Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 december 2016
Naar aanleiding van de motie van het lid Schouten c.s. die is ingediend in het VAO
arbeidsmarktbeleid van 15 november jl.1 heb ik de heer Jacques Tichelaar bereid gevonden om met partijen in het primair onderwijs
in gesprek te gaan over de wijze waarop het vervangingsbeleid uit de cao primair onderwijs
kan worden toegepast en te wijzen op de mogelijkheden tot maatwerk die de wet biedt.
Op 15 december jl. heb ik de rapportage van de heer Tichelaar ontvangen en ik bied
deze hierbij aan uw Kamer aan2.
Zoals de heer Tichelaar in zijn rapportage ook heeft benadrukt zijn partijen in het
primair onderwijs zich terdege bewust van de actuele problematiek die op verschillende
onderwerpen in de sector speelt.
Voor wat betreft het vervangingsbeleid hebben partijen nu afgesproken om in gezamenlijkheid
te willen komen tot een betere voorlichting en naleving van de bij cao reeds gemaakte
afspraken. Daarnaast hebben partijen aangegeven om als eerste stap naar een meer structurele
oplossing de Minister te willen verzoeken het mogelijk te maken om te komen tot een
uitzondering op de ketenbepaling. Een mogelijkheid waar de Wwz overigens al vanaf
de inwerkingtreding van deze wet in voorziet.
Gelijktijdig met de rapportage van de heer Tichelaar heb ik van partijen bij de cao
primair onderwijs dan ook het verzoek ontvangen om een uitzondering op grond van artikel
7:668a, lid 8, van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor de functie van onderwijsgevend
personeel of onderwijsondersteunend personeel met lesgebonden en/of behandeltaken,
indien deze functie wordt verricht op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur
van ten hoogste 14 kalenderdagen in verband met vervanging van onvoorzien ziekteverzuim
en die is ingegaan in de periode van januari tot en met maart van enig kalenderjaar.
Partijen hebben toegelicht dat gedurende januari, februari en maart binnen het primair
onderwijs meer ziektevervanging nodig is dan gemiddeld. Het is bestendig gebruik om
deze extra hoeveelheid vervangingen wegens het bovengemiddeld onvoorzien ziekteverzuim,
uitsluitend te verrichten op grond van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. In
de cao Primair Onderwijs was hiervoor ook altijd een uitzondering op de ketenbepaling
opgenomen.
Daarnaast hebben partijen toegelicht waarom het vanwege de intrinsieke aard van de
bedrijfsvoering en van de hiervoor genoemde functie noodzakelijk is om deze functie
alleen op een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd uit te voeren.
Het primair onderwijs wordt gekenmerkt door de bijzondere situatie dat in geval van
ziekte van een leerkracht altijd een vervanger moet worden ingezet. Het primair onderwijs
is daarmee de enige onderwijssector waar ziekte van een leerkracht niet mag leiden
tot lesuitval. Voor de bedrijfsvoering in het primair onderwijs is het derhalve noodzakelijk
dat een schoolbestuur in geval van ziekte van een leerkracht op tijdelijke basis over
een vervanger kan beschikken.
In de CAO Primair Onderwijs 2016–2017 zijn daartoe afspraken gemaakt dat elk bestuur
in het bijzonder onderwijs met de personeelsgeleding van de MR afspraken moet maken
over het vervangingsbeleid. In dit vervangingsbeleid dient te worden omschreven op
welke manier de vervanging wordt georganiseerd en met welke type contracten. Het uitgangspunt
daarbij is: de historische vervangingsbehoefte. Met de verschillende in de cao opgenomen
contractvormen kunnen schoolbesturen de noodzakelijke vervanging ook grotendeels opvangen.
Echter wanneer zich een periode van een hoger dan gemiddeld ziekteverzuim voordoet
– zoals bijvoorbeeld ten tijde van een griepgolf – lijken de in de cao geregelde contractvormen
voor vervanging onvoldoende adequaat. Daar moet dan ook extra personeel voor worden
aangetrokken dat telkens voor korte duur kan worden ingezet. Gelet op de tijdelijke
aard van werkzaamheden die moeten worden verricht, ligt het niet in de rede dat na
een aantal tijdelijke contracten een vast contract zal ontstaan, in welke vorm dan
ook. Vast staat immers dat de betreffende werkzaamheden zullen komen te vervallen.
Het is voor een verantwoorde bedrijfsvoering dan ook noodzakelijk om deze werkzaamheden
alleen op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd uit te kunnen voeren.
Nu aan beide voorwaarden genoemd in artikel 7:668a, lid 8, van het BW wordt voldaan,
zal ik aan het verzoek gevolg geven.
Ten slotte merk ik op dat hieruit blijkt dat ook voor deze partijen de ketenbepaling
in de Wwz mogelijkheden tot afwijking kent als dat noodzakelijk is voor het oplossen
van een reëel probleem. Over de wijze waarop een oplossing moet worden gerealiseerd,
moet uiteraard wel overeenstemming bestaan tussen betrokken partijen. Partijen in
de sector zijn ook het beste in staat om te beoordelen of een verruiming van – of
een uitzondering op – de ketenbepaling noodzakelijk is. Het verheugt mij dat partijen
in het onderwijs uiteindelijk gezamenlijk tot het inzicht zijn gekomen dat dit hier
het geval is.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L.F. Asscher