Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 april 2018
Met deze brief wil ik u informeren over de laatste ontwikkelingen rond de implementatie
van de Wet beroep leraar, en de uitvoering van de motie Van Meenen en Rog met betrekking
tot de Onderwijscoöperatie (hierna: OC).1
Op 26 maart 2018 heeft het bestuur van de OC mij geïnformeerd over zijn besluit de
activiteiten inzake de implementatie van de Wet beroep leraar te beëindigen. De OC
speelde, als vertegenwoordiger van de beroepsgroep leraren, een belangrijke rol in
de implementatie van de wet. De OC heeft nu aangegeven deze rol niet langer te kunnen
vervullen. Dit betekent dat het Lerarenparlement (voorheen: Afvaardiging van de Deelnemersvergadering)
zelfstandig aan de slag zal gaan met de implementatie van de Wet beroep leraar. Ik
ben met het Lerarenparlement in gesprek over de ondersteuning die daarvoor nodig is,
en de wijze waarop we die op korte termijn adequaat kunnen organiseren. Het Lerarenparlement
is voorts aan de slag met de operationalisering van zijn opdracht, en zal mij half
juni informeren over plan van aanpak en tijdpad.
Daarnaast heb ik het OC-bestuur bij brief laten weten dat het besluit om de activiteiten
rond de implementatie van de Wet beroep leraar te beëindigen, gevolgen heeft voor
de OC-organisatie. Alle projecten en activiteiten die samenhangen met de Wet beroep
leraar, dienen zo snel mogelijk beëindigd te worden. Tegelijk is het belangrijk dat
we de opgebouwde kennis en expertise rond de wet en een register kunnen behouden voor
het Lerarenparlement. Dat vergt een zorgvuldig transitieproces. Ik wil daarom ook
de AuditDienst Rijk (ADR) vragen om de financiële situatie in kaart te brengen en
mogelijke scenario’s te bezien, onder andere voor de lopende projectsubsidies en voor
de instellingssubsidie 2018 en verder. Dit is voor mij des te meer van belang, omdat
inzicht in de kosten van het bureau vragen bij mij heeft opgeroepen over de kosten
van het personeel. Ik verwacht dat dit voor het zomerreces kan plaatsvinden.
In deze brief heb ik het OC-bestuur ten slotte gevraagd om een inhoudelijke reactie
op de motie van de leden Van Meenen en Rog van de Tweede Kamer, en het bestuur verzocht
mij uiterlijk 14 mei 2018 daarover te informeren. De brief aan het OC-bestuur heb
ik bijgevoegd bij deze brief2.
Tot slot ben ik de afgelopen weken in overleg geweest met de sectorraden, onder andere
over de mate waarin en manier waarop zij betrokken zijn bij de implementatie van de
Wet beroep leraar. Het doel van deze wet is de versterking van de positie van de leraar,
en de verbetering van de kwaliteit van het beroep. Deze wet neemt de beroepsgroep
en de leraar daarbij als uitgangspunt, maar plaatst deze altijd in de context van
de school. Alleen als daar de professionele dialoog ontstaat tussen leraren enerzijds,
en hun schoolleiding en werkgevers anderzijds, kan de wet zijn beoogde effect hebben.
Ik vind het daarom belangrijk dat ook schoolleiders en bestuurders een substantiële
positie hebben bij de implementatie van deze wet.
Ik zal u in juni nader informeren over bovengenoemde ontwikkelingen, en de geboekte
voortgang daarin.
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,
A. Slob