Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 oktober 2011
Dank voor het toesturen van het plan «Een betere leraar voor hetzelfde geld» van de SP-fractie bij brief van 8 september 2011.
Het is goed dat de fractie zich bezighoudt met deze thematiek. De vier voorstellen uit het plan zijn thema’s die ik belangrijk
vind en daarom alle aandacht krijgen. In deze brief ga ik nader in op de vier punten die genoemd worden in de notitie.
1. Elke leraar binnen twee jaar bevoegd
Ik deel de zorgen van de SP over het feit dat onbevoegde leraren soms langdurig voor de klas kunnen staan. Dit wil ik veranderen
via een wetswijziging. Die garandeert voldoende flexibiliteit voor de echte noodsituaties, maar maakt een einde aan het jaar
na jaar verlengen van de benoemingen van onbevoegde docenten. Binnenkort kan een onbevoegde docent maximaal een jaar worden
ingezet of benoemd. Wanneer na dat jaar verlenging nodig of gewenst is, dan moet de docent binnen twee jaar de bevoegdheid
halen. Na het verstrijken van deze termijn kan de docent alleen opnieuw benoemd worden indien hij de bevoegdheid heeft gehaald.
In bijzondere gevallen kan die termijn voor het behalen van de bevoegdheid worden verlengd met maximaal twee jaar, net als
bij de termijnen voor zij-instroom. De streefdatum voor inwerkingtreding van de wetswijziging is 2012. De Inspectie van het
Onderwijs zal bovendien scherper gaan toezien op bevoegdheden van leraren en het onderhouden van de bekwaamheid van leraren.1
2. Geld voor lerarensalarissen wordt apart uitgekeerd
Er is weloverwogen gekozen voor lumpsumfinanciering. Dit geeft scholen ruimte om hun beleid op de eigen, specifieke situatie
af te stemmen. Beleidsruimte voor scholen is van groot belang voor goede onderwijsprestaties, zo blijkt uit internationale
vergelijkend onderzoek.2 De evaluatie van de lump sum in het primair onderwijs geeft geen aanleiding hierop terug te komen.3 Er is ook geen indicatie dat scholen bezuinigen op lerarensalarissen om bijvoorbeeld leermiddelen te kunnen betalen.4 Het risico dat scholen geld voor lerarensalarissen besteden aan andere zaken lijkt daarmee op grond van de praktijk onwaarschijnlijk.
Zoals ik in een eerdere brief aan de Tweede kamer meldde, onderneem ik acties om scholen beter in staat te stellen een integrale
afweging te maken tussen middelen en onderwijsdoelen.5
3. Drastisch verminderen van bestuurssalarissen en kosten voor bureaucratie
Momenteel ligt het wetsvoorstel «Wet Normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector» ter behandeling
bij de Tweede Kamer. Daarnaast wordt in de onderwijssectoren een lager maximum toegepast dan de wettelijke norm; op basis
van de zwaarte van de diverse bestuursfuncties zijn bezoldigingsmaxima per sector berekend. In juni 2011 heeft de Tweede Kamer
hierover ook een brief ontvangen.6 Ten aanzien van interim-bestuurders verwijzen wij graag naar eerdere beantwoording van Kamervragen.7
Naast regelgeving ten aanzien van beloningen krijgt vereenvoudiging en vermindering van subsidies aandacht. Vereenvoudiging
van bekostiging draagt bij aan vermindering van administratieve lasten en te maken kosten hiervoor. Het vergroot bovendien
de transparantie van bekostigingsstromen. In de recent verzonden Prinsjesdagbrief is uitgebreid toegelicht hoe wordt gewerkt
aan een eenvoudiger en transparanter bekostigingssysteem voor scholen. Alleen in uitzonderingsgevallen zal een specifieke
subsidie het aangewezen instrument zijn.8
4. Fors minder subsidie naar adviesclubs en lobby
Zoals u kunt lezen in het regeerakkoord is een efficiencykorting aangekondigd van € 20 miljoen op de raden en instituten.9 Daarnaast geldt voor de sectorraden dat dit verenigingen zijn waar onderwijsinstellingen zich vrijwillig bij kunnen aansluiten.
Bovendien vervullen deze raden een nuttige functie, onder meer als gesprekspartners en als belangenbehartigers.
Voldoende en bovenal goed opgeleide en deskundige leraren zijn onontbeerlijk. Om dit te realiseren zijn diverse maatregelen
in gang gezet, die tezamen blijvend mijn aandacht hebben.10
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
H. Zijlstra