27 925
Bestrijding internationaal terrorisme

nr. 154
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 december 2004

Tijdens het Voortgezet Algemeen Overleg op 9 december jl. van de Minister van Justitie met uw Kamer inzake terrorismebestrijding is door de leden Van Heemst en Dijsselbloem (beiden PvdA) een motie ingediend inzake het in Europees verband weren van zogenoemde «predikers van de haat» (KII 2004–2005, 27 925 nr. 151). Op deze motie is mondeling een eerste reactie gegeven door de Minister van Justitie tijdens het genoemde VAO en vervolgens door mij tijdens het Wetgevingsoverleg met uw Kamer inzake het deel Integratie van de Justitiebegroting 2005. Terzake diene thans het volgende.

In Europees verband is de aandacht voor de bestrijding van terrorisme onverminderd groot. Onderdeel hiervan is het voorkomen van de toegang van personen tot het grondgebied van Lidstaten dan wel het verhinderen van toegang in een Schengenlidstaat op het moment dat een ander Schengenland iemand op grond van radicale c.q. haatzaaiende uitlatingen, bijvoorbeeld een extremistische imam, dan wel andere activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid van het eigen grondgebied verwijdert of de toegang weigert. Het instrument dat daarvoor ter beschikking staat is het Schengen Informatie Systeem(SIS). Dit systeem bevat ondermeer alle namen van personen die door Schengenlanden op grond van art 96 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO) gesignaleerd zijn ter fine van toegangsweigering. Het systeem wordt gevoed door de Schengenstaten (waaronder ook Noorwegen en IJsland) en vanaf volgend jaar waarschijnlijk ook door het Verenigd Koninkrijk.

Bepalend is dat iedere Schengenstaat een radicale islamist in het SIS kan opnemen wegens een mogelijk gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Andere Schengenstaten kunnen vervolgens bepalen of zij betrokkene om die reden een nationaal visum en/of toegang tot het grondgebied willen weigeren. In Schengen-verband is afgesproken dat indien een vreemdeling ongewenst is in een lidstaat wegens gevaar voor de nationale veiligheid, daarmee impliciet wordt aangenomen dat deze vreemdeling een gevaar vormt voor het gehele Schengengebied. Het al dan niet signaleren van een persoon is nationale bevoegdheid.

Met de indieners van de motie is het kabinet van oordeel dat de samenwerking tussen Europese overheden bij het weren van genoemde personen belangrijk is. Daarom is eenvormige toepassing van het Schengeninstrumentarium door middel van signaleringen, zeker in deze gevallen, essentieel. Nederland zal daarom in Europees verband aandringen op een strikte en gelijkvormige beleidslijn bij het signaleren van personen (zoals radicale islamisten) die op grond van de nationale veiligheid de toegang of het verblijf zijn geweigerd. Over de resultaten daarvan zal uw Kamer in de eerstvolgende rapportage terrorismebestrijding worden geïnformeerd.

Daarbij zij aangetekend dat voorzover de motie ziet op het opstellen van een zogenoemde «zwarte lijst», het kabinet daartoe niet zal overgaan. Daaraan bestaat in het licht van het bovenstaande namelijk geen behoefte.

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M. C. F. Verdonk

Naar boven