27 925
Bestrijding internationaal terrorisme

nr. 301
BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 april 2008

Inleiding

Op 19 maart jl. heeft de vaste commissie voor Defensie een verzoek van de D66-fractie aan mij doorgeleid (kenmerk 08-DEF-B-035). De D66-fractie verzoekt mij een reactie te geven op de uitspraak van de Raad voor de Journalistiek van 12 maart jl. (nummer 2008/9) inzake de klacht die het ministerie van Defensie heeft ingediend tegen de hoofdredacteur van het radioprogramma Argos. De Raad voor de Journalistiek heeft deze klacht ongegrond verklaard. Daarnaast worden door de D66-fractie aanvullende vragen gesteld over mijn publieke uitspraken over Argos en over het mediabeleid van Defensie. Hierbij reageer ik op dit verzoek en de aanvullende vragen.

In de Argos-programma’s van 17 en 19 oktober 2007 werden ernstige beschuldigingen geuit in de richting van de krijgsmacht en het ministerie van Defensie. Deze kwamen er op neer dat eind 2001 en in 2002 Nederlandse commando’s operaties zouden hebben uitgevoerd in Afghanistan in het kader van de operatie Enduring Freedom, zonder dat het parlement hierover zou zijn geïnformeerd en zelfs buiten medeweten van de toenmalige minister.

De beschuldigingen, die de kern raken van de ministeriële verantwoordelijkheid, missen iedere grond. Van dergelijke operaties is in het geheel geen sprake geweest. Ik vind het van groot belang dat hierover geen misverstand bestaat.

Naar aanleiding van de Argos-uitzendingen van oktober 2007 is er een uitgebreide schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling met de Kamer geweest. Op 9 november 2007 heb ik de Kamer per brief geïnformeerd (Kamerstuk 27 925, nr. 276). Schriftelijke vragen over deze brief zijn beantwoord op 27 november 2007 (Kamerstuk 27 925, nr. 278), waarna er op 28 november 2007 een algemeen overleg is gehouden (Kamerstuk 27 925, nr. 292). Op 19 december 2007 en 10 maart 2008 heb ik de Kamer nadere informatie verschaft, zoals ik tijdens dit algemeen overleg had toegezegd (Kamerstukken 27 925, nrs. 290 en 297).

Beschuldigingen

In de loop van deze gedachtenwisseling werd duidelijk dat de Kamer in meerderheid geen geloof hechtte aan de beschuldigingen. Daaruit bleek dat ik voldoende duidelijk heb gemaakt dat de Argos-redactie de plank had misgeslagen, en was er geen reden meer deze zaak op inhoudelijke gronden bij de Raad voor de Journalistiek aanhangig te maken.

Wel wilde ik een uitspraak van de Raad voor de Journalistiek over de mate waarin in dergelijke gevallen wederhoor moet worden toegepast. Ik was van mening dat de vragen die Argos voorafgaand aan de uitzendingen had gesteld, onvoldoende specifiek waren om gericht onderzoek te kunnen doen. Ook was ik van mening dat Argos van tevoren aan Defensie inzage had moeten geven in het materiaal, zoals foto’s, dat Argos ook van tevoren aan deskundigen en Kamerleden had getoond. Daarom heeft Defensie een klacht ingediend bij de Raad voor de Journalistiek op procedurele gronden, te weten het verlenen van onvoldoende gelegenheid tot wederhoor. Een goede illustratie van het belang van voldoende wederhoor was de verkenningsopdracht die in mei 2002 werd uitgevoerd door Nederlandse commando’s van ISAF. Voorafgaand aan de uitzendingen van oktober 2007 heeft Argos foto’s van militairen in Afghanistan laten zien aan Afghanistan-deskundigen en Kamerleden. Mede op basis daarvan meldde Argos dat Nederlandse commando’s in mei 2002 een operatie voor Enduring Freedom hadden uitgevoerd op de weg van Kabul via Jalalabad naar Pakistan. Vlak na de uitzending werden de foto’s bovendien ter inzage gegeven aan andere media, kennelijk met als doel maximale publiciteit te genereren. Daarin is Argos succesvol geweest.

Defensie kreeg de foto’s echter vóór de uitzending niet te zien, naar verluidt vanwege bronbescherming. Korte tijd na de uitzending werden de foto’s echter alsnog aan Defensie getoond. Toen kon al snel werden vastgesteld dat het hier ging om foto’s van een verkenningsopdracht die in opdracht van ISAF was uitgevoerd. Daarbij waren de Nederlandse militairen tien kilometer buiten het ISAF-verantwoordelijkheidsgebied gekomen. Er was geen sprake van dat zij ook maar in de buurt van Jalalabad, laat staan Pakistan zouden zijn geweest. Met deze opdracht van ISAF, die geheel binnen het ISAF-mandaat viel, was verder niets mis, zij het dat het beter was geweest als de opdracht van tevoren aan de vertegenwoordiger van de chef Defensiestaf in Kabul was gemeld. Dit is door het Nederlandse ISAF-detachement ook intern geëvalueerd. In het algemeen overleg van 28 november 2007 is dit uitgebreid aan de orde geweest.

Hieruit blijkt dat een onjuist verhaal over een operatie voor Enduring Freedom had kunnen worden voorkomen als Argos van tevoren de foto’s niet alleen aan deskundigen en Kamerleden, maar ook aan Defensie had getoond. Ik voeg hier aan toe dat Argos inmiddels niet bestrijdt dat de militairen op de foto’s slechts tot tien kilometer buiten het ISAF-verantwoordelijkheidsgebied zijn gekomen. Dat is gebleken tijdens de drie gesprekken die op uitnodiging van Defensie, na de uitzendingen van oktober, met de Argos-redactie zijn gevoerd.

Uitspraak Raad voor de Journalistiek

De Raad voor de Journalistiek heeft de klacht van Defensie op 12 maart jl. ongegrond verklaard. Argos heeft naar het oordeel van de Raad voldoende gelegenheid voor wederhoor geboden. Verder ziet de Raad geen aanleiding een algemeen oordeel te geven over hoe wederhoor door journalisten zou moeten plaatsvinden, zoals Defensie had gevraagd.

Ik heb kennis genomen van de uitspraak van de Raad en kan deze uiteraard slechts respecteren. De conclusie die ik heb getrokken is dat Defensie in dit soort uitzonderlijke gevallen eerder en explicieter om inzage in het bronnenmateriaal moet vragen. Uit de uitspraak van de Raad blijkt dat dit een belangrijke overweging is geweest.

Toespraak

Op 9 november 2007, enkele weken na de uitzendingen van oktober, heb ik een toespraak gehouden op een bijeenkomst van Argos waarvoor ik al geruime tijd daarvoor was uitgenodigd. Ik heb daarbij het belang van goede onderzoeksjournalistiek ten volle onderschreven. Maar ook heb ik in deze toespraak mijn appreciatie gegeven van de uitzendingen van oktober en de handelwijze van de Argos-redactie.

Ik was toen van mening, en ben dat nog steeds, dat Argos op basis van flinterdun bewijsmateriaal waarvan inmiddels voor een groot deel ook is bewezen dat het niet deugt, bijzonder zware en onjuiste beschuldigingen heeft geuit in de richting van Nederlandse militairen. Waar ik niet kan bewijzen dat het materiaal ondeugdelijk is, komt dat omdat het gaat om deels anonieme verklaringen van personen die melden dat Nederlandse militairen op plaatsen zijn geweest waar zij op dat moment in werkelijkheid niet waren.

Ik kan uiteraard nooit bewijzen dat de militairen daar niet zijn geweest want dat is onmogelijk. Wel kan ik het aannemelijk maken. Het is echter aan Argos te bewijzen dat zij daar wel waren. Daar is Argos duidelijk niet in geslaagd. Bij de beschuldigingen dat Nederlandse militairen in 2002 gestationeerd waren in Kandahar en deelnamen aan de operatie Anaconda, wees Argos op Amerikaanse documenten waarvan inmiddels door de Amerikanen is bevestigd dat deze op dit punt onjuist waren.

Naast anonieme en dus voor de buitenwacht oncontroleerbare verklaringen blijft er voor Argos op dit punt de verklaring van een Amerikaanse journalist over, die vijf jaar na dato desgevraagd laat weten dat hij in Zuid-Afghanistan Nederlanders heeft gezien. Daar tegenover staat het volgende. Als het werkelijk waar was dat in die tijd een Nederlandse eenheid van bijvoorbeeld tientallen militairen in Zuid-Afghanistan was geweest, dan moeten daar vele mensen binnen en buiten de defensieorganisatie van hebben geweten. Er had een aanzienlijke logistieke inspanning moeten worden verricht om deze groep militairen te bevoorraden. Er had een aanzienlijk berichtenverkeer vanuit Den Haag met deze eenheid moeten zijn. En ook had een dergelijke operatie vele euro’s gekost.

Van een dergelijke operatie is echter geen spoor terug te vinden in de defensieorganisatie. De euro’s zijn niet uitgegeven. En na de Argos-uitzendingen en de bijbehorende publiciteit heeft zich niemand gemeld bij Defensie of – voor zover ik weet – bij de media met nadere informatie.

Er zijn dus geen harde gegevens, en zeker geen harde Nederlandse gegevens over deze veronderstelde operatie van Nederlandse militairen in Zuid-Afghanistan in 2002. Naar mijn mening had Argos Nederlands bewijsmateriaal moeten kunnen vinden bij een veronderstelde operatie van deze omvang. Als ondanks het ontbreken daarvan dan toch over zo’n operatie wordt bericht, is de vergelijking met UFO’s terecht. Ik merk overigens op dat Argos tot op heden geen enkele van de beschuldigingen publiekelijk heeft teruggenomen.

Gesprekken met Argos

De D66-fractie vraagt hoe Defensie in de toekomst zal omgaan met uitnodigingen tot wederhoor en de communicatie over militaire missies met derden, zoals de media. Ik ben daar eerder in deze brief al op ingegaan. Defensie streeft naar een open houding waarbij vragen van alle media zo goed mogelijk worden beantwoord. Daarbij maakt het geen verschil of in het verleden kritisch is bericht over Defensie of niet.

Defensie heeft zeker na de uitzendingen van oktober 2007 met weinig media zo intensief gecommuniceerd als met Argos. Naast het verkeer via de gebruikelijke communicatiekanalen zijn er in totaal drie gesprekken geweest op het ministerie. Defensie heeft daarbij veel moeite gedaan documentatie te verzamelen en het door Argos aangedragen materiaal in het juiste perspectief te plaatsen.

Ik constateer dat sindsdien niet alleen Defensie, maar ook Argos een meer open houding aan de dag legt. Dat bleek duidelijk in de loop van januari rond de publicatie van het boek van een Duitse militair die in 2002 enige tijd gedetacheerd is geweest bij de Nederlandse commando’s van ISAF. Over dit boek heb ik op 18 februari jl. schriftelijke Kamervragen beantwoord (Handelingen TK 2007–2008, aanhangsel 1375–1376). Argos heeft aan Defensie in samenhang met dit boek gedetailleerde vragen gesteld die Defensie ook gedetailleerd heeft beantwoord.

Verder hebben Defensie en Argos tijdens een gesprek in januari een aantal foto’s bekeken van de verkenningsopdracht van mei 2002. Beide partijen kwamen gezamenlijk tot de conclusie dat deze foto’s de lezing van Defensie bevestigden. Dit intensieve contact heeft er wellicht toe bijgedragen dat Argos sinds eind vorig jaar geen nieuwe uitzending heeft gewijd aan de activiteiten van Nederlandse militairen in Afghanistan in 2002.

De minister van Defensie,

E. van Middelkoop

Naar boven