nr. 199
BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 januari 2006
Naar aanleiding van de brief van de voorzitter van de Vaste Commissie
voor Buitenlandse Zaken van 17 januari jl. (kenmerk 06-BuZa-B-001) informeer
ik u hierbij dat de Commissie voor Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten in
staat zal worden gesteld inzage te krijgen in de rapporten van de Militaire
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) van 19 oktober 2005 en 17 november
2005 over Afghanistan, met weglating van gegevens waarvan het verstrekken
in strijd is met het belang van de staat.
In deze aan mij gerichte rapporten wordt ingegaan op de belangrijkste
omstandigheden en bedreigingen met betrekking tot de komende Nederlandse bijdrage
aan ISAF in Zuid-Afghanistan. Uit de MIVD-analyse komt naarvoren dat er in
Zuid-Afghanistan sprake is van een instabiele en onveilige situatie, voornamelijk
door het optreden van de Taliban en aanverwante groeperingen. Daarnaast is
er in deze regio en in het bijzonder in Uruzgan sprake van een aantal onderling
samenhangende problemen waaronder spanningen tussen en binnen etnische groeperingen,
gebrekkige overheidscontrole, een grote mate van corruptie, drugsproductie
en criminaliteit.
Het uitvoeren van een ISAF-missie in Uruzgan wordt door de MIVD gekenschetst
als een complexe en risicovolle onderneming die niet zonder robuust optreden
kan worden uitgevoerd. Voor het behalen van succes is het noodzakelijk een
goed evenwicht te bereiken tussen robuust optreden tijdens veiligheidsoperaties,
en de inspanningen bij het verkrijgen van de steun van de bevolking en ten
behoeve van wederopbouw. Er zal rekening moeten worden gehouden met gewapend
verzet van de Taliban en aanverwante groeperingen tegen de ISAF-presentie,
aldus de MIVD.
In het MIVD-rapport van 17 november 2005 zijn de appreciaties door
buitenlandse zusterdiensten van conclusies en bevindingen uit het eerdere
MIVD-rapport afzonderlijk vermeld. Zoals vermeld in mijn brief van 17 januari
jl. (kamerstuk 27 925, nr. 198) heeft de CDS de MIVD-analyse gebruikt
bij het opstellen van zijn militair advies.
Militair advies van de CDS
Tevens informeer ik u hierbij over het militair advies van de CDS over
deze bijdrage. Reeds op 11 februari 2004 heb ik tijdens het algemeen
overleg over de Apache-helikopters voor ISAF (Kamerstuk 27 925 nr. 117)
uiteengezet dat het kabinet verantwoordelijk is voor de conclusies die door
het kabinet in een Artikel 100-brief worden getrokken ten aanzien van de veiligheidsanalyse
en het advies van de CDS. Ik heb daar toen aan toegevoegd dat ik niet langer
in de Artikel 100-brieven het advies van de CDS zou weergeven, zoals tot dan
de gewoonte was, maar alleen het parlement zou informeren indien het advies
van de CDS zou afwijken van de kabinetsconclusies. Kort voor dit algemeen
overleg in de Tweede Kamer was daar op 3 februari 2004 in de Eerste Kamer
sterk op aangedrongen tijdens de begrotingsbehandeling van Defensie (Handelingen
Eerste Kamer, vergaderjaar 2003–2004, EK 16 726-760). In deze brief
zal ik, in aanvulling op de Artikel 100-brief van 22 december 2005 (Kamerstuk
27 925 nr. 193), alsnog ingaan op het advies van de CDS aangezien de
Kamer mij daar in dit geval uitdrukkelijk om verzoekt.
De CDS stelt vast dat de veiligheidssituatie in Zuid-Afghanistan zeer
risicovol is. Deze risico’s kunnen met diverse maatregelen tegemoet
worden getreden, waaronder maatregelen ter bescherming van de eigen troepen,
alsmede de beschikbaarheid van luchtsteun en een snelle reactiemacht. Bij
het optreden van de Nederlandse troepen staat de eigen bescherming voorop.
Het door de Nederlandse troepen getoonde respect voor de bevolking zal bijdragen
aan de eigen veiligheid. Veel aandacht zal worden gegeven aan het verzamelen
van inlichtingen. Met een verhoogd CIMIC-budget kan, vooruitlopend op wederopbouwprojecten,
de houding van de bevolking worden beïnvloed.
De CDS acht het uitvoeren van een militaire operatie in Zuid-Afghanistan
uitdagend maar uitvoerbaar en verantwoord, mits aan een aantal voorwaarden
is voldaan. Deze voorwaarden betreffen kortheidshalve de beschikbaarheid van
bepaalde militaire middelen en eenheden, ook van andere landen; goede Navo-afspraken
over de kosten van de basis in Kandahar; en een goede invulling van de Nederlandse
wederopbouwinspanning.
In de Artikel 100-brief van 22 december 2005 heeft de regering uiteengezet
dat sinds medio 2005 intensief overleg is gevoerd met verschillende bondgenoten,
met de NAVO en met de Afghaanse regering over de mogelijke Nederlandse bijdrage.
In de weken voorafgaand aan het versturen van deze Artikel 100-brief heeft
de regering een aantal aandachtspunten geformuleerd waarop vooruitgang diende
te worden geboekt. Deze aandachtspunten waren mede gebaseerd op aspecten en
voorwaarden die door de MIVD en de CDS naar vorenwaren gebracht. Naar aanleiding
van deze Nederlandse wensen zijn vruchtbare besprekingen gevoerd met verschillende
internationale partners. De resultaten van deze besprekingen hebben de regering
in staat gesteld het parlement te informeren over de Nederlandse bijdrage
aan ISAF in Zuid-Afghanistan door middel van de Artikel 100-brief.
De regering is gaarne bereid medewerking te verlenen aan de voor 30 januari
a.s. geagendeerde besloten briefing voor de Vaste Commissies voor Buitenlandse
Zaken en voor Defensie. Tijdens deze briefing zullen de CDS en de directeur
van de MIVD nadere informatie kunnen verschaffen over de komende bijdrage,
waarbij zij tevens vragen van de zijde van de Kamer zullen kunnen beantwoorden.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
De Minister van Defensie,
H. G. J. Kamp