Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202027923 nr. 411

27 923 Werken in het onderwijs

Nr. 411 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BASIS- EN VOORTGEZET ONDERWIJS EN MEDIA

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 juni 2020

Hierbij stuur ik u mijn reactie op het verzoek van de commissie inzake de beleidsregel andere dag- en weekindeling in het kader van de noodmaatregelen voor het lerarentekort in het primair onderwijs in de G5. U verzoekt mij om een toelichting te geven op de beleidsregel en te reageren op de kanttekeningen van de AOb.

In de G5 (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Almere) zijn op korte termijn extra maatregelen nodig om bij het oplopende personeelstekort de kwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid van het onderwijs te waarborgen. Daarom hebben de schoolbesturen en gemeenten in de G5 noodplannen voor de aanpak van het lerarentekort gemaakt, zoals ik in december met u heb gedeeld.1 Daarbij zijn leraren en schoolleiders betrokken geweest via inspraaksessies. De gemeenschappelijke medezeggenschapsraden (GMR) van de schoolbesturen hebben met de plannen ingestemd.

In de noodplannen wordt onder andere gevraagd om meer ruimte voor een andere dag- en weekindeling. Dit is samen met de besturen en gemeenten uitgewerkt in een beleidsregel. De partijen voor het primair onderwijs aan de landelijke tafel tekorten zijn hier ook bij betrokken geweest. De beleidsregel biedt – tijdelijk en onder voorwaarden – ruimte aan scholen met een lerarentekort om maximaal 22 uur in de maand (een dag per week) andere professionals dan bevoegde leraren in te zetten. Voor aankomend schooljaar hebben 25 schoolbesturen een aanvraag ingediend.

Ik wil voorop stellen dat het, net als de AOb, mijn voorkeur heeft dat leerlingen de hele week les krijgen van bevoegde leraren. Dat is en blijft ook het uitgangspunt. Tegelijkertijd moeten we realistisch zijn dat dit op dit moment door het lerarentekort niet altijd mogelijk is in de G5. De bedoeling van de ruimte die met de beleidsregel wordt geboden is juist om de kwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid in dergelijke situaties te waarborgen. De inzet van andere professionals helpt te voorkomen dat kinderen naar huis gestuurd moeten worden.

Uiteraard stel ik wel voorwaarden aan de inzet van andere professionals. Het mag alleen op scholen met een lerarentekort, voor maximaal 22 uur in de maand en niet voor de vakken Nederlandse taal, rekenen en het bewegingsonderwijs. Het schoolbestuur is verantwoordelijkheid voor de bekwaamheid van de professionals, goede begeleiding en controleert of de professional over een VOG beschikt. Bovendien moet er op schoolniveau een plan worden gemaakt waaruit blijkt hoe er op school invulling wordt gegeven aan de ruimte. Anders dan de AOb meldt, is het noodzakelijk dat de medezeggenschapsraad van de school – en dus niet de GMR – instemt met het plan.

Ik laat de ruimte die scholen krijgen vier jaar lang monitoren door een onderzoeksbureau en zal uw Kamer tussentijds informeren over de resultaten van de monitoring.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Kamerstuk 27 923, nr. 387