Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201327923 nr. 170

27 923 Werken in het onderwijs

Nr. 170 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 juni 2013

U heeft om een reactie gevraagd op de door u ontvangen brief van het Platform Vakinhoudelijke Verenigingen Voortgezet Onderwijs (Platform VVVO) inzake het Algemeen Overleg Leraren en lerarenopleidingen d.d. 27 maart 2013.

Het Platform VVVO brengt drie onderwerpen onder de aandacht waarop ik hieronder puntsgewijs reageer. Het gaat om de evaluatie van de zij-instroom, het onderzoek naar bevoegdheden van docenten in het mbo en de evaluatie van de educatieve minor.

Ad 1. De evaluatie van de zij-instroom.

De Inspectie van het Onderwijs heeft in haar evaluatieonderzoek naar zij-instroom van juli 2012 geconstateerd «dat er een aanzienlijke variatie bestaat in de omvang, inhoud en kwaliteit van de zij- instroomtrajecten in het mbo met als gevolg dat ook het niveau van de zij-instromers met een pedagogisch didactisch getuigschrift aanzienlijk wisselt». Ook zijn er geen kwaliteitswaarborgen voor de door de mbo-instellingen afgegeven geschiktheidsverklaring.

Dat was voor mij aanleiding om, mede gelet op een eerder Onderwijsraadadvies, het initiatief te nemen om de kwaliteit van de zij-instroomtrajecten te verhogen. In mijn brief van 18 december 2012 aan uw Kamer heb ik de volgende maatregelen aangekondigd:

  • 1. De gezamenlijke mbo-instellingen leveren op mijn verzoek uiterlijk in juni 2013 een kwaliteitskader voor zij-instroom van leraren mbo. Het kwaliteitskader zal afspraken bevatten over het geschiktheidsonderzoek bij aanstelling van de zij-instromer, over de begeleiding op de werkplek en de samenwerking met de lerarenopleiding. Op deze wijze wordt op objectieve wijze vastgesteld of de zij-instromer over het vereiste hbo-niveau beschikt, over voldoende relevante vakinhoudelijke kennis beschikt en geschikt geacht wordt voor het beroep van leraar. Dit kader dient betrokken te worden bij het toezicht op het leraarschap door de Inspectie van het Onderwijs.

  • 2. De hogescholen stellen landelijke uitgangspunten vast voor de pedagogisch-didactische scholing van zij-instromers. De zij-instromer sluit zijn traject af met een proeve van bekwaamheid voordat het pedagogisch didactische scholing WEB Getuigschrift wordt verleend.

De benodigde scholing van de zij-instromer op vakdidactisch gebied is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de aanbieder van dat traject door of onder verantwoordelijkheid van de lerarenopleiding en de begeleider vanuit de mbo-instelling.

Ad 2. Het onderzoek naar bevoegdheden van docenten in het mbo.

Net als in andere sectoren geldt in het mbo dat een docent moet voldoen aan de gestelde bekwaamheidseisen om te kunnen worden benoemd als docent in een bepaald vak of onderwijsonderdeel. Dit gaat om zowel algemene pedagogische en didactische bekwaamheidseisen als om vakinhoudelijke en vakdidactische bekwaamheidseisen.

De bekwaamheid van leraren in het mbo kan blijken uit een getuigschrift van een lerarenopleiding, maar in veel gevallen is in het mbo ook vakkennis vereist die niet via een lerarenopleiding wordt verworven, maar in de praktijk wordt opgedaan. Leraren met deze vakkennis komen over het algemeen als zij-instromer binnen. Omdat in die gevallen niet op het getuigschrift kan worden afgegaan om de vakinhoudelijke bekwaamheid te bepalen, is hierbij een grote rol weggelegd voor het bevoegd gezag.

Het bevoegd gezag moet, daar waar de vakinhoudelijke bekwaamheid van zij-instromers niet direct blijkt uit het getuigschrift van de docent, beoordelen of aan de vakinhoudelijke en vakdidactische bekwaamheidseisen (op hbo-niveau) wordt voldaan. Daarnaast moet het bevoegd gezag als de docent eenmaal is benoemd zorgdragen voor het bijhouden van een bekwaamheidsdossier waarin staat hoe de docent zijn bekwaamheid onderhoudt opdat de bekwaamheid van de docent overeen blijft stemmen met het onderwijs dat hij geeft.

Deze expliciete taken voor het bevoegd gezag stellen specifieke eisen aan de bekwaamheid van schoolbestuurders en schoolleiders. De Inspectie van het Onderwijs constateert dat er nog onvoldoende zicht is op de kwaliteit van de schoolleiding. De conclusies van de Inspectie van het Onderwijs in haar rapport over bevoegdheden in het mbo geven bovendien aanleiding om nader onderzoek te verrichten naar de wijze waarop het bevoegd gezag invulling geeft aan de verantwoordelijkheid om de vakinhoudelijke bekwaamheid te bewaken. Ik heb met de Inspectie van het Onderwijs afgesproken dat zij in 2013 nader onderzoek doet naar de kwaliteit van de schoolleiding in de aansturing van het professioneel handelen van de docent. Via het bestuursakkoord met de mbo-sector worden extra middelen vrijgemaakt voor de professionalisering van bestuurders in het mbo.

Ad 3. De evaluatie van de educatieve minor.

Het pleidooi van het Platform VVVO om de educatieve minor niet te zien als eindstation, maar als tussenstap naar de eerstegraads bevoegdheid krijgt in het algemeen mijn steun. Juist door universitaire studenten al tijdens hun bachelor opleiding aan te spreken voor het leraarschap, verwachten we dat meer universitaire studenten zich uiteindelijk zullen scholen tot eerstegraads leraar.

De evaluatie wijst ook in die richting, al kan nu nog geen harde uitspraak hierover worden gedaan.

Om studenten te stimuleren een eerstegraads lerarenopleiding te volgen, hebben – meer nog dan de overheid – universiteiten en scholen een verantwoordelijkheid om deze zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Daarnaast pleit het Platform VVVO voor heroverweging van het aantal vakken waarvoor de educatieve minor kan opleiden. Dit is in eerste instantie een zaak van de universiteiten. In brede zin zijn wel meer eerstegraads leraren nodig, ook in informatica, maatschappijleer en filosofie. Als de educatieve minor hieraan bijdraagt, is het wenselijk om deze route in stand te houden.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker