboden en de drugshandelaren moeten door de eigen regering hard worden aangepakt. Daartoe zal de Afghaanse capaciteit moeten worden versterkt om effectief op te treden tegen de narcoticahandel. Op de NAVO-bijeenkomst van ministers van Defensie op 9 en 10 oktober in Boedapest hebben de ministers in vervolg op het verzoek van de Afghaanse minister van Defensie Wardak besloten meer te gaan doen om de Afghaanse autoriteiten tijdelijk extra te ondersteunen op het gebied van drugsbestrijding. ISAF-troepen krijgen daarmee de mogelijkheid om op verzoek en ter ondersteuning van de Afghaanse autoriteiten, zich direct te richten op de aanpak van laboratoria en productiefaciliteiten en op de drugshandelaren en hun netwerken. ISAF zal echter geen rol spelen bij het vernietigen van papavervelden.

De provinciale gouverneur van Uruzgan en het Independent Directorate for Local Governance (IDLG) werken onder andere met Nederlandse steun aan een provinciaal plan voor Uruzgan. Voorlichting, alternatieve gewassen en selectieve eradicatie zullen onderdeel vormen van dit provinciale plan. Onlangs hebben Deputy Minister Counter Narcotics, Dr. Zafar, en zijn team een bezoek aan Uruzgan gebracht in het kader van de pre-planting-campaign, om overleg te voeren met de lokale overheid en ISAF over te nemen stappen bij het reduceren van de papaverteelt in de provincie. Dergelijke bezoeken van Afghaanse overheidszijde zijn van belang voor het creëren van draagvlak onder de bevolking voor het verbouwen van alternatieve gewassen.

In het kader van de in de Artikel 100-brief van 30 november 2007 aangekondigde intensivering van de Nederlandse activiteiten op het gebied van interdictie, is sinds augustus 2008 een counternarcotica-specialist van het KLPD toegevoegd aan de TFU om de expertise en kennis op het gebied van drugsbestrijding te vergroten. Deze expert brengt thans de beschikbare informatie over drugshandel en productie in kaart en overlegt regelmatig met de internationale partners binnen RC/South. Het doel is om op operationeel niveau inzichtelijk te maken wie de betrokkenen bij drugshandel zijn en welke middelen, routes en methodieken binnen Uruzgan gebruikt worden.

In ditzelfde kader heeft Nederland onlangs een overeenkomst gesloten met de Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA) op basis waarvan Nederland onderdak en logistieke ondersteuning zal verlenen aan een team van de DEA dat zal worden ontplooid in Uruzgan. De DEA verzamelt inlichtingen en werkt nauw samen met de Afghaanse National Interdiction Units die landelijk opereren om grote drugshandelaren en producenten op te pakken. Door nauwe samenwerking tussen de TFU en de DEA op met name het gebied van inlichtingen en informatie-uitwisseling ter ondersteuning van de Afghaanse autoriteiten, zullen de regionaal invloedrijke leiders van drugskartels sneller kunnen worden geïdentificeerd, opgespoord en opgepakt.

Parlementslid Joya

Het parlementslid mevrouw Malalai Joya werd in mei 2007 geschorst nadat zij felle kritiek had geuit op zittende parlementsleden die zich in het verleden schuldig zouden hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden. Volgens het Afghaanse staatsrecht kan een parlementslid voor een sessie worden geschorst, maar niet permanent worden verwijderd. Aangezien de schorsing van mevrouw Joya inmiddels ruim een jaar geleden plaatsvond, heeft zij een zaak aanhangig gemaakt bij het Hooggerechtshof, dat de kwestie voor afhandeling naar een lagere rechter heeft doorverwezen. De door de EU aangeboden diensten van een advocaat heeft mevrouw Joya afgeslagen. De Nederlandse ambassadeur te Kaboel heeft parlementsvoorzitter Qanooni aangesproken op deze kwestie.

Doodvonnis journalist Kambakhsh

Het doodvonnis van de in januari van dit jaar veroordeelde Afghaanse journalist Sayed Kambakhsh is in hoger beroep omgezet in 20 jaar gevangenisstraf. Nederland is tegenstander van de doodstraf en maakt zich zorgen over de kwaliteit van het Afghaanse rechtssysteem. Nederland heeft dan ook bij meerdere gelegenheden protest aangetekend bij president Karzai en leden van zijn kabinet tegen het doodvonnis van de journalist.

De advocaat van Kambakhsh kondigde na de uitspraak in hoger beroep aan de zaak aanhangig te maken bij het Hooggerechtshof in Kaboel. De Afghaanse Onafhankelijke Mensenrechtencommissie (AIHRC) is van mening dat Kambakhsh geen eerlijk proces heeft gekregen. Nederland onderhoudt nauw contact met de EU-partners in Kaboel en de AIHRC over deze zaak.

4. Opbouw en ontwikkeling

De afgelopen periode is redelijke vooruitgang geboekt op het gebied van wederopbouw.

Uitgangspunten blijven daarbij de uitrol van nationale duurzame programma’s naar de provincie, inclusief beter bestuur; het mogelijk maken van snelle resultaten en het naar de provincie halen van civiele partners. De samenwerking met de Afghaanse nationale programma’s verloopt voorspoedig: UNAMA zal naar verwachting later dit jaar een kantoor openen in Tarin Kowt en nieuwe NGO’s hebben zich op meerdere plekken in Uruzgan gevestigd en zijn met projectactiviteiten begonnen.

In de bijlage van deze brief is gedetailleerde informatie opgenomen over de voortgang van de Nederlandse activiteiten op het gebied van opbouw en ontwikkeling in Afghanistan. In algemene zin kan daarbij het volgende worden opgemerkt:

Bestuur

Nederland zet zich sterk in voor capaciteitsopbouw van het Afghaanse bestuur. Zo beschikt de gouverneur van Uruzgan dankzij Nederlandse steun over 12 gekwalificeerde Afghaanse adviseurs. Zij assisteren de gouverneur bij het implementeren van het Afghaanse beleid in prioritaire sectoren. Daarnaast draagt Nederland bij aan programma’s van GTZ en UNDP ter versterking van het lokaal bestuur. GTZ is actief op het gebied van capaciteitsontwikkeling bij de provinciale vertegenwoordigingen van de vakministeries. UNAMA zal met de opening van het kantoor in Tarin Kowt ook bijdragen aan de ondersteuning en advisering van het provinciaal bestuur. Nu verschillende initiatieven op bestuursgebied worden ontplooid, zullen Nederland en UNAMA zorg dragen voor een goede onderlinge afstemming opdat duurzame resultaten worden bereikt.

Ondanks de inspanningen geven de bestuurlijke ontwikkelingen reden tot zorg. Met name de benoeming van capabele bestuurders op provinciaal en districtsniveau loopt achter bij de verwachtingen. Verschillende districten in Uruzgan moeten het al geruime tijd stellen zonder formeel aangestelde en gekwalificeerde districtsgouverneurs of politiecommandanten, wat de lokale stabiliteit negatief beïnvloedt. Nederland brengt deze zorgen op alle niveaus onder de aandacht van de Afghaanse overheid. Zo spraken de minister-president, de minister van Buitenlandse Zaken en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking en marge van de AVVN van september jl. in New York met president Karzai over dit onderwerp. Nogmaals is door de minister-president en de andere ministers het belang onderstreept van capabel en integer bestuur om tot duurzame stabiliteit te komen in heel Afghanistan. Het uitblijven van daadkracht aan Afghaanse zijde waar het openbaar bestuur betreft, kan de voortgang in de verbetering van stabiliteit, veiligheid en wederopbouw negatief beïnvloeden.

Gezondheidszorg

Prioriteit op het gebied van gezondheidszorg is het vergroten van de beschikbaarheid en bereikbaarheid van basisgezondheidszorg. Dankzij de grote inzet van een Afghaanse NGO worden goede vorderingen gemaakt met de uitrol van het Basic Package of Health in Uruzgan. De dienstverlening in de gezondheidscentra is verbeterd en de toegankelijkheid van de centra is toegenomen; ook in moeilijk bereikbare gebieden. Andere organisaties leggen zich toe op geestelijke gezondheidszorg. Dankzij de opening van een vrouwenvleugel in het ziekenhuis van Tarin Kowt en de opleiding van vroedvrouwen is nu ook de toegankelijkheid voor vrouwen verbeterd.

Onderwijs

De Nederlandse inzet is gericht op het vergroten van het aantal duurzaam functionerende scholen en het vergroten van het aantal schoolgaande kinderen, inclusief meisjes, waartoe meer vrouwelijke leerkrachten benodigd zijn. Door Nederlandse steun aan het EQUIP-programma neemt het aantal scholen in Uruzgan gestaag toe. Met Nederlandse steun heeft Unicef ook in het afgelegen district Khas Uruzgan tien functionerende scholen opgericht. Een andere NGO draagt met Nederlandse financiering bij aan scholenbouw, aan studiebeurzen voor studenten uit Uruzgan en aan bijles voor kinderen die nog geen aansluiting hebben bij het schoolsysteem.

Landbouwontwikkeling

Na in eerste instantie vooral kleine Quick and Visible Projects activiteiten te hebben ontplooid op het gebied van landbouwontwikkeling, werkt Nederland nu met partners als het Ministry of Rural Rehabilitation and Development, het tuinbouwbedrijf Growing Sales Exchange (GSE) en organisaties als GTZ, WOCCU en de FAO aan activiteiten om de sector te ontwikkelen.

Partners

Vier van de vijf Nederlandse NGO’s die samen het Dutch Consortium for Uruzgan II (DCU-II) vormen, zijn inmiddels permanent vertegenwoordigd in de provincie en zijn deze zomer van start gegaan met een aantal kleine activiteiten, zoals trainingen op het gebied van geestelijke gezondheid. In het laatste kwartaal van dit jaar zal DCU-II nadere invulling geven aan de programmering voor de periode 2008–2011.

GTZ heeft begin gemaakt met het programma in Uruzgan, inclusief het opleiden van ambtenaren, de diversificatie van de landbouweconomie en het verbeteren van de infrastructuur. Binnenkort zullen constructiewerkzaamheden beginnen voor het eerste deel van de weg van Tarin Kowt naar Chora. Een gedetailleerde survey van het gehele traject is grotendeels voltooid. GTZ overweegt een tweede kantoor elders in de provincie te openen.

Het tuinbouwbedrijf GSE heeft vanaf eind augustus 2008 de nadruk gelegd op het komende saffraanseizoen; de oogst zal in november worden opgekocht. Een groep van 500 boeren meldde zich aan voor uitbreiding van het saffraanareaal, waarvan uiteindelijk 150 boeren geselecteerd zijn. Daarnaast heeft GSE deze zomer 100 000 fruitbomen aangeschaft en gedistribueerd. Tevens zijn projecten gestart met groentezaden en kippen, waarmee ook specifiek getracht wordt vrouwen te bereiken.

De FAO is sinds juni van dit jaar actief in de provincie met een ruraal ontwikkelingsprogramma, met name gericht op het armste, meest kwetsbare gedeelte van de bevolking van Uruzgan. 1000 kwetsbare gezinnen zijn geselecteerd voor steun bij het verzekeren van hun voedselveiligheid door introductie van alternatieve bestaansmogelijkheden. Daarnaast richt de FAO zich op de institutionele ontwikkeling van het departement voor landbouw, irrigatie en veeteelt en op de uitvoering van een grootschalig provinciaal distributieprogramma van hoogwaardig zaaigoed voor voedselzekerheid.

De belangstelling van het Nederlandse bedrijfsleven om zijn kennis en kunde in te zetten in Uruzgan is een waardevolle aanvulling. De Werkgroep Economische Wederopbouw Afghanistan (WEWA) inventariseert met steun van de ambassade en het PRT de mogelijkheden om activiteiten te ontplooien. Het werken in de context van een fragiel land als Afghanistan brengt echter hoge kosten en bijzondere risico’s met zich mee, die door het bestaande bedrijfsleveninstrumentarium onvoldoende worden afgedekt. Daarom is op 24 september jl. het Fonds Economische Opbouw Uruzgan opgericht en gepubliceerd in de Staatscourant. Sinds 1 oktober kunnen Europese bedrijven met een Afghaanse partner kwalificeren voor mede-financiering van activiteiten (tot een plafond van 80%) die de economische ontwikkeling van Uruzgan ten goede komen. De regering hoopt dat dit mogelijkheden biedt die door het Nederlandse bedrijfsleven zullen worden opgepikt.

Monitoring

De ambassade in Kaboel en de civiele Nederlandse staf op Kamp Holland zien toe op de correcte uitvoering en de juiste verantwoording van door Nederland gefinancierde activiteiten. Daartoe werkt Nederland met partners die in Afghanistan in het algemeen, en in Uruzgan in het bijzonder, een goede reputatie opgebouwd hebben. Naast de financiële verantwoording, rapportages en facturen die deze partners overleggen, worden veldstudies en steekproeven uitgevoerd door consultants. Ook worden regelmatig gesprekken gevoerd met dorpsoudsten, functionarissen van de lokale overheid en vertegenwoordigers uit doelgroepen waar de projecten zich richten. Uit deze contacten wordt een goed beeld verkregen van de voortgang en resultaten van de projectactiviteiten.

Gender

Hoewel de positie van de Afghaanse vrouw sinds de verdrijving van de Taliban ontegenzeggelijk is verbeterd, scoort Afghanistan nog altijd laag op relevante indicatoren. Afghanistan heeft het VN-Vrouwenverdrag (CEDAW, Convention on the Elimination of all forms of Discrimination Against Women) in 2003 geratificeerd, maar implementatie ervan is een zaak van lange adem. Het verbeteren van de positie van de vrouw in Afghanistan kan niet slechts worden bewerkstelligd door het aanpassen van wetgeving, maar zal een geleidelijke verandering in traditionele, culturele en maatschappelijke gebruiken en verhoudingen vergen die vele jaren zal kosten. De schade en trauma’s van decennia van conflict en de armoede onder grote delen van de bevolking bemoeilijken een dergelijk proces.

Op vrouwen gerichte ontwikkelingsactiviteiten vergen dan ook een omzichtige en zorgvuldige aanpak in de context van een traditionele, conservatieve samenleving. In de onderwijs- en gezondheidszorgprojecten wordt specifiek aandacht besteed aan de positie en ontwikkeling van vrouwen. Voorbeelden daarvan zijn bijzondere aandacht voor scholing van meisjes, verhoging van de salarissen van vrouwelijke onderwijzeressen, een voorkeursbehandeling van vrouwen in het beurzenprogramma, vroedvrouwenonderwijs en de bouw van de vrouwenvleugel in het ziekenhuis van Tarin Kowt. Daarnaast wordt getracht om via het microkredietprogramma van WOCCU juist ook vrouwen te bereiken en wordt de toegang tot het rechtssysteem voor vrouwen via een project van de Asia Foundation bevorderd. Specifieke projectactiviteiten voor vrouwen om elkaar bijvoorbeeld te ontmoeten of om economische vaardigheden te trainen zullen meer aandacht krijgen. Dergelijke projecten vergen een continu proces van overleg met gemeenschapsleiders en de gouverneur om hun steun en betrokkenheid te verzekeren waarmee deze initiatieven blijvend van de grond komen.

Vrouwen in Afghaanse gevangenissen

Vrouwen vormen slechts een kleine minderheid van de totale gevangenisbevolking in Afghanistan. Volgens officiële cijfers zou het gaan om in totaal rond de 275 vrouwen met hun 175 kinderen. Hoewel het om kleine aantallen gaat, is deze groep kwetsbaar. Voor alle Afghaanse gevangenen zijn voeding en sanitaire voorzieningen veelal onder de maat, maar voor vrouwen schiet bescherming tegen (seksueel) misbruik daarnaast vaak tekort.

Bij terugkeer uit gevangenschap worden vrouwen in veel gevallen verstoten door hun gemeenschap en familie. Om een einde te maken aan de ergste misstanden, is begin dit jaar de eerste van in totaal 15 geplande vrouwengevangenissen geopend in Kaboel met plaats voor 330 vrouwen.

Justitie

De ontwikkeling van de justitiesector is van groot belang voor de duurzame stabiliteit van Afghanistan. Daarom heeft de regering 15 miljoen dollar toegezegd voor de sector tijdens de Conference on the Rule of Law in Afghanistan die in juli 2007 te Rome werd gehouden. Deze bijdrage zou ten goede komen aan het Afghanistan Reconstruction Trust Fund (ARTF). De minister voor Ontwikkelingssamenwerking verbond daar de voorwaarde aan dat de Afghaanse regering werk zou maken van de implementatie van hetTransitional Justice Action Plan. Als Afghanistan immers geen lering trekt van de misstanden van het verleden, zal het dezelfde fouten maken in de toekomst.

Ruim een jaar later heeft Nederland moeten concluderen dat geen noemenswaardige vooruitgang is geboekt bij de implementatie van het actieplan. Vorige maand heeft de minister voor Ontwikkelingssamenwerking dan ook bekend gemaakt dat Nederland de toegezegde bijdrage van 15 miljoen dollar aan het ARTF intrekt.

Met dit besluit geeft de regering het signaal af dat Afghanistan zijn verantwoordelijkheid dient te nemen ten aanzien van de implementatie van het Afghanistan Compact, waar «transitional justice» deel van uitmaakt. Gegeven het belang van ontwikkeling van de juridische sector in Afghanistan, zal Nederland bekijken hoe met gerichte projectfinanciering alsnog hervormingen en ontwikkeling van de juridische sector, evenals specifieke activiteiten op het gebied van «transitional justice» kunnen worden ondersteund. Het belang van «transitional justice» blijft gespreksonderwerp in de beleidsdialoog met de Afghaanse autoriteiten.

Humanitaire situatie en voedselveiligheid

In juli van dit jaar heeft de Afghaanse regering in samenwerking met de VN een «Joint Emergency Appeal» gepresenteerd in reactie op dreigende voedseltekorten door de hoge voedselprijzen en de grote droogte in Afghanistan. Dit hulpverzoek betreft een totaalbedrag van ruim 400 miljoen dollar voor activiteiten op het terrein van voedselveiligheid (50% van het appeal), landbouw (ruim 40%) en op het terrein van gezondheid, water, voeding en bescherming. In totaal zullen 4,5 miljoen mensen hulp ontvangen. Dit betreft onder andere huishoudens in de steden voor wie voedsel te duur is geworden en huishoudens op het platteland die lijden onder droogte en slechte oogsten. Ook zal hulp worden verleend aan ruim een half miljoen kwetsbare vrouwen en kinderen, om ondervoeding te voorkomen.

Nederland draagt via het Wereldvoedselprogramma (WFP) 4 miljoen euro bij aan dit «Joint Emergency Appeal».

Aan een eerder hulpverzoek begin dit jaar had Nederland 2 miljoen euro bijgedragen via het WFP, gevolgd door een aparte bijdrage van 1,5 miljoen euro aan het Afghanistan-programma van het WFP.

In Uruzgan wordt door een combinatie van een strenge winter, droogte midden in het groeiseizoen en de wereldwijde hoge voedselprijzen, de beschikbaarheid van graanzaad bedreigd voor het komend landbouwseizoen dat deze maand begint. Met de FAO is een grootschalig programma uitgewerkt voor Uruzgan. Het voorstel van de FAO zal naar verwachting een grote impact hebben op de voedselzekerheid in de komende jaren, de landbouwontwikkeling stimuleren en bijdragen aan stabiliteit in het gebied.

Vluchtelingen

De Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN, Guterres, bracht eind augustus en begin september een bezoek aan Pakistan en Iran om herziening van de vluchtelingenstrategie van beide landen te bepleiten. Tijdens zijn bezoek aan Pakistan bereikte hij overeenstemming met de Pakistaanse regering om de terugkeerstrategie voor Afghaanse vluchtelingen te herzien. De Pakistaanse regering heeft zich opnieuw gecommitteerd aan het vrijwillige en geleidelijke karakter van terugkeer, waarbij nauw zal worden samengewerkt met UNHCR. Dit jaar zijn tot op heden ruim 250 000 Afghaanse vluchtelingen teruggekeerd uit Pakistan.

In Iran verblijven nog bijna 1 miljoen geregistreerde Afghaanse vluchtelingen en naar schatting meer dan 1,5 miljoen niet geregistreerde Afghanen. Vanwege de droogte in Afghanistan neemt dit aantal toe. Dit jaar zijn meer dan 3000 geregistreerde Afghaanse vluchtelingen teruggekeerd uit Iran. Daarnaast zijn meer dan 290 000 Afghanen uitgezet uit Iran, hoofdzakelijk alleenstaande werkzoekende mannen. UNHCR onderzoekt de mogelijkheden voor nieuwe programma’s voor de Afghaanse vluchtelingen in Iran, terwijl tegelijkertijd vrijwillige terugkeer wordt ondersteund.

Medio november 2008 organiseren de Afghaanse regering en UNHCR gezamenlijk een conferentie in Kaboel over de vluchtelingenproblematiek.

In lijn met de motie Van Gennip c.s. van 24 april 2008, zet Nederland zich in om te komen tot een breed gecoördineerd en gefaseerd programma voor de terugkeer van vluchtelingen naar stabiele gebieden in Afghanistan De vluchtelingensituatie is aan de orde gekomen in gesprekken met president Karzai tijdens zijn bezoek aan Nederland op 10 juni 2008. Minister Koenders heeft op 25 juni 2008 in Genève met VN Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen Guterres gesproken over de noodzaak van een structurele oplossing voor deze langdurige vluchtelingensituatie. Naast de jaarlijkse bijdrage van 40,9 miljoen euro voor UNHCR activiteiten wereldwijd, heeft Nederland in de periode 2001–2008 in totaal 36 miljoen euro bijgedragen voor het Afghanistan-programma van UNHCR.

In Europees verband heeft Nederland steun verleend aan voorstellen voor financiering van humanitaire hulp aan Afghanistan via ECHO (European Commission Humanitarian Aid Office), inclusief hulp aan vluchtelingen en ontheemden. In Genève heeft Nederland zich ingezet om als voorzitter van het UNHCR Executive Committee de dialoog over dit onderwerp mede te faciliteren, ook in aanloop naar de conferentie in Kaboel.

Tenslotte hebben het gewapend conflict tussen het Pakistaanse leger en militante groeperingen en sektarische conflicten in de tribale gebieden van Pakistan geleid tot meer dan 200 000 ontheemden. Het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) is een hulpoperatie gestart om in de eerste levensbehoefte te voorzien van circa 60 000 ontheemden. Het hulpverzoek van het ICRC bedraagt in totaal 13 miljoen euro. Nederland zal hieraan 0,5 miljoen euro bijdragen. Ook de VN heeft een hulpverzoek voor Pakistan gelanceerd van 55 miljoen dollar. Dit hulpverzoek is gericht op de gevolgen van verschillende crises tegelijk in Pakistan: overstromingen, de gestegen voedselprijzen en de gevechten in de tribale gebieden en delen van de NWFP. Het hulpverzoek is in eerste instantie gericht op 400 000 mensen in nood. Nederland zal via UNHCR 1 miljoen euro bijdragen aan dit hulpverzoek van de VN.

Burgerslachtoffers

In september publiceerden zowel UNAMA als de NGO Human Rights Watch rapporten waaruit bleek dat het aantal burgerslachtoffers in Afghanistan gestegen was in vergelijking met het jaar ervoor. De Taliban zijn daarbij rechtstreeks verantwoordelijk voor het merendeel van de slachtoffers, in wat UNAMA omschrijft als een systematische campagne van intimidatie en geweld tegen Afghaanse burgers die de overheid of de internationale gemeenschap steunen. Human Rights Watch concludeert daarnaast dat de Taliban burgers verhindert te vluchten bij aanvallen op internationale troepen, en hen gebruikt als menselijk schild.

In juni rapporteerde UNAMA hierover ook al. In haar brief van 14 juli 2008 (Kamerstuk 27 925, nr. 319) en in antwoord op vragen van het lid Van Bommel over Afghaanse burgerdoden (kenmerk 2070821140, met datum 17 juni 2008) is de regering reeds nader ingegaan op deze kwestie. De Nederlandse regering en de NAVO nemen alle mogelijke maatregelen om burgerslachtoffers te voorkomen. Steeds vaker worden bijvoorbeeld onbemande vliegtuigen ingezet om een goed beeld te krijgen van de situatie op de grond en te voorkomen dat burgers worden getroffen. ISAF-militairen stemmen hun operaties zoveel mogelijk af met de lokale autoriteiten en waarschuwen waar mogelijk de bevolking voor dreigend geweld, zodat zij een gebied kunnen verlaten.

Alle ISAF-troepen opereren onder strikte Rules of Engagement en respecteren het Internationaal Recht. COMISAF heeft medio 2007 de regels voor de inzet van onder andere vliegtuigen en helikopters verder aangescherpt, evenals de regels voor de uitvoering van huiszoekingen. Op 2 september jl. heeft COMISAF de regels verder aangescherpt, en richtlijnen uitgevaardigd om het rapporteren over incidenten verder te verbeteren. Daarnaast vaardigde COMISAF richtlijnen uit ter verbetering van de coördinatie met de Afghaanse veiligheidsorganisaties. De NAVO blijft in de tussentijd in gesprek met de Afghaanse autoriteiten over de wijze waarop burgerslachtoffers in Afghanistan kunnen worden voorkomen. De Nederlandse regering steunt dit proces.

5. Militaire ontwikkelingen

Algemene Veiligheidssituatie

Zoals elk jaar was na het winterseizoen een intensivering te zien van de activiteiten van de Taliban en andere gewapende groepen en is het aantal incidenten dientengevolge toegenomen. Daarbij is dit jaar opnieuw het aantal veiligheidsincidenten in heel Afghanistan gestegen in vergelijking met vorig jaar. Volgens ISAF zijn tot en met september 2008 een totaal van 9059 geweldsincidenten geregistreerd. In 2007 waren dat er 8731 en in 2006 waren het er 6577. De Taliban richten zich veelal op het plegen van aanslagen op hoofdwegen en bruggen, om zo de aanvoerlijnen te verstoren en de bewegingsvrijheid van de internationale troepen, maar vooral hulporganisaties en de lokale bevolking te beperken. Deze aanslagen versterken het gevoel van onveiligheid onder de bevolking.

Met name de situatie in het oosten van Afghanistan (Regionaal Commando Oost) is de afgelopen periode verslechterd. Dit hangt deels samen met ontwikkelingen in de Pakistaanse grensgebieden waarvandaan de Taliban en andere opstandelingen veelvuldig aanvallen uitvoeren op Afghaans grondgebied. De afgelopen maanden is in dit deel van Afghanistan het aantal gewapende incidenten meer dan verdubbeld. Ook hebben opstandelingen hun invloed versterkt in de provincies Wardak, Logar en Kâpisâ. Deze provincies grenzen aan de provincie Kaboel.

Hoewel het in Kaboel zelf relatief rustig is in vergelijking met voorgaande jaren, lijkt het gevoel van veiligheid af te nemen. De Taliban-tactiek van sporadische spectaculaire aanslagen en aanvallen op de hoofdwegen van en naar Kaboel zorgt ervoor dat de stadsbewoners zich omsingeld voelen en het gevoel van onveiligheid toeneemt. Deze perceptie onder de bevolking wordt versterkt door de onrust die in Afghanistan bestaat over de burgerdoden die mede als gevolg van de strijd tussen ANA-, OEF- en ISAF-eenheden enerzijds en de Taliban anderzijds in de afgelopen maanden zijn gevallen.

Veiligheidssituatie Regionaal Commando Zuid

Na een relatief rustige lente in de zuidelijke regio is het aantal veiligheidsincidenten in de zomer opnieuw gestegen in vergelijking met vorig jaar. De veiligheidssituatie in Regionaal Commando Zuid als geheel is echter niet wezenlijk veranderd. Met name in het zuiden van Helmand heeft zich als gevolg van een Amerikaanse operatie een toename aan gevechtshandelingen voorgedaan. De komende periode moet uitwijzen in hoeverre dit optreden een duurzaam resultaat heeft opgeleverd. Ondanks de moeilijke veiligheidssituatie heeft ISAF in het noorden van Helmand het transport van een turbine beschermd, die is afgeleverd bij de krachtcentrale in de Kajaki-stuwdam. Na installatie kan deze turbine een groot aantal huishoudens in het Zuiden van Afghanistan voorzien van elektriciteit.

De veiligheidssituatie in Kandahar-stad is zorgwekkend. Als gevolg van enkele Taliban-aanslagen in de stad, waaronder de grootschalige bevrijding van Talibanstrijders uit de Sarpoza-gevangenis in juni dit jaar en een zelfmoordaanslag op het hoofdkantoor van de politie in september, is het gevoel van veiligheid onder de bevolking afgenomen. In samenwerking met de Afghaanse autoriteiten heeft ISAF een zogenaamd Kandahar City Regional Security Plan ontworpen, dat vooralsnog echter geen structurele verbetering heeft bewerkstelligd. Het FDD-programma voor de verbetering van de politie en de inzet van politie-mentorteams moeten het vertrouwen in de Afghaanse politie op termijn gaan versterken.

Veiligheidssituatie Uruzgan

Vergeleken met de andere provincies in het Zuiden is de situatie in Uruzgan relatief rustig. Het aantal gevechtshandelingen was relatief laag in vergelijking met vorig jaar en met de aanhouding of uitschakeling van een aantal Taliban-leiders is de capaciteit voor grootschaliger, gecoördineerd Taliban-optreden voorlopig afgenomen. Hoewel de situatie fragiel blijft, kan worden geconstateerd dat de Afghaanse overheid, met steun van ISAF, thans een groter deel van de provincie bestrijkt dan vorig jaar rond deze tijd. De relatieve rust in Uruzgan wil echter nog niet zeggen dat de invloed die de Taliban uitoefent op de bevolking structureel is afgenomen. Met intimidatie en geweld wordt de lokale bevolking en het bestuur onder druk gezet. Daarnaast wordt de veiligheidssituatie in Uruzgan negatief beïnvloed door tribale spanningen en het optreden van lokale informele machthebbers en hun milities, die het functioneren van de provinciale gouverneur en de inspanningen van de TFU belemmeren.

Grote Talibanacties gericht op de bevolkingscentra zijn veelal achterwege gebleven. Een grote gecoördineerde aanval op het district Deh Rawod en omliggende gebieden kon eind juli worden voorkomen door een succesvol optreden van ISAF en de ANA. De Taliban grijpen verder voornamelijk terug op het gebruik van IED’s, waarvan het gebruik significant is gestegen. Omdat ISAF veel explosieven voortijdig vindt, is het aantal geëxplodeerde IED’s in vergelijking met vorig jaar vrijwel gelijk gebleven. Daarnaast richten de Taliban zich steeds vaker op het uitschakelen van Afghaanse overheidsfunctionarissen en politieagenten.

Schattingen van het aantal Taliban in Uruzgan variëren sterk. De Taliban vormen geen homogene organisatie. De Talibanstrijders bestaan voor het overgrote deel uit de lokale bevolking, waarbij men zich om verschillende redenen Taliban noemt. Dit kan bijvoorbeeld zijn om financiële redenen, vanwege tribale conflicten of omdat men ertoe wordt gedwongen. Ook wordt de lokale Taliban regelmatig versterkt met strijders uit omliggende provincies en neemt het aantal Taliban voorafgaand aan een actie in een bepaald gebied tijdelijk sterk toe.

De situatie in provinciehoofdstad Tarin Kowt is relatief rustig. Lokale Taliban commandanten in het district Tarin Kowt zijn de afgelopen periode niet tot effectieve samenwerking gekomen. De tactieken van de Taliban in het gebied kenmerken zich door het optreden in kleine groepen, aanvallen op Afghaanse veiligheidsdiensten en overheidsfunctionarissen, kleinschaligere risicomijdende gevechtscontacten en het gebruik van relatief veel IED’s. In gebieden waar TFU geen veiligheidspresentie heeft, zoals Mirabad, hebben de Taliban nog relatief vrij spel. In Deh Rawod namen de activiteiten van de Taliban de afgelopen maanden toe. De permanente aanwezigheid van ANA- en ISAF-troepen ten westen van de Helmand-rivier en bij Chutu heeft effect op activiteiten van de Taliban, maar kan de invloed op de bevolking niet geheel neutraliseren.

In Chora zorgt de recente dood van districtsbestuurder Rozi Khan, een vooraanstaande ex-mujaheddin, voor tribale spanningen. De stabiliteit in dit district lijdt onder tegenstrijdige belangen van verschillende lokale machthebbers en de afwezigheid van een formeel benoemde gekwalificeerde districtspolitiecommandant en districtsgouverneur.

Het onderzoek naar de toedracht van de dood van Rozi Khan is afgerond. De door president Karzai afgevaardigde Afghaanse onderzoekscommissie concludeerde dat de dood van Rozi Kahn een ongeluk was. Het gecombineerde ISAF-Australische onderzoek heeft daar weinig nieuwe details aan kunnen toevoegen omdat forensisch bewijs ontbreekt door de directe begrafenis van Rozi Khan zoals lokale gebruiken voorschrijven. Wel stelt het rapport dat het waarschijnlijk is dat Rozi Khan is omgekomen door Australisch vuur. De Australische regering zal een schadeloosstelling betalen aan de familie van Rozi Khan, om de goede relatie te behouden. Dit is gebruikelijk in de Afghaanse traditie.

Opbouw Afghan National Army (ANA)

Met instemming van de internationale gemeenschap heeft de Afghaanse regering deze zomer aangekondigd de totale sterkte van de Afghaanse krijgsmacht te verhogen van het huidige plafond van 80 000 naar 122 000. De Afghaanse regering verwacht deze sterkte in 2014 te kunnen bereiken. De consequenties op het gebied van materieel en benodigde ondersteuning moeten echter nog verder worden vastgesteld. De regering overweegt hieraan een extra financiële bijdrage te leveren. De huidige omvang van de ANA bedraagt ongeveer 63 000 manschappen en de inzetbaarheid en zelfstandigheid van de Afghaanse troepen neemt gestaag toe. Zo neemt de ANA thans landelijk deel aan bijna 70% van alle ISAF-operaties.

Daarnaast neemt de capaciteit toe van de Afghaanse luchtmacht, het ANA Air Corps. Dit is van belang in een land waarin grote delen moeilijk via de weg zijn te bereiken. Momenteel is de capaciteit van het Air Corps nog beperkt tot het transport van personeel en middelen, waaraan nu ook een beperkte medische evacuatiecapaciteit is toegevoegd.

Voor de ondersteuning en begeleiding van de ANA worden OMLT’s ingezet. Vanwege de verwachte groei van het Afghaanse leger blijft de behoefte aan OMTL’s toenemen. De verwachte behoefte voor eind 2008 ligt volgens de NAVO op 96. Eind 2009 wordt de behoefte geschat op 103 trainingsteams. De vulling van voldoende OMLT’s blijft dan ook hoog op de NAVO-agenda staan.

De 4e ANA Brigade in Uruzgan is in de afgelopen periode verder gegroeid. De geautoriseerde omvang van de ANA in Uruzgan is momenteel vastgesteld op 2600 militairen waarvan per begin oktober 2008 ruim 2300 militairen zijn aangesteld. Hiervan zijn inmiddels ruim 1700 man aanwezig in Uruzgan, waarvan er ruim 1400 dienst verrichten of ontplooid zijn te velde. Op dit moment stagneert de verdere vulling enigszins. De 4e Brigade mist nog een derde infanteriebataljon, dat sinds lange tijd elders buiten Uruzgan wordt ingezet. De plaatsing van dit bataljon in Uruzgan is van belang voor het vergroten van het «Afghaanse gezicht» in de provincie en voor de verbetering van de veiligheid in Uruzgan. Met meer Afghaanse militairen kan een groter gebied worden bestreken. Vanuit Nederland wordt daarom druk uitgeoefend om een derde bataljon naar Uruzgan te krijgen. Volgens de huidige planning arriveert dit bataljon medio 2009 in Uruzgan. De inzetbaarheid van de aanwezige bataljons van de 4e ANA Brigade in Uruzgan verbetert nog steeds. Samen met de OMLT’s werd deelgenomen aan verscheidene operaties in de afgelopen periode. Op dit moment zijn zowel het eerste als het tweede bataljon in staat tot het plannen en uitvoeren vancounter-insurgency operaties op pelotonsniveau. Het gevechtssteunbataljon is nog steeds in afwachting van zware wapens en treedt derhalve op als lichte infanterie met patrouilletaken in en rond Tarin Kowt. Het logistieke bataljon staat nog in de kinderschoenen en ontbeert nog structuur en materieel.

Voor Uruzgan zijn vier OMLT’s gevuld. Er is een OMLT voor het brigadehoofdkwartier, twee OMLT’s voor de infanteriebataljons en één voor het logistiek bataljon. Het OMLT voor het gevechtssteunbataljon is thans niet gevuld. Een Frans OMLT bestaande uit 72 man heeft medio augustus de begeleiding van het eerste infanteriebataljon op zich genomen. Dit bataljon opereert vanuit Camp Hadrian in Deh Rawod en de vooruitgeschoven patrouillebases Jahan Gul en Phoenix. In november zal het Australische OMLT de taken van het Nederlandse team overnemen, waarmee ook de begeleiding van het tweede infanteriebataljon in handen van een partner komt.

Afghan National Police (ANP)

Deze maand is in de provincie Uruzgan het Amerikaanse Focused District Development (FDD)-programma van start gegaan. De politie van de districten Tarin Kowt en Deh Rawod is de afgelopen weken doorgelicht door speciale evaluatieteams waarna selectie heeft plaatsgevonden voor het trainingsprogramma. Inmiddels zijn 267 agenten uit beide districten de training begonnen. Zij zullen gedurende acht weken intensief worden getraind in het Regionale Trainingscentrum in Kandahar. Na deze training zullen de opgeleide agenten begeleid worden door de Nederlandse Police Mentoring Teams (PMT’s). Gedurende de FDD-training wordt de provinciale politie in beide districten vervangen door eenheden van de Afghan National Civil Order Police (ANCOP).

Gelijktijdig met de FDD-trainingen zal de TFU een opleiding verzorgen voor Afghaanse trainers, in samenwerking met de Amerikaanse politietrainers in de provincie. Eerder al zijn acht Afghaanse trainers opgeleid die nu een door de VS georganiseerde vervolgopleiding krijgen, die hen in staat moet stellen om op termijn zelfstandig politietrainingen te verzorgen.

Omdat het FDD-programma voorlopig slechts een deel van de politiemacht van Uruzgan zal bereiken, is de TFU voornemens een eigen opleiding aan te bieden op basis van het FDD-curriculum en trainingsmateriaal. Deze opleidingen zullen plaatsvinden in het door Nederland gefinancierde provinciaal Politie Trainingscentrum in Tarin Kowt. De bouw van dit centrum is inmiddels begonnen en zal naar verwachting rond de jaarwisseling gereed zijn.

Per 1 oktober 2008 is de Afghan National Auxiliary Police(ANAP) formeel ontbonden. Anticiperend op deze stap heeft de TFU de afgelopen maanden veelbelovende ANAP-agenten een vervolgopleiding aangeboden om hen om te scholen tot volwaardige Afghan Uniformed Police (AUP) agenten. Inmiddels hebben ruim 650 ANAP-agenten deze training doorlopen, die werd georganiseerd in goede samenwerking tussen de TFU, EUPOL en Amerikaanse en Afghaanse trainers.

In de vorige stand van zakenbrief over Afghanistan (Kamerstuk 27 925, nr. 315 van 20 juni jl.) werd gerapporteerd dat een landelijke reorganisatie van het Afghaanse politieapparaat had geleid tot een reductie van de geautoriseerde politiesterkte («tashkeel») voor de provincie Uruzgan van 1302 naar 830 manschappen. Na intensief overleg met de Afghaanse autoriteiten en de internationale partners zijn deze cijfers inmiddels herzien. Tot Nederlandse tevredenheid is de tashkeel voor Uruzgan weer op 1300 manschappen gesteld.

In de afgelopen periode is verdere vooruitgang geboekt bij de betaling van de politiesalarissen. De betalingen over de afgelopen drie maanden zijn op tijd van start gegaan. Betere registratie en verscherpt toezicht verzekeren bovendien grotere transparantie. Ook de uitkering van de toelagen voor levensonderhoud verloopt thans beter. Hoewel de betaling van politiesalarissen voorlopig nog intensieve aandacht en verdere verbetering behoeft, lijken de structurele problemen van voorgaande jaren tot het verleden te behoren. Uit het Stabiliteitsfonds wordt de komende periode een omvangrijk pakket van infrastructurele projecten voor de Afghaanse politie gefinancierd. Zo zal een eerste politiekantoor in Chora District binnenkort worden geopend. Daarnaast is begonnen met de bouw van twee wijkkantoren in Deh Rawood District en worden de laatste onderhandelingen gevoerd over de bouw van twee kantoren in Tarin Kowt District.

Materieelzaken

Voor de TFU is het inzetbaar houden van voertuigen en ander materieel een uitdaging. Het materieel wordt zwaar op de proef gesteld door de geografische en klimatologische omstandigheden in Uruzgan. Daarnaast leidt ook het intensive gebruik tot hoge slijtage. De noodzakelijke reserveonderdelen zijn soms beperkt beschikbaar. Dit is onder andere het gevolg van een soms lage beschikbaarheid van reservedelen in Nederland, wat voor een deel weer het gevolg is van lange transporttijden bij het terugzenden van te repareren (onderdelen van) materieel. Ook zorgen de lange logistieke lijnen ervoor dat soms langere wachttijden ontstaan bij de opvoer van materieel vanuit Nederland. Door prioriteitstelling binnen de TFU kunnen de mogelijke knelpunten voor het uitvoeren van de taken echter worden ondervangen. Zoals eerder gemeld door de minister van Defensie (het vragenuur van 30 september jl.) is er geen sprake van dat er bij de inzet van het materiaal risico’s worden genomen of de levens van militairen onnodig in gevaar worden gebracht. Dankzij de inspanningen van de eenheden die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud voldoet het materieel dat voor operationele taken wordt ingezet aan de noodzakelijke operationele en veiligheidsnormen.

Om het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht te kunnen garanderen zijn extra middelen aan de Defensiebegroting toegevoegd ten behoeve van vervangingsinvesteringen en de operationele gereedstelling van eenheden in Nederland. In totaal gaat het om 260 miljoen euro. Het effect van de besteding van deze middelen zal echter niet direct zichtbaar zijn.

Nieuwe capaciteiten

In aanvulling op het noodzakelijk vereist militair vermogen zoals vermeld in artikel 100-brief over de nieuwe tweejarige Nederlandse bijdrage in Uruzgan, is een aantal aanvullende behoeften ontstaan.

Lucht-grondwaarnemingscapaciteit

Zoals aangekondigd tijdens het algemeen overleg Afghanistan van 16 april jl., is besloten vanaf september voor zes maanden (tot en met februari 2009) een detachement van 32 militairen met het onbemand verkenningsvliegtuig Sperwer naar Uruzgan te ontplooien. Tijdens het algemeen overleg Afghanistan op 2 juli jl. en het algemeen overleg materieel op 1 oktober jl. vroeg de Kamer (onder andere het lid Boekestijn) de minister en de staatssecretaris van Defensie nader in te gaan op de eerste ervaringen met de inzet van de Sperwer in Afghanistan. De Sperwer wordt inmiddels ongeveer anderhalve maand ingezet. De Sperwer voert verkenningen uit, stelt schade vast na een gevecht (BattleDamage Assessment), ondersteunt konvooien en patrouilles en verkent routes om het plaatsen van IED’s te detecteren. Ook bij vijandcontact kan de Sperwer inzicht geven in de situatie zodat de TFU een betere situational awareness kan verkrijgen (waar bevinden zich de eigen troepen, waar de tegenstander en waar burgers).

De ervaringen met de Sperwer tot nu toe zijn positief. Ook tijdens de eerdere inzet in Uruzgan, van december 2006 tot april 2007, voldeed de Sperwer aan de verwachtingen. Ondanks het slechte winterweer had het systeem een relatief hoge missiebetrouwbaarheid. Voor de TFU was dit de eerste keer dat zij werd ondersteund door het Sperwersysteem. Vanaf de start van de inzet in december 2006 heeft het Sperwerdetachement zich echter snel geïntegreerd in de lopende operaties van de TFU en heeft het bewezen een belangrijke capaciteit te leveren als ondersteuning van de diverse operaties.

De Sperwer voorziet in de behoefte aan tactische lucht-grondwaarnemingscapaciteit. Zoals gemeld in de Kamerbrief aangaande onbemande vliegtuigen van de staatssecretaris van Defensie (Kamerstuk 30 806, nr. 4) wordt op dit moment ook onderzocht op welke manier invulling gegeven kan worden aan de behoefte aan operationele lucht-grondwaarnemingscapaciteit met een groter bereik in Afghanistan.

Voortzetting lucht-grondwaarnemingscapaciteit

Als gevolg van de maximale uitzendduur van het bedienend personeel is de Sperwer tot eind februari 2009 inzetbaar in Uruzgan. Om in de urgente behoefte van de commandant van de TFU aan lucht-grondwaarnemingscapaciteit te kunnen blijven voorzien zal de noodzakelijke capaciteit vanaf maart 2009 mogelijk civiel worden ingehuurd. Het traject hiervoor is onlangs gestart, waarbij zowel de tactische als de operationele behoeftes in beschouwing worden genomen. Indien civiel een UAV wordt ingehuurd zal deze door burgerpersoneel bediend moeten worden. De inzet van dit personeel is in overeenstemming met het regeringsbeleid ten aanzien van de inzet van civiele dienstverleners in operatiegebieden, zoals vastgelegd in de regeringsreactie op het AIV-advies over dit onderwerp (31 200 X, nr. 116). De reguliere vervanging van de Sperwer door verwerving van een nieuw systeem zal niet eerder mogelijk zijn dan na 2011.

Counter-IED middelen

In Afghanistan blijft de dreiging van IED’s voor ISAF en de Afghaanse autoriteiten onverminderd hoog. Alle mogelijkheden om de IED-dreiging te verminderen en de opsporing en bestrijding ervan te vergroten, worden daarom met voorrang onderzocht, zowel binnen de NAVO als in Nederland. De dreiging van IED’s heeft er onder andere toe geleid dat er bij de TFU behoefte is aan extra capaciteit voor het verkrijgen van inlichtingen en informatie. Op korte termijn voorziet Defensie in de personele uitbreiding van de TFU met twintig genisten en in enkele materiële verbeteringen, waardoor de capaciteit van de TFU tegen IED’s aanzienlijk kan toenemen.

Bij Defensie is een Joint Task Force Counter IED opgericht die in maart 2008 een plan van aanpak heeft opgesteld om de dreiging van IED’s voor de operationele eenheden verder terug te dringen. In de eerste fase is begonnen met verwerving van extra materieel voor het onderzoeken van voertuigen, het detecteren van IED’s en uitrusting voor de genie. Dit materieel zal omstreeks december 2008 ter beschikking komen van de troepen in Uruzgan.

In de tweede fase van het project worden nieuw materieel en nieuwe technieken ingezet om de dreiging van IED’s te verminderen en ervaring op te doen voor de structurele inbedding van counter-IED middelen in de krijgsmacht. Vanaf december 2008 start een operationele test met het gebruik van speurhonden om sneller en veiliger stukken terrein te controleren op de aanwezigheid van IED’s. Tevens wordt gestart met de invoer van een zogenaamde Advanced Search capaciteit om onder bijzondere omstandigheden IED’s te kunnen opsporen en onschadelijk te maken.

Naast het opsporen van IED’s verdient het voorkomen van het leggen van IED’s de aandacht. Het gaat daarbij om het in kaart brengen van het netwerk van personen die IED’s maken en plaatsen, om uiteindelijk te voorkomen dat IED’s gebouwd, opgeslagen, vervoerd en geplaatst worden. Politieonderzoekstechnieken zullen worden toegevoegd aan de militaire inlichtingenmethodes om daders in kaart te brengen, op te sporen en bewijslast te verzamelen. Daartoe wordt de TFU met forensische- en inlichtingencapaciteit versterkt. Voor de toekomst wordt gewerkt aan het verankeren van de counter-IED expertise in doctrines, in training en opleiding en in de eisen voor nieuw materieel.

C-130

Vliegtuigen die personeel vervoeren in Afghanistan moeten in verband met de grond-luchtdreiging beschikken over zelfbeschermingsmiddelen. Omdat de Nederlandse (K)DC-10’s en civiel ingehuurde vliegtuigen nog niet zijn uitgerust met een zelfbeschermingssysteem, wordt voor het transport van of naar Afghanistan gebruik gemaakt van een overstappunt. Het transport van en naar dit punt vindt plaats met de (K)DC-10’s en civiel ingehuurde vliegtuigen. Voor de vluchten naar en van Afghanistan wordt gebruik gemaakt van tactische transportvliegtuigen die wel zijn uitgerust met een dergelijk systeem.

Aangezien Nederland vanwege onderhoud, modificatie en opleidingen in 2008 zelf niet de beschikking had over voldoende tactische transportvliegtuigen, wordt op dit moment gebruik gemaakt van Amerikaanse vliegtuigen voor het laatste deel van de route naar Afghanistan. Vanaf begin 2009 heeft Nederland weer permanent de beschikking over een operationele C-130. Het voornemen is hiertoe vanaf begin 2009 tot het einde van de missie één C-130 met een detachement (circa 50 personen) te stationeren op een vliegbasis in de Verenigde Arabische Emiraten.

Bushmaster

Zoals reeds gemeld in de brief van 10 juni jl. van de staatssecretaris van Defensie (Kamerstuk 27 925, nr. 313) heeft Defensie inmiddels 48 Bushmaster-patrouillevoertuigen aangeschaft, waarvan er 31 ter directe beschikking van de TFU staan. In juni is de laatste bestelling van 13 Bushmasters geplaatst waarvan er zeven voor de TFU bestemd waren. Deze zullen vanaf deze maand inzetbaar zijn. De operationele ervaringen met de Bushmasters laten zien dat het voertuig inmiddels een belangrijke rol in het inzetgebied vervult, onder meer doordat het een goede bescherming biedt tegen IED’s. Een mix van voertuigen in het inzetgebied met daarin de beschikbaarheid van Bushmasters biedt de commandant van de TFU de flexibiliteit om zijn taakuitvoering af te stemmen op de operationele omstandigheden. Tien Bushmasters zijn in Nederland in gebruik voor opleidingen en trainingen, drie zijn verloren gegaan en nog eens drie zijn in reparatie bij de fabrikant. Op dit moment bestaat de logistieke reserve nog uit één voertuig.

Gevolgen van de missie in Uruzgan op de krijgsmacht en haar taken

Zoals gemeld in de artikel 100-brief over de verlenging van de Nederlandse bijdrage in Uruzgan mag het voortzetten van de Nederlandse bijdrage niet leiden tot onoverkomelijke problemen voor de instandhouding van de krijgsmacht. In de eerste helft van 2008 werden enkele kleine toegezegde bijdragen teruggetrokken uit NRF 10. In de eerste helft van 2011 is Nederland lead nation van de Nederlands-Duits-Finse Battlegroup. Problemen bij de voorbereiding hiervoor worden niet verwacht, maar de exacte consequenties van deze inzet worden mogelijk pas eind 2009 zichtbaar. De prioriteit bij de opleiding en oefening ligt bij de gereedstelling van eenheden die op missie gaan. Ook de opleiding en training van andere eenheden vindt doorgang. De missie in Uruzgan levert een schat aan ervaring op over de intensivering van de samenwerking tussen militairen van de verschillende operationele commando’s en met andere landen. Deze ervaring is van grote waarde voor het operationele optreden van de Nederlandse krijgsmacht en ondersteunt de verdere professionalisering.

Zorgaspecten

Op basis van ervaringen en evaluaties wordt de nazorg voor uitgezonden militairen constant verder geoptimaliseerd. Wat betreft het verzoek van de Kamer over het verschaffen van een raming van de kosten van nazorg ten gevolge van de missie in Uruzgan kan worden gezegd dat dit langer zal duren, zoals ook geantwoord op 4 september jl. op vragen van het lid Eijsink over de kosten van de missie in Uruzgan (aanhangsel van de handelingen 3477). Een dergelijk overzicht kan rond december 2008 gereed zijn.

Informatie over in Afghanistan gewond geraakte Nederlandse militairen is enerzijds opgenomen in de individuele medische dossiers en anderzijds in verschillende systemen die lokaal in Afghanistan zijn opgezet ten behoeve van ISAF en het RC/South. Deze laatstgenoemde systemen beogen een overzicht te geven van aantallen gewonden, de aard van de verwondingen, de oorzaken en de ziekenhuisbezetting. Informatie over gewonde militairen wordt met een commandantenmelding aan de Commandant der Strijdkrachten en aan het coördinerend operationeel commando gemeld. Momenteel worden geen periodieke overzichtsrapportages gemaakt van aantallen gewonden, ernst van de verwonding, of repatriëring. Deze gegevens zijn te herleiden uit de commandantenmeldingen en zullen toegevoegd worden aan de periodieke voortgangsrapportages van ISAF. De informatie zal zodanig worden aangeleverd dat deze niet tot personen herleidbaar is. De bepaling of eventueel sprake is van arbeidsongeschiktheid, vindt pas in een later stadium plaats, wanneer revalidatie en zo mogelijk re-integratie hebben plaatsgevonden. Eventuele rapportage daarover zal, indien gewenst, op een andere wijze tot stand moeten komen.

Peloton tijdelijk op non-actief

De commandant van de TFU heeft eind september een peloton van de battlegroup tijdelijk op non-actief gesteld. Hij heeft dit besloten vanwege spanningen die bestonden binnen de betreffende eenheid en de leiding van de battlegroup rond de uitvoering van een geplande operatie. Indien spanning het optreden van de eenheden belemmert of een negatief effect heeft op de inzetbaarheid van andere eenheden, kan de commandant besluiten in te grijpen. Het kan hierbij om een preventieve maatregel gaan waarbij nog geen sprake hoeft te zijn van het aanwijzen van schuldigen. De Koninklijke marechaussee heeft een oriënterend feitenonderzoek uitgevoerd. Het Openbaar Ministerie in Arnhem heeft op basis hiervan op 7 oktober jl. gemeld dat de militairen geen strafbare feiten hebben gepleegd en dat er geen nader strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Om vast te stellen of er sprake is geweest van verwijtbaar gedrag, heeft de commandant van de TFU aansluitend een eigen onderzoek gehouden. Op grond daarvan is geconstateerd dat in enkele gevallen niet adequaat en ongepast gehandeld is. Tegen de pelotonsleiding en een aantal onderofficieren zijn daarom maatregelen genomen. Twee kaderleden hebben door hun handelen het vertrouwen dusdanig geschaad dat ze niet meer in staat worden geacht om in Uruzgan hun leidinggevende taken uit te voeren. Zij zijn van hun functie ontheven en naar Nederland teruggestuurd. Een aantal kaderleden blijft in het gebied werkzaam. Tegen enkelen van hen zijn disciplinaire maatregelen genomen. Alle manschappen van het peloton valt niets te verwijten. De vertrouwensrelatie met de compagniesleiding heeft schade opgelopen. Daarom worden de eenheden van het peloton bij een andere compagnie binnen de battlegroup ingezet.

Personalia

Aanstelling generaal McKiernan als COMUSFORCES Afghanistan

Begin september kondigde de Amerikaanse president Bush aan dat hij, na overleg met NAVO-bondgenoten, had besloten dat generaal McKiernan naast de functie van COMISAF de functie gaat vervullen van Commandant van de Amerikaanse eenheden in Afghanistan (COMUSFORCES in Afghanistan). U bent hierover geïnformeerd in de brief van de minister van Defensie van 3 oktober jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 323). De Amerikaanse senaat heeft begin oktober ingestemd met de aanstelling van generaal McKiernan als COMUSFORCES in Afghanistan. Met deze aanstelling kan een betere coördinatie worden bereikt tussen de verschillende inspanningen van ISAF en de Amerikaanse eenheden die optreden in Afghanistan.

Deputy Chief of Staff Stability in Kaboel

De Nederlandse schout-bij-nacht Matthieu Borsboom gaat per november 2008 voor een jaar de functie vervullen van Deputy Chief of Staff Stability (DCOS Stability) op het hoofdkwartier van ISAF in Kaboel. De DCOS Stability coördineert namens COMISAF de ISAF-steun aan de Afghaanse autoriteiten.

Commando RC/South

Vanaf 1 november 2008 is de Nederlandse generaal-majoor Mart de Kruif voor een jaar geplaatst bij de NAVO. Hij zal in deze periode het commando voeren over RC/South. Generaal De Kruif zal worden bijgestaan door een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiger, ambassadeur Willem Beelaerts van Blokland.

Rangverhoging Commandant TFU

Met ingang van februari 2009 zal aan het commando over de TFU de rang van brigadegeneraal worden verbonden. De toename van het aantal internationale partners in Uruzgan binnen de TFU maakt de regie en de afstemming van ISAF-operaties in Uruzgan complexer. Daarnaast versterkt de rangverhoging de positie van Commandant TFU binnen RC/South. De commandanten van de Canadese en Britse Task Forces bekleden ook de rang van brigadegeneraal. Bovendien is de Commandant TFU in de rang van brigadegeneraal een meer gelijkwaardige formele ISAF-gesprekspartner van de Commandant van de 4e ANA Brigade in Uruzgan, die de rang heeft van generaal Dit wordt belangrijker naarmate de samenwerking en het partnerschap met de 4e ANA Brigade intensiever wordt.

Stand van zaken nieuwe partners

Vanaf augustus 2008 wordt de TFU langzaamaan multinationaler. Tot op heden is de integratie van de internationale partners bijzonder goed verlopen. De stand van zaken met betrekking tot de komst van nieuwe partners is als volgt:

• Frankrijk, Australië en Hongarije gaan bijdragen met infanterie OMLT’s. Het Franse OMLT is per medio augustus 2008 ontplooid in Deh Rawod. Het Nederlandse OMLT is als gevolg daarvan teruggetrokken. Een Australisch OMLT start in november. Over de exacte datum waarop het Hongaarse OMLT in 2009 zijn werkzaamheden zal aanvangen, vindt thans overleg plaats. Dit is mede afhankelijk van het moment waarop het derde infanteriebataljon in Uruzgan aantreedt. Slowakije heeft 5 militairen aangeboden als deel van een van de OMLT’s.

• Tsjechië en Slowakije nemen inmiddels de bewaking van de Nederlandse kampen voor hun rekening. Tsjechië doet dit sinds juli in Deh Rawod, Slowakije sinds medio september in Tarin Kowt. Door de inzet van Tsjechië en Slowakije heeft Nederland twee tijdelijk ingebrachte wachtpelotons teruggetrokken, waarvan het laatste op 18 september in Nederland is teruggekeerd.

• Naast het wachtpeloton levert Slowakije sinds maart 2008 twee officieren voor het PRT. Deze bijdrage zal worden verhoogd tot zes. Op dit moment wordt onderzocht of Slowakije ook een volledig PRT-missieteam kan leveren, inclusief force protection.

• Australië zal vanaf november 2008 zijn Reconstruction Task Force vergroten en omvormen tot een Mentoring Reconstruction Task Force. Deze zal bestaan uit het Australische OMLT, een beveiligings- en een genie-eenheid.

• Singapore levert vanaf november 2008 voor een periode van zes maanden 20 man medische staf voor het Role II ziekenhuis op Kamp Holland. Ook Australië vergroot voor de duur van driemaal twee maanden (over een periode van anderhalf jaar) zijn bijdrage aan het Role II ziekenhuis met een chirurgisch team van 10 man.

• Australië zal later deze maand enkele politiemensen plaatsen bij de TFU-staf, die onder andere zullen adviseren op het gebied van drugsbestrijding.

• Een aantal landen levert stafofficieren voor de staf van de TFU.

Als onderdeel van de nieuwe missie heeft de regering besloten twee F-16’s terug te trekken. Deze zijn op 19 september jl. in Nederland teruggekeerd. Met de terugtrekking is gewacht totdat vier Belgische F-16’s (met 100 man ondersteunend personeel) in Kandahar operationeel inzetbaar waren, zodat de Nederlandse terugtrekking geen gevolgen zou hebben voor de totale beschikbare ISAF-luchtsteun in Afghanistan.

De besprekingen over een bijdrage van Georgië zijn vanwege de huidige ontwikkelingen in dat land voor onbepaalde tijd opgeschort. Dit heeft geen gevolgen voor de operationele planning van de missie, aangezien ten tijde van de artikel 100-brief over verlenging van de missie, de mogelijke inzet van Georgische eenheden niet definitief was meegenomen en dus additioneel zou zijn geweest.

Als gevolg van de komst van de nieuwe partners konden tot op heden 100 Nederlandse militairen worden teruggetrokken. Wanneer alle partners in 2009 zijn gearriveerd zal de Kamer nader worden geïnformeerd over de consequenties daarvan, alsmede over de verdere reductie van de Nederlandse eenheden.

Nadere analyse eigen vuurincidenten

In de brief van 19 februari 2008 (Kamerstuk 27 925 nr. 296) bent u geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek van de Commandant der Strijdkrachten (CDS) naar de eigenvuurincidenten tijdens Operatie Kapcha As in de nacht van 12 op 13 januari 2008. Hierbij zijn soldaat Wesley Schol en korporaal Aldert Poortema, alsmede de Afghaanse soldaten Abdal Qodos en Boman Haider om het leven gekomen en is soldaat Marc van de Kuilen gewond geraakt. Het onderzoek van de CDS heeft geleid tot een stabiel beeld van de feiten. Soldaat Schol is onlangs postuum onderscheiden voor zijn buitengewoon moedig optreden die nacht.

Uit het onderzoek van de CDS is gebleken dat een aantal factoren in meer of mindere mate van invloed is geweest op de gang van zaken in de bewuste nacht. Zoals gemeld in de brief van 19 februari, is tijdens de operatie niet volledig conform de bestaande tactische procedures gehandeld. Het ging daarbij om de aandacht in de Battlegroupvoor maatregelen ter voorbereiding op de nacht, de inachtneming van procedures voor duidelijke doelaanwijzing en de vaststelling van restricties voor de inzet van wapens met een lange dracht. Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat er geen sprake is van één oorzaak die ten grondslag lag aan de incidenten. Het was veeleer de samenloop van omstandigheden die nacht, die heeft geleid tot een situatie waarin de eigenvuurincidenten zich konden voordoen. De uitkomsten van het onderzoek gaven de CDS geen aanleiding maatregelen te nemen tegen individuele militairen. De minister van Defensie deelt die conclusie.

Nadere analyse

De CDS heeft in vervolg op dit onderzoek een nadere analyse uitgevoerd om na te gaan in hoeverre achterliggende oorzaken zijn aan te wijzen, die mogelijk hebben geleid tot een situatie waarin de eigenvuurincidenten konden plaatsvinden. In deze nadere analyse is gekeken of er een direct verband bestaat tussen de incidenten en de opleiding, training en voorbereiding van de betrokken eenheden in Nederland.

Uit de nadere analyse van de CDS is gebleken dat in Nederland de voorbereiding op uitzendingen in algemene zin onder druk staat en dat er diverse knelpunten zijn die de gereedstelling van eenheden negatief beïnvloeden. Van een direct verband tussen die knelpunten en de eigenvuurincidenten is niets gebleken. De incidenten tijdens operatie Kapcha As waren niet het gevolg van tekortkomingen in de opleiding en training of de voorbereiding op de uitzending van militairen en eenheden naar Afghanistan. De betrokken eenheden hebben in het vervolg van hun missie ook bewezen complexe operaties tot een goed einde te kunnen brengen.

Uit de analyse is tevens gebleken dat er beperkingen zijn bij de geïntegreerde oefeningen in voorbereiding op een uitzending en dat sprake is van ondervulling van jonge officieren en onderofficieren, waardoor kaderfuncties niet altijd tijdig worden gevuld. Tevens is geconstateerd dat de situatie in Afghanistan in Nederland niet volledig kan worden nagebootst.

Op grond van bovenstaande constateringen zijn maatregelen getroffen om de voorbereiding op de uitzending van eenheden te verbeteren. De Commandant der Landstrijdkrachten heeft initiatieven genomen om het gereedstellingsproces voor uitzending van eenheden te verbeteren, in het bijzonder voor de missie in Afghanistan. De maatregelen betreffen de materiële gereedheid, de personele gereedheid en de training en opleiding van eenheden.

De betrokken eenheden en militairen van de TFU en de Battlegroupen de families van de omgekomen Nederlandse militairen en van de gewonde Nederlandse militair zijn van de conclusies van de analyse op de hoogte gesteld.

5. Financiële aspecten van het militaire deel van de missie

Algemeen

In de artikel 100 brief van 30 november 2007 (Kamerstuk 27 925, nr. 279) inzake de Nederlandse bijdrage aan ISAF na 1 augustus 2008 is gemeld dat de totale additionele uitgaven voor de Nederlandse deelname aan ISAF (inclusief het Nederlandse F-16 detachement) voor de periode 2006 – 20 101 zijn geraamd op 1 235 miljoen euro. In deze uitgavenraming was nog geen rekening gehouden met mogelijke besparingen door de inbreng van partnerlanden. De additionele uitgaven, inclusief deployment, van de missie tot 1 augustus 2008 zijn geraamd op 580 miljoen euro, de verlenging tot 1 augustus 2010 op 540 miljoen euro en de redeployment vanaf 1 augustus 2010 op 115 miljoen euro. De additionele uitgaven van de missie komen ten laste van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Besparingen als gevolg van inbreng partners

In de artikel-100 brief van 30 november 2007 werden de besparingen door de inbreng van partnerlanden geschat op 15 tot 20 miljoen euro. In de stand van zakenbrief van 20 juni 2008 (Kamerstuk 27 925, nr. 315) is gemeld dat deze besparingen niet geheel zullen worden gehaald. Inmiddels is duidelijk dat de inbreng van partners geen substantiële financiële besparingen oplevert, vooral omdat de inbreng van de partnerlanden niet leidt tot een evenredige personeelsbesparing aan Nederlandse zijde. Daarnaast beschikken niet alle partnerlanden over voldoende materiële middelen en worden daarom logistiek en facilitair door Nederland ondersteund.

Als gevolg van de komst van de nieuwe partners konden zoals gezegd tot op heden 100 Nederlandse militairen worden teruggetrokken. In aanvulling op het eerder onderkende noodzakelijke militaire vermogen, is echter zoals hierboven gesteld tevens een aantal aanvullende behoeften ontstaan waaraan Nederland een bijdrage wil leveren. Bij deze behoeften, die niet zijn opgenomen in de huidige raming, gaat het met name om extra counter-IED capaciteit, de inhuur van UAV-capaciteit en de inzet van PMT’s. Wanneer deze behoeften precies in kaart zijn gebracht en alle partners in 2009 zijn gearriveerd zal de Kamer nader worden geïnformeerd. Naar verwachting zal hierover bij Voorjaarsnota 2009 meer duidelijkheid bestaan. In combinatie met eventuele meevallers kan dan de totale raming nader worden beschouwd en zo nodig worden bijgesteld.

Annex Wederopbouw en ontwikkeling

Onderwijs

In Uruzgan staan momenteel 43 000 kinderen ingeschreven op basisscholen, waarvan 4150 meisjes. Daarnaast gaan 7000 kinderen naar voortgezet of hoger onderwijs, waarvan ongeveer 250 meisjes. Dat is al een aanzienlijke verbetering vergeleken met enkele maanden geleden, maar nog niet genoeg.

Door middel van steun voor het EQUIP-programma neemt het aantal scholen in Uruzgan gestaag toe. Het EQUIP team dat in Tarin Kowt is gestationeerd heeft in 77 dorpen de dorpsraden gemobiliseerd, die op hun beurt school management comités hebben opgezet. In totaal zullen er dus 77 scholen worden gebouwd.

Resultaten:

• Vijf scholen zijn reeds klaar, 58 zijn in aanbouw. Van 14 scholen wordt de bouw momenteel aanbesteed.

• Dankzij Nederlandse steun voor Unicef is ook in Khas Uruzgan nu sprake van 10 functionerende scholen.

Veel kinderen zijn echter de leeftijd waarop zij aan school beginnen al gepasseerd. Om deze generatie niet te missen, financiert Nederland een NGO die zich met haar programma specifiek richt op het alsnog laten instromen in het lager onderwijs van kinderen met een leerachterstand of die zelfs nooit naar school zijn geweest. Ook krijgen leerkrachten binnen dit programma bijscholing.

Resultaten:

• 200 lespakketten zijn gebracht naar 15 scholen in het district Tarin Kowt en naar 5 scholen in het district Chora.

• Tevens zijn er kleine verbeteringen aangebracht aan 7 scholen in Tarin Kowt, aan 2 scholen in Chora en aan 2 scholen in Deh Rawood.

• Er zijn groepen voor kinderbescherming opgezet en hun vertegenwoordigers zijn getraind via maandelijkse bijeenkomsten.

• 34 radio programma’s zijn geproduceerd door kinderen van 7 scholen en uitgezonden in Tarin Kowt.

• Daarnaast volgden 140 leerkrachten, 52 meisjes en 60 jongens een cursus gezondheid en hygiëne en hebben leerkrachten van zes scholen training gekregen op het gebied van pedagogiek, academische bijscholing en kinderrechten.

• Er zijn intussen accelerated learning classes opgezet.

Het Afghaanse ministerie van onderwijs heeft een principeakkoord getekend met een door Nederland gefinancierde NGO om versneld leerkrachten op te leiden en gekwalificeerde leerkrachten voor Uruzgan te rekruteren. Dat betekent concreet dat 60 studenten uit Uruzgan en 60 studenten uit andere provincies van het zuiden worden opgeleid in India en na terugkeer in hun provincie van oorsprong gaan werken. Dit zorgt ervoor dat Uruzgan binnen afzienbare termijn (de opleiding duurt gemiddeld 2 jaar) zal kunnen beschikken over goede en gekwalificeerde leerkrachten en trainers van leraren.

Gezondheidszorg

Dankzij de inzet van een Afghaanse NGO wordt het nationale overheidsprogramma Basic Package of Health Services (BPHS) in Uruzgan uitgerold. In de bestaande gezondheidscentra is hierdoor de dienstverlening goed. Andere organisaties verzorgen geestelijke gezondheidszorg. Dit programma wordt mede door de Europese Commissie via Cordaid gefinancierd en verzekert de levering van kwalitatief goede gezondheidszorg, zowel vanuit het ziekenhuis in Tarin Kowt en klinieken in de districten als door 153 Community Health Workers.

Resultaten:

• Met Nederlandse financiering worden 12 nieuwe Basis Gezondheidscentra en Subcentra gebouwd en uitgerust om de bereikbaarheid van gezondheidsdiensten te vergroten.

• In het ziekenhuis in Tarin Kowt is de inrichting verzorgd van een polikliniek, operatiekamer en cholerazaal. Voor het Comprehensive Health Centre in Chora is een ambulance aangeschaft. In Deh Rawod worden twee Basic Health Centres gebouwd. Daarnaast is een nieuwe sub-health centre gebouwd en operationeel in Khas Uruzgan.

• Andere activiteiten die Nederland binnen dit programma heeft gefinancierd betreffen de aanschaf van verbandmateriaal en medicijnen, het opleiden en ondersteunen van community health workers en het verbeteren van de dienstverlening in comprehensive health centres en basic health centres.

• Tot slot volgen momenteel 8 meisjes een opleiding tot vroedvrouw en 3 jongens een opleiding tot verpleger. Zij zullen na hun opleiding geplaatst worden in de gezondheidscentra van Uruzgan. Daarnaast worden lokale vroedvrouwen, community midwives, in Tarin Kowt opgeleid tot een soort wijkzorg aangezien vrouwen niet gemakkelijk de q’ala verlaten voor een bevalling en de nazorg. Dankzij de vrouwenvleugel van het ziekenhuis in Tarin Kowt en de opleiding van vroedvrouwen is er ook meer toegang tot gezondheidszorg van vrouwen. Nederland zal de verdere uitrol van basisgezondheidszorg mogelijk maken door steun aan AHDS en het Nederlandse consortium voor Uruzgan.

Naast het BPHS programma ondersteunt Nederland ook een NGO op het gebied van geestelijke gezondheid.

Resultaten:

• Een provinciaal gezondheidsteam is op het trainingsinstituut van de NGO opgeleid op terrein van geestelijke gezondheidszorg en onderwijsmethodologie.

• Daarnaast zijn de volgende trainingen en cursussen georganiseerd: cursussen basis geestelijke gezondheidszorg voor verpleeg(st)ers en vroedvrouwen; basis geestelijke gezondheidstrainingen voor community health workers en vier basis geestelijke gezondheidstrainingen voor de leden van gezondheidscomités van de centra.

• Tevens zijn de klinieken van onderwijsmateriaal voorzien en zijn psychotropische medicijnen gedistribueerd naar alle gezondheidscentra in de provincie.

• Tot slot is een monitoring systeem voor geestelijke gezondheid ontwikkeld.

Een internationale NGO is ook gecontracteerd om een voorlichtingsprogramma op het terrein van gezondheid en hygiëne uit te voeren via 119 dorpsgemeenschapwerkers en 45 religieuze leiders in Uruzgan.

Rurale ontwikkeling

De regering heeft actief gezocht naar activiteiten die de landbouwontwikkeling ondersteunen en is erin geslaagd om, na een fase van kleine Quick & Visible Projects, nu op grotere schaal aan de slag te gaan, via het Ministry of Rural Rehabilitation and Development, GSE, FAO, GTZ en WOCCU en Fonds Economische Opbouw Uruzgan (FEOU).

Watermanagement

Momenteel wordt een onderzoek uitgevoerd dat moet resulteren in een rapport over huidige en toekomstige watermanagement opties in Uruzgan, dat als aanzet zal dienen voor een integrated water management plan. Dit rapport is voorzien voor februari 2009.

Fonds Economische Opbouw Uruzgan (FEOU)

Om de inzet van het bedrijfsleven in Uruzgan te stimuleren is een subsidiekader voor de provincie opgezet. Deze trad op 1 oktober in werking. De initiatieven richten zich onder andere op de ondersteuning van landbouwketens, waterbeheer, vakonderwijs, bankwezen, energie en verzekeringen (veel verzekeringen dekken thans immers risico van bezoek aan conflictgebied niet).

Quick & Visible Projects

Korte en voor de bevolking zichtbare activiteiten zijn bekostigd uit de QVP-middelen: bruggen, wegen en irrigatiekanalen zijn hersteld om de provincie en de markten toegankelijker te maken. Sinds september 2006 zijn 14 QVP programma’s van negen Afghaanse NGO’s gefinancierd.

Resultaten:

• Met de reeds afgeronde activiteiten in honderden dorpsgemeenschappen zijn meer dan 145 traditionele kanalen en irrigatiesystemen, 270 waterputten, 110 dorpswegen, een hangbrug, zaaigoed en kunstmest voor 3000 gezinnen en de distributie van 24 000 fruitbomen verwezenlijkt.

• In meer dan 500 dorpen in alle zes districten van de provincie Uruzgan activiteiten zijn dorpsactiviteiten afgerond of in uitvoering. Deze betreffen onder andere 400 boomgaarden, drie kwekerijen, (hang)bruggen, irrigatiekanalen, kleinschalige energievoorziening, dorpswegen en gemeenschapsgebouwen. Naar schatting 30 000 mensen zullen profiteren van deze basisinfrastructuur die markten ontsluit en sociale voorzieningen naderbij brengt. In totaal wordt meer dan 60% van de bevolking met dit soort projecten bereikt.

MRRD

Het ministerie voor Rurale Rehabilitatie en Ontwikkeling (MRRD) voert sinds medio 2006 drie programma’s uit in de provincie Uruzgan, gericht op irrigatie en waterbeheer, onderwijs, rurale infrastructuur en openbare gebouwen.

Resultaten:

• 78 projecten van het National Area Based Development Programme (NABDP), dat zich richt op duurzame rurale ontwikkeling en capaciteitsopbouw van het provinciale bestuur, zijn nog in uitvoering, hiervan zijn 15 projecten reeds afgerond. Daarnaast zijn 110 nieuwe projecten ontworpen en op 12 juni 2008 tekende Minister Ehsan Zia 67 contracten voor Uruzgan, daarvan zijn 25 projecten recent aanbesteed. Een aantal contracten kon vanwege de veiligheidssituatie nog niet worden gestart en zal door het MRRD opnieuw worden gecontracteerd. Projecten die zijn afgerond betreffen de weg van Tarin Kowt naar Sarkhume; de weg van Tarin Kowt naar Bolagh; kanalen t.b.v. irrigatie in Thurkh, Jawnaw en Jaghan in het district Deh Rawod. Nog in uitvoering zijn de weg van Tarin Kowt naar Garmaab, asfaltering van de wegen en de aanleg van kanalen in Deh Rawod.

• Tevens zijn 3 projecten van het National Solidarity Programme (NSP) op het gebied van wegen en irrigatie uitgevoerd. In totaal worden 24 projecten door Nederland gefinancierd, hiervan zijn 16 reeds afgerond en 8 nog in uitvoering.

GSE

Het tuinbouwbedrijf GSE (Growing Sales Exchange) is vooralsnog het enige Nederlandse bedrijf dat op het gebied van rurale ontwikkeling actief is in Uruzgan. Zoals bekend is GSE in augustus 2007 begonnen met de implementatie van een pilotproject voor saffraanteelt in samenwerking met provinciale overheid en twee Afghaanse NGO’s.

Resultaten:

• Met succes is bij 126 boeren van Tarin Kowt en Deh Rawod saffraan geplant. De beperkte eerste oogst en de verwerking daarvan is uitgevoerd en de velden zijn gereed gemaakt voor de droge periode. Vanaf eind augustus 2008 is de nadruk komen te liggen op het komende saffraanseizoen, de oogst zal in november worden opgekocht. Er is een selectie gemaakt voor uitbreiding van het saffraanareaal met ruim 150 nieuwe boeren waarvoor intussen 100 ton pootgoed aan Uruzgan is geleverd (er hebben zich 500 geïnteresseerde boeren gemeld). Door middel van het gezamenlijk gebruik van zes droogmachines wil GSE voorzichtig aansturen op de oprichting van boerenorganisaties.

• Begin 2008 zijn 100 000 fruitbomen aangeschaft en gedistribueerd deels voor zelfvoorziening (10 000 huishoudens) en deels voor de fruitmarkt (500 tot 600 ondernemers). De afgelopen maanden hebben de betrokken boeren onderwijs gekregen met betrekking tot de teelt, de bemesting, de irrigatie en het snoeien van de bomen.

• Er zijn projecten gestart met groentezaden en kippen. Met deze projecten worden vooral vrouwen bereikt. GSE heeft samen met het provinciaal departement van landbouw en een aantal Afghaanse NGO’s 20 000 families voorzien van groentezaden en bijbehorende kunstmest. Ruim 500 van de armste gezinnen, vooral alleenstaande vrouwen en kwetsbare gezinnen, hebben 8000 kuikens ontvangen.

Behalve GSE hebben ook twee Afghaanse NGO’s financiering ontvangen voor de aankoop en distributie van fruitbomen, zaad en kunstmest.

Resultaten:

• 25 000 fruitbomen werden in het seizoen 2006/2007 geplant en 55 580 fruitbomen in het seizoen 2007/2008.

• In het seizoen 2006/2007 werd zaad en kunstmest ter beschikking gesteld aan 2000 gezinnen van het district Tarin Kowt en in juni 2008 vond dit nogmaals plaats ten behoeve van 1400 boerengezinnen in Tarin Kowt en Deh Rawod.

• Tevens zijn drie kwekerijen voor fruitbomen in Tarin Kowt, Deh Rawod en Khas Uruzgan opgezet en zijn 5000 sierbomen langs wegen in Tarin Kowt en het district aangeplant. Een deel van de bomen heeft de strenge winter en daarop volgende droge periode begin 2008 echter niet overleefd en zal komend seizoen op kosten van de uitvoerende NGO worden vervangen.

FAO

Ook de FAO is sinds juni van dit jaar actief in de provincie met een programma op het gebied van rurale ontwikkeling, met name gericht op het armste, meest kwetsbare gedeelte van de bevolking van Uruzgan. Daarnaast richt de FAO zich op de institutionele ontwikkeling van het departement voor landbouw, irrigatie en veeteelt (MAIL). Door de strenge winter, de droogte midden in het groeiseizoen en de hoge voedselprijzen wordt de beschikbaarheid van graanzaad voor het komende landbouwseizoen in oktober bedreigd. Na overleg met donoren is met de FAO een grootschalig programma uitgewerkt voor Uruzgan. Het ambitieuze voorstel van de FAO zal naar verwachting een grote impact hebben op de voedselzekerheid in de komende jaren, de landbouwontwikkeling stimuleren en bijdragen aan stabiliteit.

Resultaten:

• 1 000 kwetsbare gezinnen zijn geselecteerd voor steun bij het verzekeren van hun voedselveiligheid door introductie van alternatieve bestaansmogelijkheden.

• Ten behoeve van coördinatie en technische ondersteuning van landbouw en veeteeltprojecten is een Technical Working Group Uruzgan opgezet. Deze is reeds viermaal bijeengekomen. Dankzij deze werkgroep en de inzet van FAO wordt het mogelijk een provinciaal plan voor veeteeltontwikkeling op te stellen dat het mogelijk maakt additionele activiteiten te financieren. Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de motie Ferrier.

• Aankoop voor distributie komend najaar van gecertificeerd hoogwaardig tarwezaad en kunstmest.

GTZ

GTZ is inmiddels actief in Uruzgan. Naast de aanleg van een provinciale weg rolt GTZ activiteiten uit tussen TK en Chora op het gebied van rurale ontwikkeling en landbouw. GTZ overweegt, naast het kantoor in TK, een kleine vestiging in Chora te openen.

Resultaten:

• Een team van zes buitenlandse deskundigen en twee Afghanen is van start gegaan; de expert institutionele ontwikkeling heeft dagelijks contact met lijnministeries en lokale ontwikkelingsorganisaties over versterking van de institutionele capaciteit van het district en provinciale autoriteiten; de expert op het gebied van planning, dataverzameling en monitoring heeft alle lokale ontwikkelingsorganisaties en programma’s bezocht om informatie te verzamelen over de activiteiten in uitvoering; de expert rurale ontwikkeling identificeert met de lokale bevolking alternatieve economische ontwikkelingsmogelijkheden.

• Daarnaast hebben kleine timmer- en meubelwerkplaatsen in Tarin Kowt opleiding en technisch advies gekregen, de kwaliteit is inmiddels aanzienlijk verbeterd waardoor orders van GTZ, DCU en UNAMA lokaal kunnen worden uitgevoerd.

WOCCU

Nederland financiert de organisatie WOCCU bij het opzetten van een drietal financiële instellingen voor microkrediet. Na een lange opstartperiode loopt het programma van WOCCU nu voortvarend, de eerst financiële instelling is opgericht. WOCCU overweegt thans een tweede kantoor in de provincie te openen.

Resultaten:

• Dertig dorpen in Uruzgan werden recentelijk bezocht, het aantal leden steeg van 200 naar 418 en het aantal verstrekte leningen van 20 naar 90. Enkele ondernemers wisten zelfs een begin te maken met het aflossen van hun schuld. Als zij dit weten vol te houden, komen ze in aanmerking voor een tweede lening. Er is overleg met IDEA voor het geven van trainingen op het terrein van MKB.

Naar boven