Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200627923 nr. 31

27 923
Werken in het onderwijs

30 187
Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs ter aanpassing van de profielen in de tweede fase van het vwo en het havo (aanpassing profielen tweede fase vwo en havo)

nr. 31
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juni 2006

In de beleidsagenda lerarenopleidingen 2005–2008 die u is aangeboden bij brief van 1 juli 2005 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 27 923, nr. 19) zijn onder meer afspraken opgenomen over verhoging van de kwaliteit van de instroom in de opleidingen tot leraar basisonderwijs. In vervolg daarop heb ik op 23 januari jl. aan uw Kamer een brief gezonden over het rekenniveau van (aankomend) studenten aan de opleiding tot leraar basisonderwijs (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 27 923, nr. 22). In laatstgenoemde brief heb ik onder meer toegezegd een onderzoek te laten uitvoeren.

Op basis van het voorgaande heb ik met Schoolmanagers_VO, Bve Raad en HBO-raad een aantal afspraken kunnen maken over de verbetering van de reken- en (Nederlandse) taalvaardigheid van vwo-, havo- en mbo-leerlingen/deelnemers die het voornemen hebben door te stromen naar de opleidingen tot leraar basisonderwijs.

In deze brief informeer ik u daarover. In paragraaf 1 («De maatregelen») schets ik het pakket aan maatregelen dat ik ben overeen gekomen met de Schoolmanagers_VO, Bve Raad en HBO-raad op basis van de afspraken die zijn vastgelegd in de beleidsagenda lerarenopleidingen 2005–2008 en mijn eerdergenoemde brief van 23 januari jl. In paragraaf 2 («Voortraject») vat ik ten overvloede die afspraken samen. In paragraaf 3 («Onderzoek») ga ik in op de in mijn eerdergenoemde brief toegezegde analyse van de aard van een eventueel tekort aan reken- en taalvaardigheid van instromers in de opleidingen tot leraar basisonderwijs.

De verbetering van de reken- en taalvaardigheid van instromers in de opleiding tot leraar basisonderwijs, vraagt enerzijds om een aanpak voor de korte termijn: de leerlingen/deelnemers die in de komende studiejaren instromen in de opleiding tot leraar basisonderwijs moeten basisvaardigheden op het terrein van rekenen en taal beheersen. Op langere termijn dient het onderwijstraject dat de leerling/deelnemer volgt in het funderend onderwijs voldoende garanties te bieden voor een adequate voorbereiding op doorstroom naar de opleiding tot leraar basisonderwijs. Die garanties moeten er echter ook zijn voor alle andere leerlingen/deelnemers in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs. Zij moeten met succes kunnen doorstromen naar het hoger onderwijs of uitstromen naar de arbeidsmarkt. Beheersing van basisvaardigheden rekenen en taal is daarvoor voorwaardelijk.

De verantwoordelijkheid voor de reken- en taalvaardigheid van onderwijsdeelnemers is een gedeelde verantwoordelijkheid. Het pakket aan maatregelen dat hieronder wordt voorgesteld, beoogt een ketenaanpak. Het gaat ervan uit dat actoren/instellingen uit alle sectoren vanuit hun eigen specifieke verantwoordelijkheid hun bijdrage leveren aan de noodzakelijke en duurzame verbetering van de reken- en taalvaardigheid van leerlingen/deelnemers. De maatregelen leiden – op wat langere termijn – tot structurele verbetering van de basisvaardigheden rekenen en taal voor alle onderwijsdeelnemers en worden voor de kortere termijn aangevuld met maatregelen die erop gericht zijn om ook de leerlingen/deelnemers die in dit schooljaar of één van de volgende schooljaren kiezen voor een studie aan de opleiding tot leraar basisonderwijs daarvoor goed toe te rusten.

We zijn van mening dat wat betreft de korte termijn met de hierna beschreven maatregelen een goede uitwerking is gegeven aan het streven de basisvaardigheden van leerlingen/deelnemers en studenten op niveau te brengen. Dat betekent dat we niet over alle (in beleidsagenda en brief d.d. 23 januari 2006) genoemde oplossingsmogelijkheden afspraken hebben gemaakt.

Wat betreft de lange termijn afspraken is de HBO-Raad van mening dat t.a.v. de tweede fase van het voortgezet onderwijs er nog onvoldoende perspectief bestaat voor een substantiële verbetering van het niveau van de VO-leerling in het bijzonder de leerlingen die hebben gekozen voor het profiel Cultuur en Maatschappij.

1 DE MAATREGELEN

1.1 Korte termijn: toetsen en remediëren (schooljaren 2006/2007 t/m 2008/2009)

De afspraken voor de korte termijn gaan over het toetsen van de reken- en taalvaardigheid van studenten aan opleidingen tot leraar basisonderwijs en leerlingen/deelnemers in havo/vwo en mbo, het ontwikkelen en vaststellen van een norm voor die toetsen en het remediëren van achterstanden in de opleiding tot leraar basisonderwijs en in VO en BVE.

Toetsing

Opleiding tot leraar basisonderwijs

Als uitwerking van de beleidsagenda lerarenopleidingen 2005–2008 heeft de HBO-raad aan Cito opdracht gegeven om diagnostische toetsen reken- en taalvaardigheid te ontwikkelen. Deze toetsen worden met ingang van het studiejaar 2006–2007 ingevoerd op de opleiding tot leraar basisonderwijs en zullen beschikbaar zijn in de vorm van toetsenbanken. De toetsen zullen worden afgenomen bij instromende studenten. Vervolgens hebben die studenten voor en tijdens de propedeuse zo nodig de gelegenheid om achterstanden weg te werken, waarna aan het eind van het eerste studiejaar opnieuw wordt getoetst. Als de uitkomst dan onvoldoende is, krijgt de student een negatief (bindend) advies over de voortzetting van de opleiding. Cito rapporteert jaarlijks aan de opdrachtgever over de toetsresultaten (macro) die door studenten worden behaald en over de aard van de achterstanden van studenten.

VO en BVE

Scholen voor VO en ROC’s hebben de verantwoordelijkheid om leerlingen/deelnemers in VO en MBO die het plan hebben door te stromen naar de opleiding tot leraar basisonderwijs beter hierop voor te bereiden. Zij zijn bereid om aan die verantwoordelijkheid uitvoering te geven door bij deze leerlingen/deelnemers ook diagnostische toetsen reken- en taalvaardigheid af te nemen en hen, waar nodig, remediërende programma’s te laten volgen. Zij kunnen daarbij gebruik maken van de toetsenbanken die door Cito worden ontwikkeld. Daartoe worden dezer dagen afspraken gemaakt door OCW, HBO-raad, Bve Raad, Schoolmanagers_VO en Cito.

In de komende drie schooljaren 2006/2007, 2007/2008 en 2008/2009 zullen de toetsen in elk geval één maal (per jaar) worden afgenomen bij leerlingen/deelnemers die zich aan de opleiding tot leraar basisonderwijs willen inschrijven. Het ligt het meest voor de hand de toets af te nemen op een moment dat die leerlingen/deelnemers in principe hun keuze voor een vervolgopleiding hebben gemaakt en er nog tijd is om aan remediëring te werken.

Norm

De opleidingen tot leraar basisonderwijs zijn nu bezig met de ontwikkeling van een norm voor de diagnostische toetsen, zodat deze aan het begin van het komende studiejaar beschikbaar is. Die norm gaat op alle opleidingen gelden voor alle studenten, zodat er voor hen duidelijkheid is over de vraag welke remediëring in het eerste studiejaar nodig is respectievelijk of men voldoende reken- en taalvaardig is om aan het eind van het eerste studiejaar een positief advies te ontvangen over voortzetting van de opleiding. Studenten die een negatief studieadvies ontvangen, hebben daarna geen mogelijkheid meer om hun studie aan die hogeschool voort te zetten. Voortzetting van de opleiding aan een andere hogeschool is daarmee in beginsel niet uitgesloten, maar ligt niet voor de hand. Betreffende studenten zullen dan opnieuw een toets moeten ondergaan.

Het VO- en het BVE-veld zal bij de vaststelling van de norm door de hogescholen worden betrokken.

Remediëring

Opleiding tot leraar basisonderwijs

Nadat de diagnostische toets is afgenomen bij instromende studenten, krijgen studenten de gelegenheid ontbrekende kennis en vaardigheid alsnog te verwerven. De lerarenopleidingen ondersteunen hen daarbij.

VO en BVE

Zoals gezegd zijn scholen voor VO en ROC’s bereid om aan de leerlingen/deelnemers die willen doorstromen naar de opleiding tot leraar basisonderwijs, waar nodig, remediërende programma’s aan te bieden. Zij baseren zich in hun aanbod op de eisen van de diagnostische toets. Er zal in overleg tussen Schoolmanagers_VO, Bve Raad, HBO-raad en OCW en samen met deskundige ondersteunende instituten worden vastgesteld in welke mate er behoefte is aan extra remediërend materiaal. Uitkomst daarvan zou kunnen zijn dat, als er lacunes zijn geconstateerd, het materiaal dat beschikbaar is, wordt aangevuld en vervolgens uiterlijk einde 2006 digitaal beschikbaar wordt gesteld aan de scholen voor VO, de ROC’s en de opleidingen tot leraar basisonderwijs.

Regionale samenwerking

Scholen voor VO, ROC’s en opleidingen tot leraar basisonderwijs kunnen in regionaal verband praktische afspraken maken over toetsing en remediëring. De opleiding tot leraar basisonderwijs kan daarbij desgewenst als «spil» fungeren. Deze praktische afspraken laten echter onverlet dat scholen voor VO en ROC’s er zelf verantwoordelijk voor zijn dat hun leerlingen/deelnemers optimaal worden voorbereid op doorstroming naar vervolgonderwijs.

1.2 Langere termijn

Voor de langere termijn hebben we afgesproken langs twee lijnen te werken. De eerste lijn betreft het definiëren van specificaties van de nieuwe (globale) kerndoelen onderbouw VO voor wiskunde en Nederlands, als handreiking aan scholen en specificaties binnen de algemene kwalificatieprofielen MBO. In het verlengde daarvan wordt gewerkt aan de ontwikkeling van doorlopende leerlijnen voor de vakken rekenen/wiskunde en Nederlands.

Uitwerking van de lange termijn afspraken moet ertoe leiden dat remediërende activiteiten in de opleidingen voor leraar basisonderwijs zelf in beginsel niet meer nodig zijn.

1.2.1 Kerndoelen onderbouw VO, kwalificatieprofielen MBO en examenprogramma’s VO

VO

Met de toetsen en de daarbij vast te stellen norm wordt nauwkeurig aangegeven over welke kennis en vaardigheden instromers in de opleiding tot leraar basisonderwijs moeten beschikken. In feite gaat het om concretisering van wat is opgenomen in de kerndoelen basisonderwijs voor rekenen en taal op Citonorm 8+. Overigens gaat het hier om een ontwikkeling die breder is en niet alleen plaats heeft met het oog op de doorstroom naar de opleiding tot leraar basisonderwijs.

Begin dit jaar heb ik in mijn brief van 3 februari (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 187, nr. 23) aangegeven, dat voor de onderbouw VO specificaties worden gemaakt van de nieuwe (globale) kerndoelen voor het vak wiskunde, die aangeven wat in de onderbouw verondersteld mag worden aan kennis en vaardigheid, waarbij ook het derde leerjaar wordt betrokken. Het gaat om hulpmiddelen voor scholen en methodeschrijvers. In deze specificaties zal ook rekening gehouden worden met het gewenste vaardigheidsniveau op het terrein van rekenen en wiskunde bij instroom in de opleiding tot leraar basisonderwijs.

Ook voor het vak Nederlands voor de onderbouw VO zullen op dezelfde wijze specificaties worden gemaakt van de nieuwe kerndoelen, als handreiking aan scholen en methodemakers.

Planning: specificaties zijn per 1-8-2007 beschikbaar.

Het besluit waarin die kerndoelen (waaronder kerndoelen voor wiskunde en voor Nederlands) voor de onderbouw VO worden vastgelegd, ligt nu voor advies bij de Raad van State. Ik zal, in overeenstemming met mijn toezegging aan de Eerste Kamer bij de behandeling van het wetsvoorstel onderbouw VO, de toelichting aanscherpen op bovenstaande uitwerkingen en op het belang van doorlopende leerlijnen (zie ook 1.2.2). Dit geeft een beter aangrijpingspunt voor het toezicht door de inspectie en houvast voor de school over wat wordt verwacht.

Voorts zal ik het opschrift van de kerndoelen wiskunde in het kerndoelenbesluit veranderen in rekenen en wiskunde.

In mijn brief van 10 april 2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 187, nr. 36) is al aangegeven, dat ook in de tweede fase vwo/havo, op het bijbehorende niveau, (weer) aandacht zal worden besteed aan elementaire rekenkundige/algebraïsche vaardigheden, door opname daarvan als zelfstandige eis in examenprogramma’s en examens.

BVE

In overleg met de Stuurgroep Competentiegericht Beroepsonderwijs wordt nagegaan hoe in de algemene kwalificatieprofielen MBO specificaties kunnen worden aangebracht over basisvaardigheden rekenen en taal. Verder zal met de OVDB (kenniscentrum voor leren in de praktijk in de sectoren Gezondheidszorg, Welzijn, Sport en Dienstverlening) worden nagegaan hoe daarnaast ook specificaties in het beroepsgerichte deel van de competentieprofielen voor de opleiding tot onderwijsassistent aangebracht kunnen worden.

Planning: specificaties zijn per 1-8-2007 beschikbaar.

Toetsing

Als de voornemens die hiervoor zijn geformuleerd – toetsing van de (aankomend) instromers in de opleiding tot leraar basisonderwijs, remediëring en het aanbrengen van specificaties in de (nieuwe) kerndoelen onderbouw VO en in de competentieprofielen MBO – in de komende periode worden gerealiseerd, is het te verwachten dat scholen ook op andere momenten, bijv. aan het einde van de onderbouw VO gebruik zullen willen maken van diagnostische toetsing van de eigen vaardigheid van leerlingen/deelnemers op het terrein van rekenen en taal. Met Schoolmanagers_VO en Bve Raad wordt nagegaan of/hoe dit kan worden gestimuleerd.

1.2.2 Doorlopende leerlijn

Alle onderwijsdeelnemers moeten beschikken over elementaire reken- en taalvaardigheden. Een aanpak waarin alle sectoren hun verantwoordelijkheid nemen is daarvoor allereerst noodzakelijk. Voor een onderwijsbrede, samenhangende aanpak is echter meer nodig. Een doorlopende leerlijn van PO tot en met HO voor zowel rekenen als taal kan eraan bijdragen dat basiskennis en -vaardigheden zich bij leerlingen/deelnemers ontwikkelen gedurende hun onderwijsloopbaan. Deze voortdurende aandacht kan er bovendien voor zorgen dat stagnaties in de ontwikkeling of achterstanden tijdig worden onderkend en kunnen worden aangepakt. De doorlopende leerlijnen voor rekenen en taal zullen hun verankering moeten vinden in de kerndoelen PO en VO, in de eindexameneisen VO, in de kwalificatieprofielen en exameneisen MBO, en in de op bekwaamheidseisen voor leraren gebaseerde domeincompetenties voor de opleiding tot leraar basisonderwijs.

In overleg met het onderwijsveld zal ik nagaan op welke wijze de doorlopende leerlijnen voor rekenen en taal ontwikkeld zullen worden. Ik zal het Parlement over de aanpak die mij daarbij voor ogen staat te zijner tijd informeren.

1.3 Monitoring en toezicht

De (diagnostische) toetsen die zullen worden afgenomen in het eerste jaar van de opleidingen tot leraar basisonderwijs en in het laatste jaar VO en MBO leveren informatie op over de aard van de problemen die leerlingen/deelnemers en/of studenten ondervinden met hun reken- en taalvaardigheid. De HBO-raad heeft met Cito afspraken gemaakt over jaarlijkse rapportages over de resultaten op die toetsen bij studenten van de opleiding tot leraar basisonderwijs. Met Cito zullen ook afspraken worden gemaakt over soortgelijke rapportages over de resultaten van leerlingen/deelnemers in VO en BVE.

De Citorapportages kunnen nader richting geven aan de uitvoering van de overeengekomen maatregelen.

Ik zal, in overeenstemming met mijn toezegging aan de Eerste Kamer, de inspectie vragen eenmalig een thematisch onderzoek uit te voeren naar de kwaliteit van het reken-/wiskunde- en het taalonderwijs in PO, VO en BVE. Daarna kan de inspectie jaarlijks in het Onderwijsverslag rapporteren over de stand van zaken.

De ontwikkelingen in de onderbouw VO worden gemonitord door de projectgroep onderbouw VO. Daarover informeer ik de Tweede Kamer jaarlijks. Ook hierbij zullen reken- en taalvaardigheid expliciet aan de orde komen. Verder hecht ik eraan dat opleidingen tot leraar basisonderwijs kunnen meedenken over (de opzet van) activiteiten van de inspectie en de projectgroep onderbouw VO op dit terrein.

1.4 Financiering

OCW stelt voor de periode 2006/2007–2008/2009 € 3,5 mln ter beschikking voor:

– de ontwikkeling van de diagnostische toetsenbanken door Cito,

– het afnemen van toetsen in het VO/BVE,

– het afnemen van toetsen in het HBO en

– de ontwikkeling van remediërend materiaal.

2 VOORTRAJECT

In de beleidsagenda lerarenopleidingen 2005–2008 heb ik met de HBO-raad afgesproken dat er aan het eind van 2006 maatregelen in uitvoering zullen zijn genomen die zorgen voor de substantiële verbetering van het taal- en rekenvaardigheidsniveau van (aankomend) studenten aan de opleiding tot leraar basisonderwijs. In de beleidsagenda staat dat ik daartoe samen met scholen voor voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en opleidingen tot leraar basisonderwijs reële alternatieven zou identificeren die hieraan kunnen bijdragen. De alternatieven konden volgens de beleidsagenda (bijvoorbeeld) betrekking hebben op

• Herkenbare aandacht in onderbouw VO en/of bovenbouw VO en beroepsonderwijs, bijv. in de vorm van een apart programma voor rekenen en taal dat in overleg met het hbo kan worden ontwikkeld. Scholen zouden dat programma facultatief en buiten het examen kunnen aanbieden,

• Toetsing van de vaardigheden van leerlingen/deelnemers,

• Gericht gebruik van de vrije ruimte in de curricula van scholen voor VO en ROC’s,

• Nadere vooropleidingseisen.

Verder is afgesproken dat elke student die instroomt in de opleiding tot leraar basisonderwijs een diagnostische toets rekenen en taal aflegt, op basis waarvan eventuele deficiënties kunnen worden vastgesteld. Aan het eind van de het eerste jaar wordt er opnieuw getoetst. Wanneer de geconstateerde deficiënties niet zijn weggewerkt ontvangt de student een bindend studieadvies.

In januari van dit jaar is gezamenlijk vastgesteld dat voor het onderdeel rekenen met nog meer urgentie gewerkt moet worden aan de verbetering van het niveau van studenten en aankomend studenten aan de opleiding tot leraar basisonderwijs. De afspraken zijn in mijn eerdergenoemde brief van 23 januari jl. aangescherpt. De aanscherping houdt in dat de aard van de problematiek zou worden geanalyseerd: gaat het om onderhoudsproblemen (kennis die is weggezakt) of gaat het om een fundamenteler probleem (ontbrekende kennis). Vervolgens zou worden nagegaan wat passende maatregelen zijn. Bij de analyse zouden – volgens die brief – alle mogelijke opties betrokken moeten zijn, d.w.z. de opties genoemd in de beleidsagenda die hiervoor zijn opgesomd en twee opties die specifiek door de HBO-raad zijn aangedragen t.w.

• de ontwikkeling van een nieuw vak rekenen in de 2e fase. Dit vak zou dan kunnen worden aangeboden in het vrije deel. Het afleggen van examen in dit vak zou dan een noodzakelijke toelatingsvoorwaarde zijn voor de opleiding tot leraar basisonderwijs;

• instroomselectie bij aanvang van de opleiding tot leraar basisonderwijs naar analogie van het kunstvakonderwijs. Havo-abituriënten met het profiel cultuur & maatschappij zouden dan geen ongeclausuleerd toelatingsrecht hebben tot de lerarenopleiding. Zij zouden eerst een toelatingsonderzoek moeten ondergaan onder verantwoordelijkheid van de examencommissie van de opleiding tot leraar basisonderwijs.

Voorts is afgesproken dat specifiek voor de instroom 2007 een tijdelijke voorziening wordt gecreëerd. Deze houdt in dat tijdig bij leerlingen/deelnemers (VO en MBO) die zich (willen) inschrijven aan de opleiding tot leraar basisonderwijs een diagnostische toets wordt afgenomen. Daarvoor wordt een gestandaardiseerd toetsingsinstrumentarium gehanteerd. Vanaf het tijdstip van (voor)aanmelding tot het moment van daadwerkelijk intrede op de opleiding kunnen de leerlingen/deelnemers hun eventuele tekorten wegwerken, bijvoorbeeld via een remediërend programma in de vrije ruimte van het VO of MBO. OCW, HBO-raad, VO- en BVE-veld overleggen over de wijze waarop dat het beste kan worden ingevuld. Voor deze groep heeft dat geen gevolgen voor hun instroomrecht. Bij hun intrede in de opleidingen tot leraar basisonderwijs worden de studenten opnieuw getoetst. Na het eerste jaar vindt weer een toets plaats, nu – zo nodig – gevolgd door een negatief advies over voortzetting van de opleiding.

Afhankelijk van besluitvorming over het traject tot 1 juni 2006 zal een definitieve oplossing worden gerealiseerd.

3 ONDERZOEK

Voor de analyse van de problematiek en inventarisatie van mogelijke maatregelen is een onderzoek uitgevoerd door het SCO Kohnstamminstituut van de Universiteit van Amsterdam en het RISBO van de Erasmus Universiteit Rotterdam1. Deze instituten kregen de opdracht een onderzoek uit te voeren bestaand uit een literatuuranalyse, bestudering van voorbeelden van samenwerking tussen opleidingen tot leraar basisonderwijs en instellingen voor VO en BVE en raadpleging van een aantal deskundigen. Een klankbordgroep van deskundigen heeft gereageerd op conceptteksten in het bijzonder over de suggesties voor maatregelen. Het onderzoek was beperkt van opzet; een uitvoeriger onderzoek zou niet tijdig voor het begin van het nieuwe schooljaar tot conclusies kunnen leiden. Het onderzoek gaat op mijn verzoek, vanwege de afspraken op dit punt in de beleidsagenda lerarenopleidingen 2005–2008 en het feit dat ook de taalvaardigheid van leerlingen/deelnemers en studenten geregeld ter discussie staat, niet alleen over reken- maar ook over taalvaardigheid (de afspraken in de brief van 23 januari jl. betroffen alleen rekenvaardigheid).

Uitkomsten onderzoek

Op basis van het onderzoek kunnen geen representatieve uitspraken worden gedaan over de aard van de problemen op het terrein van reken- en taalvaardigheid. Wel kan op basis van het onderzoek het volgende worden geconstateerd:

– De urgentie van de problematiek wordt door alle geraadpleegde deskundigen onderschreven.

– De problemen van mbo-ers zijn groter dan die van leerlingen uit het havo. Voor mbo-ers lijkt er sprake te zijn van ontbrekende kennis, voor havisten is er eerder sprake van een onderhoudsprobleem.

– De gesignaleerde problemen zijn voor steeds meer ROC’s en opleidingen tot leraar basisonderwijs aanleiding om in onderlinge samenwerking remediërende activiteiten op te zetten.

– De deskundigen pleiten ervoor de problematiek van basisvaardigheden breder te benaderen: het gaat om gecijferdheid en geletterdheid van leerlingen/deelnemers en studenten.

– Over de definitie van gecijferdheid en geletterdheid bestaat geen consensus; die zou er wel moeten zijn. Pas dan kunnen afspraken worden gemaakt over het niveau dat vo- en mbo-leerlingen/deelnemers aan het eind van hun vooropleiding moeten hebben bereikt.

– De problemen op het terrein van taal- en rekenvaardigheid beperken zich niet tot de (aankomend) studenten in de opleidingen tot leraar basisonderwijs. De problematiek is breder en verdient een aanpak die aangrijpt op doorlopende leerlijnen PO-VO-MBO-H(B)O.

De uitkomsten van de raadpleging van de deskundigen in dit onderzoek, geven mij aanleiding alsnog een uitvoeriger onderzoek te laten uitvoeren naar de aard van de problemen (achterstand of onderhoud). Dit onderzoek zal zo moeten worden opgezet en uitgevoerd dat wetenschappelijk verantwoorde conclusies zullen kunnen worden getrokken. Bovendien zal het moeten aansluiten bij de bevindingen die Cito in kaart brengt bij de uitvoering van de (diagnostische) toetsen aan opleidingen tot leraar basisonderwijs, scholen voor voortgezet onderwijs en ROC’s.

Te zijner tijd zal ik op basis van toezicht en monitoring en het hierboven genoemde onderzoek bezien of verdere maatregelen nodig zijn.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

M. J. A. van der Hoeven


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.