nr. 33
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 augustus 2006
Hierbij bied ik u het eindrapport aan van de vervolgevaluatie van de Wet
inzake Evenredige Vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies
in het onderwijs (WEV)1 en geef ik u mijn reactie
op de uitkomsten van deze vervolgevaluatie.
Motivatie en kosten van het externe onderzoek
Ter uitvoering van de motie-Bakker (TK 2004–2005, 30 105, nr. 16)
informeer ik u tevens over de motieven om een extern onderzoeksbureau voor
dit evaluatieonderzoek in te schakelen en over de kosten van dit externe onderzoek.
De eerste evaluatie van de WEV heeft in 2001 plaatsgevonden. Omdat binnen
het departement de expertise en capaciteit voor een dergelijk evaluatieonderzoek
ontbreekt, is dit onderzoek in 2001 uitbesteed. Om dezelfde redenen is besloten
om ook de vervolgevaluatie in 2005 door een extern onderzoeksbureau te laten
plaatsvinden. De kosten van het externe onderzoek bedragen € 69 398,42.
Achtergrond Wet Evenredige Vertegenwoordiging
Sinds 7 maart 1997 is de Wet inzake Evenredige Vertegenwoordiging
van vrouwen in leidinggevende functies in het onderwijs (WEV) van kracht.
Deze Wet verplicht het bevoegd gezag van onderwijsinstellingen, waarin geen
sprake is van een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende
functies, om eenmaal in de vier jaar een plan met streefcijfers op te stellen,
gericht op een vergroting van het aandeel van vrouwen in leidinggevende functies.
De werking van de WEV is voor de eerste maal geëvalueerd in 2001.
Doordat in dat onderzoek gebruik moest worden gemaakt van personele gegevens
over 1999 en niet kon worden verwacht dat er in dat jaar al (belangrijke)
resultaten te rapporteren zouden zijn van de plannen die de instellingen uiterlijk
begin 1998 hebben opgesteld, is besloten om aan de uitkomsten
van dat onderzoek nog geen conclusies te verbinden met betrekking tot de werking
en effectiviteit van de WEV.
Daarom is toen met u afgesproken om de expiratiedatum van 1 januari
2002 uit de Wet te halen en pas in 2005, na een uitgebreide vervolgevaluatie
van de WEV, te bezien of deze Wet kan worden ingetrokken dan wel moet worden
gehandhaafd.
Reactie op de uitkomsten van de vervolgevaluatie
Uit de vervolgevaluatie blijkt, dat het aandeel van vrouwen in het management
de afgelopen jaren in vrijwel alle onderwijssectoren (substantieel) is gestegen,
ondanks het feit dat de in de WEV opgenomen planverplichting bij steeds minder
instellingen blijkt te leven. De WEV blijkt een bewustwordingsproces binnen
de onderwijsinstellingen op gang te hebben gebracht, dat er toe heeft geleid
dat emancipatiebeleid steeds meer onderdeel is gaan vormen van het integrale
personeelsbeleid van de instellingen.
Daardoor heeft de in de WEV opgenomen planverplichting geen toegevoegde
waarde meer. Ik ben dan ook voornemens deze wet thans in te trekken. Dat wil
echter niet zeggen dat ik aan een verdere vergroting van het aandeel van vrouwen
in het management geen prioriteit meer geef. De WEV blijkt daarvoor echter
geen effectief instrument meer te zijn. Ook sluit een planverplichting niet
goed meer aan bij de bestuurlijke verhoudingen in het onderwijs die ik met
governance nastreef. Ik ga daarin uit van meer ruimte voor de eigen verantwoordelijkheid
van instellingen. Ook wil ik de administratieve lasten voor de instellingen
zoveel mogelijk beperken.
Maatregelen ter bevordering van meer vrouwen in management
Hoewel het aandeel van vrouwen in het management van onderwijsinstellingen
de afgelopen jaren is gestegen, vind ik het vanuit een oogpunt van evenredige
vertegenwoordiging wenselijk, dat het aandeel van vrouwen in het management
verder wordt vergroot. Dat is primair de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen
zelf. Door een aantal regionale platforms, die zijn gericht op een betere
afstemming tussen vraag en aanbod op de onderwijsarbeidsmarkt, zijn recent
ook specifieke afspraken gemaakt over de bevordering van de doorstroom van
vrouwelijke leraren naar managementfuncties. Van de good practice die dit
oplevert kunnen andere instellingen leren.
Ter ondersteuning van het emancipatiebeleid van de instellingen zijn door
mij meerdere projecten gefaciliteerd om het aandeel van vrouwen in het management
te bevorderen. Ik wijs u bijvoorbeeld op het project duobanen, op de kweekvijverprojecten
en op de Stimuleringsregeling voor beginnende directeuren in het primair onderwijs;
op het door Schoolmanagers-VO in het voortgezet onderwijs uitgevoerde project
ter bevordering van meer vrouwen in het management en op het Aspasia-programma
in het hoger onderwijs. De opbrengsten van deze projecten zullen breed worden
verspreid.
In aanvulling daarop zijn in het convenant dat ik op 30 juni 2006
met de werkgevers- en werknemersorganisaties in het primair en voortgezet
onderwijs heb gesloten over de professionalisering en begeleiding van het
onderwijspersoneel, concrete afspraken gemaakt over een verdere vergroting
van het aandeel van vrouwen in het management in het primair en voortgezet
onderwijs.
Die afspraken zijn er op gericht om meer vrouwelijke leraren via opscholing
door te laten stromen naar een managementfunctie. Dit mede in verband met
de te verwachten uitstroom tot 2015 van leidinggevenden in het primair en
voortgezet onderwijs. Om het in het convenant geformuleerde ambitieniveau
te kunnen realiseren kan door de scholen in het primair onderwijs onder meer
gebruik worden gemaakt van de ervaringen uit de kweekvijverprojecten en uit
het project duobanen, van de uitkomsten van het door het bureau Astri in opdracht van het ministerie van OCW in het kader van de
monitor Arbeid, Zorg en Levensloop gehouden verdiepend onderzoek «Vrouwen
in de schoolleiding in het basisonderwijs» en van de praktijkkaternen
die door de regiegroep schoolleiders ter beschikking worden gesteld.
De afspraken in het convenant worden periodiek geëvalueerd. Als mocht
blijken dat het bestaande instrumentarium voor de scholen in het primair en
voortgezet onderwijs niet toereikend is om de in het convenant genoemde streefdoelen
te realiseren, zal met de werkgevers- en werknemersorganisaties worden verkend
welke mogelijk andere effectieve instrumenten hieraan zouden kunnen bijdragen.
Ik verwacht dat met dit convenant een verdere impuls kan worden gegeven
aan de vergroting van het aandeel van vrouwen in het management.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. J. A. van der Hoeven