nr. 4
VERSLAG
Vastgesteld 11 oktober 2001
De vaste commissie voor Financiën1, belast
met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand voorstel van Rijkswet, heeft
de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag
afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling
van het voorstel van Rijkswet voldoende voorbereid.
Voorstel van Rijkswet Artikel I, artikel 11, derde lid,
derde volzin, onderdeel a
Het is van belang voor de inhoudingsplichtige en voor de mogelijkheid
tot naheffing dat er meer duidelijkheid komt over wat het begrip «formeel
of in feite» precies probeert af te dekken. De leden van de VVD-fractie
vragen of de regering hiervan voorbeelden kan noemen. Is de wijze van financiering
van de Antilliaanse aandeelhouder hierbij van belang? Gaan daarbij dan allocatieregels
gelden, zoals in Nederland op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969?
Memorie van toelichting
Algemeen
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het wetsvoorstel. Zij juichen de door de Nederlandse Antillen verrichte inspanning
om hun fiscale regime internationaal aanvaardbaar te maken van harte toe.
Ook hebben deze leden begrip voor de Nederlandse regering die deze ontwikkeling
wenst te ondersteunen. Hiertoe heeft de Nederlandse regering er echter voor
gekozen om de ingehouden belasting die onder de huidige regeling inzake deelnemersdividenden
de Nederlandse schatkist ten goede komt, in zijn geheel over te maken naar
de Nederlandse Antillen. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of deze
methodiek niet onnodig gekunsteld is. Voorgestelde maatregel moet gezien worden
als een aanmoediging voor de Nederlandse Antillen om de ingeslagen weg daadkrachtig
te vervolgen. Uit de memorie van toelichting wordt niet duidelijk in welk
opzicht de voorgestelde maatregel deze aanmoediging effectueert.
Kan daar nader op worden ingegaan? De dividendbelasting wordt geheven in Nederland
en dat zal met de voorgestelde maatregel niet veranderen. Als het gaat om
een financiële beloning voor de totstandkoming van het Nieuw Fiscaal
Raamwerk, zou het dan niet beter zijn om de Nederlandse Antillen rechtstreeks
tegemoet te komen in de financiële sfeer? Per saldo komt de onderhavige
maatregel daar toch op neer.
In het verlengde hiervan zijn de leden van de CDA-fractie zeer benieuwd
hoe het bedrag van f 34 miljoen wordt ingeboekt. Aan de inkomstenkant,
dus als een belastingderving? Feitelijk is van een belastingderving echter
geen sprake. Nederland heft namelijk wel degelijk belasting, maar hevelt de
ingehouden en afgedragen gelden vervolgens over naar de Nederlandse Antillen.
Wordt het bedrag dan ingeboekt als een uitgave? Dan rijst weer de vraag of
de onderhavige wijziging (namelijk een wijziging van de BRK) wel als een belastingmaatregel
geformuleerd kan worden. Graag een reactie.
Artikelsgewijze toelichting
De leden van de VVD-fractie menen dat voor de praktische uitvoerbaarheid
het antwoord op een aantal vragen van belang is. In de memorie van toelichting
staat vermeld dat hierover nog overleg plaatsvindt. Deze leden vragen zich
af of de regering wellicht nu reeds kan aangeven hoe het dividenduitkerende
lichaam op het inhoudingstijdstip praktisch gesproken moet controleren of
aan de voorwaarde van artikel 11, derde lid, derde volzin, onderdeel a, is
voldaan. Het betreft hier immers toekomstige belastingheffing van een andere
partij.
In de memorie van toelichting staat dat later bijvoorbeeld met behulp
van de definitieve aanslag aangetoond zal moeten worden dat de heffing op
de Nederlandse Antillen tot de juiste hoogte heeft plaatsgevonden. Wie zal
dit moeten aantonen, zo vragen de leden van de VVD-fractie, de Antilliaanse
ontvangende partij of de Nederlandse inhoudingsplichtige? Hoe kan de Nederlandse
inhoudingsplichtige de beschikking krijgen over de aanslag van de Antilliaanse
partij? Is het niet beter indien deze vraag wordt gesteld en ook een eventuele
naheffingsaanslag wordt opgelegd aan de Antilliaanse aandeelhouder, dat de
Nederlandse inhoudingsplichtige bij inhouding heeft mogen vertrouwen op het
voldaan zijn aan de voorwaarde van artikel 11, derde lid, derde volzin, onderdeel
a ?
Voor het jaar 2001 worden met behulp van een interimmaatregel de ingehouden
en afgedragen belastinggelden met terugwerkende kracht alsnog aan de Nederlandse
Antillen toegekend. De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarom opeens
zo een haast geboden is en niet volstaan kan worden met de invoering per 1
januari 2002.
Tot slot
De leden van de CDA-fractie hebben nog de volgende vraag. In artikel 4,
derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 – zoals die komt
te luiden wanneer het wetsvoorstel met betrekking tot dividendstripping (kamerstuk
27 896) wordt aanvaard – is de Belastingregeling voor het Koninkrijk
1964 niet genoemd, terwijl de verdragen ter voorkoming van dubbele belasting
daarin wel staan vermeld. Kunnen Nederlandse aandelen gehouden door Antilliaanse
vennootschappen naar de letter van dit wetsvoorstel dan nog wel gestript worden
van dividendbelasting?
Tenslotte nog een meer algemene opmerking. De leden van de CDA-fractie
beamen dat de normen die in internationaal opzicht gesteld worden
aan de nationale belastingwetgevingen niet altijd scherp omlijnd zijn. Toch
moeten de nationale belastingregimes – om tegemoet te komen aan de internationale
eisen – nauwkeurig worden afgebakend. De leden van de CDA-fractie benadrukken
het belang van een scherpere omlijning van de internationale normen. Welke
rol speelt de regering bij deze ontwikkeling?
De voorzitter van de commissie,
Van Gijzel
De griffier van de commissie,
Berck
XNoot
1Samenstelling Leden: Witteveen-Hevinga (PvdA), Rosenmöller (GroenLinks),
Van Gijzel (PvdA), voorzitter, Voûte-Droste (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA),
Giskes (D66), Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (ChristenUnie),
Bakker (D66), De Vries (VVD), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), ondervoorzitter,
Stroeken (CDA), Van Beek (VVD), Balkenende (CDA), Vendrik (GroenLinks), Remak
(VVD), Wijn (CDA), Kuijper (PvdA), Dijsselbloem (PvdA), Bolhuis (PvdA), Slob
(ChristenUnie), C. Cörüz (CDA).
Plv. leden: Koenders (PvdA), Harrewijn (GroenLinks), Duijkers (PvdA),
Balemans (VVD), Van Oven (PvdA), Schimmel (D66), Klein Molekamp (VVD), De
Wit (SP), Vacature (PvdA), Hoekema (D66), Van Walsem (D66), Wilders (VVD),
Blok (VVD), Dankers (CDA), Hillen (CDA), Weekers (VVD), De Pater-van der Meer
(CDA), Rabbae (GroenLinks), Hessing (VVD), Van den Akker (CDA), Timmermans
(PvdA), Hindriks (PvdA), Smits (PvdA), Van der Vlies (SGP), J. Ten Hoopen
(CDA).