Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 april 2026
Op 20 februari is de Beleidsregel vervolg andere dag- en weekindeling gepubliceerd1 Hiermee wordt er een vervolg gegeven aan het experiment Andere dag- en weekindeling
op scholen in de G5 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere), dat startte
op 1 augustus 2020 en eindigt op 31 juli 2026. Naar aanleiding hiervan hebben de AOb,
CNV en FvOv een brief gestuurd naar de commissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
waarin zij hun zorgen uiten over het experiment. Met deze brief ga ik in op de genoemde
zorgen en punten uit de brief en kom ik tegemoet aan de toezegging die is gedaan tijdens
het commissiedebat Leraren van 25 maart jl.
Goed opgeleide leraren zijn cruciaal voor de kwaliteit van het onderwijs. De demografische
ontwikkelingen en aanhoudende schaarste op de arbeidsmarkt zetten deze kwaliteit onder
druk. Dit vraagt om een toekomstbestendig en wendbaar onderwijssysteem, gericht op
het waarborgen van de onderwijskwaliteit en de duurzame inzetbaarheid van onderwijspersoneel.
Bovendien draagt het bevorderen van teamleren en samenwerking tussen alle personeelsleden
bij aan beter onderwijs.
De personeelstekorten in de G5 zijn hoger dan in de rest van Nederland. Vanwege deze
aanhoudende personeelstekorten krijgen scholen in de G5 met de verlenging van dit
experiment de mogelijkheid om een deel van de onderwijstijd te laten verzorgen door
andere professionals. Dit biedt hen meer stabiliteit in het personeelsbeleid en zorgt
voor meer rust voor leerlingen. Daarbij is de kwaliteit van het onderwijs leidend.
Daarom ligt de nadruk in de nieuwe beleidsregel op de kwaliteit van het onderwijs
op school.
In de brief van de AOb, CNV en FvOV wordt verondersteld dat de waarborgen uit de voorgaande
regeling rond de noodplannen in de betreffende steden en de betrokkenheid van de medezeggenschap
zijn vervallen. De geïntensiveerde aanpak om het lerarentekort te verminderen en zorg
te dragen voor voldoende en goed opgeleid onderwijspersoneel via de onderwijsregio’s
blijft onverminderd van kracht.
Ten aanzien van de medezeggenschapsraad is ook in de nieuwe regeling vastgelegd dat
het schoolplan ter instemming aan de medezeggenschapsraad moet worden voorgelegd.
In artikel 7 van de beleidsregel is opgenomen dat een bewijs van instemming van de
medezeggenschapsraad op het plan op schoolniveau een vereiste is voordat een school
kan deelnemen aan het experiment. Het bevoegd gezag moet namelijk een melding maken
bij het onderzoeksbureau voordat een school ander personeel mag inzetten voor maximaal
22 uur per maand. Die melding bevat in ieder geval een bewijs van instemming van de
medezeggenschapsraad op het plan op schoolniveau.
Verder uiten de AOb, CNV en FvOv de zorg dat het experiment expliciet wordt gepositioneerd
als mogelijke opmaat naar permanente regelgeving. Een experiment of pilot biedt de
mogelijkheid om in een gecontroleerde en afgebakende setting te toetsen of, hoe en
in welke mate een beleidsinterventie daadwerkelijk bijdraagt aan het oplossen van
een concreet maatschappelijk probleem. Het is dus gericht op het verkrijgen van kennis
die nodig is om te beslissen of en hoe structurele wetgeving kan worden ingevoerd,
aangepast of juist achterwege moet blijven.
Een experiment gaat altijd gepaard met onderzoek. Uit de eindrapportage van het vorige
experiment blijkt dat de – zelfgerapporteerde – impact van het experiment op de onderwijskwaliteit
deels positief is.2 Door het experiment – en het bijbehorende onderzoek – te verlengen proberen we het
leereffect uit deze situatie zo groot en betrouwbaar mogelijk te maken.
Zoals benoemd is goed onderwijs voor alle leerlingen, verzorgd door bevoegde leraren,
mijn leidende uitgangspunt. Het is onze gezamenlijk opdracht om dit te kunnen blijven
bieden, in nauwe samenwerking met de sectorraden, bonden, de beroepsgroep, opleiders,
scholieren en ouders.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.Z.C.M. Tielen