Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127907 nr. 1;394

27 907
Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Koeweit tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, met Protocol; 's-Gravenhage, 29 mei 2001

nr. 394
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 september 2001

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 6 september 2001. De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 6 oktober 2001.Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 29 mei 2001 te 's-Gravenhage totstandgekomen Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Koeweit tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen, met Protocol (Trb. 2001, 126).1

Een toelichtende nota bij dit Verdrag treft U eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen

TOELICHTENDE NOTA

1. Inleiding

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State).Het onderhavige Verdrag geeft regels die aanwijzen welke van de verdragsluitende staten, het Koninkrijk der Nederlanden voor wat betreft Nederland dan wel Koeweit, bevoegd is om in overeenstemming met zijn nationale wetgeving belasting te heffen van het inkomen van inwoners van een of van beide staten; dit teneinde dubbele belasting te voorkomen. Daarnaast regelt het Verdrag, onder meer met het oog op het voorkomen van het ontgaan van belasting, de onderlinge uitwisseling van fiscale gegevens.

Het Verdrag past in het netwerk van vergelijkbare belastingverdragen die het Koninkrijk der Nederlanden met vele landen ter wereld is aangegaan. Koeweit heeft inmiddels algemene bilaterale belastingverdragen gesloten met een aantal andere Europese landen, waarvan de verdragen met Duitsland, Frankrijk, Italië, Polen en Roemenië reeds in werking zijn getreden. Daarnaast zijn door Koeweit belastingverdragen gesloten met België, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland, die echter nog niet in werking zijn getreden.

2. Verloop van de onderhandelingen

Sinds de jaren 80 heeft Koeweit bij verschillende gelegenheden een verzoek aan Nederland gericht om onderhandelingen te starten over een bilateraal belastingverdrag, mede met het oog op de ontwikkeling van de economische relatie tussen Nederland en Koeweit en het bevorderen van wederzijdse investeringen.

Van Nederlandse zijde zijn deze verzoeken gedurende lange tijd aangehouden in verband met de geringe belangen van het Nederlandse bedrijfsleven en andere prioriteiten. In de eerste helft van de jaren 90 is positief gereageerd op een hernieuwd verzoek van Koeweit om onderhandelingen over een belastingverdrag aan te vangen. De interesse in verdragsonderhandelingen met Koeweit kort na de Golfoorlog is mede ingegeven door het feit dat een nieuw verdrag meer zekerheid kan bieden aan Nederlandse ondernemers.

Als basis voor de onderhandelingen diende een van Nederlandse zijde opgesteld ontwerp dat nagenoeg overeenkomt met het Nederlandse standaardverdrag, zoals dat op 3 december 1987 werd gepubliceerd als bijlage bij de notitie «Algemeen fiscaal verdragsbeleid» (kamerstukken II 1987/88, 20 365, nrs 1 en 2), met dien verstande dat de tekst op enige punten in overeenstemming is gebracht met de tekst van het OESO-modelverdrag 1992 (zoals nadien regelmatig is aangepast) en dat daaraan zijn toegevoegd de in het Nederlandse verdragsbeleid ontwikkelde bepalingen, die zijn toegelicht in de notitie «Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht» (kamerstukken II 1997/98, 25 087, nr. 4).

De inzet van de onderhandelingen was te komen tot een verdrag dat zoveel mogelijk in overeenstemming zou zijn met het in voormelde notitie neergelegde beleid.

De besprekingen zijn aangekondigd in het persbericht van het Ministerie van Financiën van 9 juni 1995, nr. 95/106a. Naar aanleiding van dit persbericht zijn geen reacties van de zijde van het bedrijfsleven ontvangen.

Medio juni 1995 is een aanvang gemaakt met besprekingen met Koeweit. De eerste gespreksronde was in elk geval van de zijde van Nederland voornamelijk verkennend van aard. Tijdens die eerste gespreksronde kwam naar voren dat op een aantal punten aanzienlijke verschillen in uitgangspunten tussen Nederland en Koeweit bestonden. De eerste gespreksronde gaf echter aanleiding om de besprekingen met Koeweit te vervolgen. Van 17 tot en met 20 maart 1996 heeft een tweede ronde van onderhandelingen plaatsgehad. Tijdens deze onderhandelingsronde is over vrijwel alle onderwerpen overeenstemming bereikt. Nog geen overeenstemming werd bereikt over de vraag hoe bereikt zou kunnen worden dat alleen natuurlijke personen die daadwerkelijk inwoner van Koeweit zijn, aanspraak kunnen maken op de voordelen van het belastingverdrag. Over dit punt is nadien nog uitgebreid van gedachten gewisseld en eerst tijdens een ontmoeting in september 2000 is hierover overeenstemming bereikt. Tijdens die ontmoeting is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal van de eerder overeengekomen verdragsbepalingen aan te passen aan het huidige Nederlandse verdragsbeleid.

De structuur, de inhoud en de bewoordingen van het Verdrag stemmen in het algemeen overeen met het gebruikelijke patroon van de recente door het Koninkrijk gesloten verdragen op dit terrein. Naar de mening van de eerste ondertekenaar weerspiegelen de in het Verdrag neergelegde regelingen een resultaat dat in het licht van de over en weer naar voren gebrachte wensen als evenwichtig kan worden beschouwd en waarin op bevredigende wijze rekening is gehouden met de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven. De door Nederland naar voren gebrachte wensen konden bij de onderhandelingen in belangrijke mate worden gerealiseerd waaronder kunnen worden genoemd:

• het gebruikelijke winstartikel (artikel 7), inclusief een bepaling voor winsttoerekening ingeval van bedrijfsklare projecten (turnkey-bepaling) die, zonder aan de inhoud te tornen, iets afwijkt van de door Nederland voorgestelde bepaling (Protocolbepaling ad artikel 7);

• de bepaling inzake overeenkomsten tot verdeling van concernkosten (costsharing-bepaling) en corresponderende winstcorrecties (artikel 9);

• een uitsluitende woonstaatheffing voor dividend bij 10%-deelnemingen (artikel 10, tweede lid) en een uitsluitende woonstaatheffing voor interest (artikel 11, eerste lid);

• de opname van anti-misbruikbepalingen teneinde doorstroom van dividenden te voorkomen (protocolbepaling ad artikel 10);

• heffing in de voormalige woonstaat over de winst behaald met de vervreemding van aandelen behorende tot een zogenoemd aanmerkelijk belang met een tienjaarstermijn (artikel 13, vijfde lid);

• een bronstaatheffing over afkoopsommen van pensioenen en lijfrenten en over gefacilieerde periodieke pensioen- en lijfrenteuitkeringen van een zekere omvang die in de woonstaat niet of niet volledig tegen de tarieven voor inkomsten uit arbeid worden belast (artikel 18);

• een saldo-bepaling overeenkomstig het Nederlandse standaardverdrag (artikel 21);

• een regeling betreffende de werkzaamheden buitengaats (artikel 24); en

• de beslechting van geschillen omtrent toepassing en interpretatie van het Verdrag door arbitrage (artikel 26, vijfde lid).

Op enkele punten is van het Nederlandse verdragsbeleid afgeweken teneinde rekening te houden met specifieke wensen van Koeweit. Deze specifieke wensen betreffen in het bijzonder het opnemen van toezichthoudende activiteiten op bouwwerken cum annexis, het verlenen van diensten gedurende een bepaalde periode alsmede het gebruik van aanzienlijke uitrusting gedurende een bepaalde tijd in verband met de opsporing en winning van natuurlijke rijkdommen in het artikel voor vaste inrichtingen, en een in hoogte beperkt heffingsrecht voor de bronstaat ter zake van royalty's alsmede van directeuren- en commissarissenbeloning.

Hieronder zullen in paragraaf 5 de overeengekomen resultaten op hoofdlijnen worden uiteengezet. Daarbij zullen per artikel de belangrijkste afwijkingen van het Nederlandse verdragsbeleid worden aangegeven.

3. Budgettaire gevolgen

Over de omvang van de budgettaire gevolgen valt, gezien de huidige stand van de investeringen, nog geen concrete indicatie te geven. Tot dusver waren de bedragen aan uitgaande dividenden uit Nederland beperkt. Voor het Nederlandse bedrijfsleven zal het Verdrag bij toenemende activiteiten en investeringen in Koeweit positief uitwerken. De grenzen van de heffingsbevoegdheden van beide landen zijn duidelijk vastgelegd en er is een goede basis gelegd voor overleg en geschillenbeslechting in die situaties waarin toepassing van het Verdrag desalniettemin tot problemen zou kunnen leiden.

4. Koninkrijkspositie

Het Verdrag wordt, wat het Koninkrijk betreft, aangegaan voor Nederland. Het Verdrag bevat, in afwijking van het Nederlandse beleid, geen bepaling dat het Verdrag hetzij in het geheel, hetzij gewijzigd, kan worden uitgebreid tot de Nederlandse Antillen en Aruba. Aan Koeweitse zijde bestonden onoverkomelijke bezwaren tegen de opname van een dergelijke bepaling.

5. Artikelsgewijze toelichting

Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is (artikel 2)

In Koeweit geldt een in omvang beperkt belastingstelsel. De Koeweitse vennootschapsbelasting wordt uitsluitend geheven van buiten Koeweit gevestigde vennootschappen en in Koeweit gevestigde vennootschappen die gedeeltelijk in handen zijn van buiten Koeweit woonachtige personen. Deze laatste categorie vennootschappen wordt slechts in de belastingheffing betrokken voorzover de aandelen in handen van buiten Koeweit gevestigde personen zijn. Het tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt maximaal 55 percent. Naast de vennootschapsbelasting bestaat in Koeweit de «KFAS»-heffing (Kuwait Foundation for the Advancement of Sciences): een heffing van ten minste 5 percent van de netto-winst van alle Koeweitse vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal.

Naast de hiervoor genoemde heffingen bestaat in Koeweit de «Zakat». Deze heffing wordt geheven van in Koeweit wonende natuurlijke personen die moslim zijn en van lichamen die in handen van Koeweiti zijn. Alhoewel de «Zakat» naast elementen van een belasting naar het inkomen ook kenmerken vertoont van een vermogensbelasting, is van de zijde van Nederland ingestemd met de Koeweitse wens om deze onder de reikwijdte van het Verdrag te brengen. In dit verband kan er op worden gewezen dat de «Zakat» ook onder andere door Koeweit gesloten belastingverdragen die uitsluitend betrekking hebben op belastingen naar het inkomen, onder de reikwijdte van die verdragen is gebracht.

Het Koeweitse belastingstelsel voorziet thans nog niet in een inkomstenbelasting van natuurlijke personen. Tijdens de onderhandelingen kwam naar voren dat een inkomstenbelasting van natuurlijke personen wel in voorbereiding is. In verband daarmee is een protocolbepaling bij artikel 2 opgenomen teneinde buiten twijfel te stellen dat wanneer Koeweit een inkomstenbelasting van natuurlijke personen invoert, deze onder de reikwijdte van het Verdrag valt.

Algemene begripsbepalingen (artikel 3)

Op verzoek van Koeweit is aan het eerste lid een onderdeel j toegevoegd waarin wordt aangegeven wat met de uitdrukking «belasting» wordt bedoeld. Soortgelijke bepalingen zijn opgenomen in de Nederlandse belastingverdragen met Brazilië (Trb. 1990, 67), Ierland (Trb. 1969, 37), Japan (Trb. 1970, 67), Korea (Trb. 1979, 13), Portugal (Trb. 1999, 180), Singapore (Trb. 1971, 95) en het Verenigd Koninkrijk (Trb. 1980, 205).

Inwoner (artikel 4)

Tijdens de onderhandelingen is langdurig gesproken over de formulering van artikel 4. Oorspronkelijk werd door Koeweit aangedrongen op een formulering waarbij onderdanen van Koeweit ongeacht hun werkelijke woonplaats zouden kwalificeren als inwoner van Koeweit voor de toepassing van het Verdrag. Dit was voor Nederland niet acceptabel, met name niet voor wat betreft de toepassing van het dividendartikel. Uiteindelijk is gekozen voor een oplossing waarbij in het tweede lid van artikel 4 voor een aantal instellingen expliciet is vastgelegd dat zij als inwoner van Nederland en/of Koeweit kunnen worden beschouwd. Voor het overige is artikel 4 in overeenstemming met het OESO-modelverdrag en het Nederlandse verdragsbeleid. Een tot op zekere hoogte vergelijkbare bepaling is opgenomen in de Nederlandse belastingverdragen met Canada (Trb. 1986, 65). Daarnaast is in een protocolbepaling bij artikel 10 een bepaling opgenomen die natuurlijke personen die naast inwoner van een van de Verdragsluitende Staten tevens inwoner van een derde staat zijn, uitsluit van de verlaging van Nederlandse dividendbelasting. Zie verder bij de toelichting op artikel 10.

Vaste inrichting (artikel 5)

Alhoewel artikel 5 grotendeels het OESO-modelverdrag volgt, zijn in dit artikel op verzoek van Koeweit enkele bepalingen opgenomen die afwijken van de in de OESO gekozen lijn. Zo is in het derde lid voor de uitvoering van bouwen constructiewerkzaamheden een termijn opgenomen van 6 maanden die tevens geldt voor met de bouw- en constructiewerkzaamheden verband houdende toezichthoudende werkzaamheden. Overeenkomstige bepalingen zijn door Nederland tevens overeengekomen in de verdragsrelatie met Australië (Trb. 1976, 41), China (Trb. 1987, 93), Egypte (Trb. 1999, 188), Korea, Maleisië (Trb. 1988, 27), Mexico (Trb. 1993, 160), Pakistan (Trb. 1982, 63), Portugal, Singapore, Tunesië (Trb. 1995, 164), Vietnam (Trb. 1995, 61) en Zambia (Trb. 1978, 1).

Tevens is op verzoek van Koeweit een vierde lid opgenomen waarin het verlenen van diensten gedurende ten minste 6 maanden in een twaalfmaandsperiode leidt tot de aanname van een vaste inrichting. Soortgelijke bepalingen die zijn gebaseerd op het modelbelastingverdrag van de Verenigde Naties, zijn door Nederland ook overeengekomen met Argentinië Trb. 1997, 63), Kazachstan (Trb. 1996, 150), Nigeria (Trb. 1992, 12) en Vietnam.

Ingevolge het vijfde lid wordt ook een vaste inrichting aanwezig geacht indien substantiële uitrusting wordt gebruikt gedurende ten minste 6 maanden binnen een twaalfmaandsperiode bij dan wel in samenhang met de opsporing en winning van natuurlijke rijkdommen. Onder substantiële uitrusting dient te worden verstaan uitrusting die essentieel is bij de opsporing en winning van de natuurlijke rijkdommen of bij de daarmee samenhangende activiteiten.

Ingevolge het zevende lid is op verzoek van Koeweit uitdrukkelijk bepaald dat als afhankelijke vertegenwoordiger ook wordt aangemerkt de persoon die, zonder dat hij een machtiging bezit om namens de onderneming in het andere land overeenkomsten te sluiten, een voorraad goederen of koopwaar aanhoudt waaruit hij voor de onderneming regelmatig afleveringen doet, indien die persoon namens de onderneming tevens aanvullende activiteiten verricht die bijdragen aan de verkoop van de goederen of koopwaar. Deze aan het modelbelastingverdrag van de Verenigde Naties ontleende bepaling is Nederland onder meer overeengekomen met Egypte, Macedonië (Trb. 1998, 238) Pakistan, Portugal, Suriname (Trb. 1975, 34) en Vietnam.

Voorts is in het achtste lid op verzoek van Koeweit de bepaling opgenomen dat een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger niet geacht wordt onafhankelijk te zijn indien hij zijn werkzaamheden uitsluitend of nagenoeg uitsluitend verricht voor een zelfde onderneming tegen voorwaarden die afwijken van die welke tussen onafhankelijke partijen zouden gelden. Soortgelijke bepalingen zijn opgenomen in de verdragen met Pakistan en Thailand (Trb. 1975, 113).

Winst uit onderneming (artikel 7)

Van Koeweitse zijde werd aangegeven dat het Nederlandse voorstel voor de turnkey-bepaling niet acceptabel was. Het onderliggende beginsel kon door Koeweit wel worden onderschreven. De nu in onderdeel 3 van het Protocol bij het Verdrag opgenomen bepaling die ontleend is aan het Nederlands-Italiaanse belastingverdrag (Trb. 1990, 86), komt inhoudelijk overeen met de door Nederland standaard voorgestelde turnkey-bepaling).

Gelieerde ondernemingen (artikel 9)

Koeweit kon tot genoegen van Nederland instemmen met een zogenoemde costsharing-bepaling conform het Nederlandse verdragsbeleid (paragraaf 4.3.1.4.3. van de eerder vermelde notitie «Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht)».

Dividenden (artikel 10)

Van Koeweitse zijde werd tijdens de onderhandelingen ingezet op een uitsluitende woonstaatheffing voor dividenden. Aan Nederlandse kant kon worden ingestemd met deze benadering voor deelnemingsdividenden. In het kader van een compromis waarbij tevens de bronheffing voor royalty's werd betrokken, is door Nederland voor zogeheten portfoliodividenden ingestemd met een maximale bronheffing van 10 percent.

Het Koeweitse systeem was voor Nederland aanleiding zekerheidshalve enkele anti-misbruikbepalingen voor te stellen, om te voorkomen dat dividenden via een Koeweitse vennootschap vrij van belastingheffing door kunnen stromen naar niet-verdragslanden en om te voorkomen dat natuurlijke personen ten onrechte een beroep zouden kunnen doen op de verdragsvoordelen. Indien de anti-misbruikbepaling toepassing vindt, geldt voor deelnemingsdividenden evenals voor portfoliodividenden een bronheffing van ten hoogste 10%. Soortgelijke bepalingen zijn onder andere opgenomen in de verdragen met Macedonië, Tunesië en Venezuela (Trb. 1991, 107). Voor natuurlijke personen die naast inwoner van een van de Verdragsluitende Staten tevens inwoner zijn van een derde staat, geldt dat het verdragstarief voor portfoliodividenden geen toepassing kan vinden. Wanneer met de derde staat een verdrag is gesloten geldt het bronheffingspercentage voor portfoliodividenden uit het verdrag met die derde staat. Indien geen verdrag van toepassing is in de relatie tot de derde staat kunnen de bronheffingspercentages uit het nationale recht worden toegepast. Na uitleg van Nederlandse zijde kon Koeweit in beginsel instemmen met de Nederlandse voorstellen. Wel wenste Koeweit voor wat betreft de anti-misbruikbepaling ter voorkoming van doorstroomsituaties een uitzondering te maken voor deelnemingsdividenden ontvangen door echte inwoners van de Verdragsluitende Staten met inbegrip van de overheid en overheidsinstellingen daarvan.

In paragraaf 4.3.2.2.6. van de eerder vermelde notitie «Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht» wordt het beleid met betrekking tot eventuele anti-ontgaansbepalingen bij dividenden nader toegelicht. Voor een algemene toelichting op het dividendartikel wordt verwezen naar paragraaf 4.3.2.2. van de eerder vermelde notitie «Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht».

Interest (artikel 11)

De nationale wetgeving van Koeweit voorziet niet in een bronheffing op interestbetalingen. Koeweit kon daarom instemmen met een uitsluitende woonstaatheffing voor interest conform het Nederlandse verdragsbeleid zoals verwoord in paragraaf 4.3.2.3. van de eerder vermelde notitie «Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht».

Royalty's (artikel 12)

Tijdens de onderhandelingen werd door Koeweit voorgesteld om ter zake van royalty-betalingen een bronheffing van 10 percent op te nemen in het Verdrag. In het kader van een compromis waarbij tevens de bronheffing voor portfoliodividenden was betrokken, is door Koeweit ingestemd met een bronheffing op royalty's van 5 percent. Van de zijde van Koeweit is tevens ingestemd met de opname van een protocolbepaling waarin expliciet wordt aangegeven dat vergoedingen voor technische diensten onder de reikwijdte van artikel 7 of 14 vallen en niet als royalty worden beschouwd.

Vermogenswinsten (artikel 13 juncto onderdeel V van het Protocol)

Door Koeweit is ingestemd met de Nederlandse wens een voorziening te treffen tegen het ontgaan van belasting over de winst behaald met de vervreemding van een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 dan wel de Wet inkomstenbelasting 2001. Met de in het vijfde lid neergelegde regeling kunnen voormalige inwoners van een staat tot en met 10 jaar na hun emigratie naar de andere staat worden belast in de eerstbedoelde staat waar het lichaam is gevestigd voor door hen behaalde winst met de vervreemding van aandelen in dat lichaam. In paragraaf 4.3.3. van de eerder vermelde notitie «Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht» wordt deze bepaling nader toegelicht.

Directeuren- en commissarissenbeloningen (artikel 16)

Van Koeweitse zijde werd voor directeuren- en commissarissenbeloningen een woonstaatheffing voorgesteld. Het Nederlandse verdragsbeleid gaat uit van een bronstaatheffing. In het kader van een totaalcompromis is overeenstemming bereikt over een bepaling op grond waarvan het heffingsrecht toekomt aan de woonstaat van de directeur of commissaris, maar waarbij de vestigingstaat van de vennootschap waarvoor de werkzaamheden zijn verricht, een beperkt heffingsrecht krijgt. Dit beperkte heffingsrecht voor de vestigingsstaat van de vennootschap bedraagt ten hoogste 25 percent van de bestuurders- of commissarisbeloning.

Pensioenen en sociale zekerheidsuitkeringen (artikel 18)

Overeenkomstig Nederlands verdragsbeleid is in het kader van de voorkoming van het ontgaan van een redelijke belastingheffing over uit Nederland afkomstige afkoopsommen van pensioenen en lijfrenten alsmede over pensioentermijnen, die worden genoten door inwoners van Koeweit op verzoek van Nederland een aantal bepalingen in artikel 18 opgenomen.

Voor wat betreft afkoopsommen van pensioenen en lijfrenten kon Koeweit instemmen met een onbeperkte bronstaatheffing voor de afkoop van nog niet ingegane pensioenen. Voor pensioen- en lijfrente-termijnen geldt als uitgangspunt een woonstaatheffing. Hetzelfde uitgangspunt geldt voor pensioenen en uitkeringen ingevolge het sociale zekerheidsstelsel van een land. Overeenkomstig Nederlands verdragsbeleid is dit uitgangspunt aangevuld met de mogelijkheid om onder omstandigheden een bronstaatheffing met betrekking tot deze inkomsten te kunnen toepassen. Alvorens de bronstaat tot heffing kan overgaan, moet cumulatief voldaan zijn aan de voorwaarden dat de aanspraak op het pensioen, het pensioen of de uitkering ingevolge het sociale zekerheidsstelsel, of de lijfrente in de bronstaat was vrijgesteld of dat de daarvoor betaalde premies in de opbouwfase van de aanspraak fiscaal aftrekbaar waren bij de berekening van het belastbaar inkomen in de bronstaat en dat de pensioen- of lijfrente-termijnen of sociale zekerheidsuitkeringen niet worden belast tegen het normale tarief voor inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid of dat minder dan 90% van de pensioen- of lijfrente-termijnen of sociale zekerheidsuitkeringen in de belastingheffing wordt betrokken. Als derde voorwaarde voor een bronstaatheffing geldt dat het gezamenlijke bedrag van door de belastingplichtige in een kalenderjaar genoten pensioen- en lijfrente-termijnen of pensioen of uitkering ingevolge het sociale zekerheidsstelsel van een van de landen meer bedraagt dan 20 000 Euro (tweede lid).

De bevoegde autoriteiten van de staten zullen in onderling overleg vaststellen welke informatie een belastingplichtige dient te verschaffen met het oog op eventuele toepassing van de in het tweede lid bedoelde bronstaatheffing (vijfde lid).

Een pensioen of lijfrente wordt geacht afkomstig te zijn uit een staat als de premies voor het pensioen of de lijfrente in die staat voor belastingvermindering in aanmerking zijn gekomen. In dit verband worden door de overdracht van pensioenaanspraken van een fonds of verzekeringsmaatschappij in de ene staat naar een fonds of verzekeringsmaatschappij in de andere staat de heffingsrechten van de oorspronkelijke bronstaat in generlei opzicht beperkt (vierde lid).

In verband met de mogelijkheden om sedert 1994 pensioenaanspraken ter vermijding van pensioenbreuken mee te nemen bij de overgang van een overheidsdienstbetrekking naar een particuliere dienstbetrekking, en omgekeerd, is, ter bepaling van het karakter van latere pensioentermijnen en in verband met de vraag of de daaruit voortvloeiende belastingheffing dient plaats te vinden op basis van artikel 18 of artikel 19, uitdrukkelijk aansluiting gezocht bij de opbouwperiode tijdens de verschillende dienstbetrekkingen (zevende lid). Een soortgelijk artikel is opgenomen in het Verdrag met Portugal.

Werkzaamheden buitengaats (artikel 24)

Overeenkomstig Nederlands verdragsbeleid is in het Verdrag een bijzondere regeling opgenomen met betrekking tot winsten en inkomsten die samenhangen met de exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen buitengaats. Voor een algemene toelichting op deze regeling wordt verwezen naar de schriftelijke beantwoording van technische vragen naar aanleiding van de notitie «Internationaal fiscaal (verdrags)beleid» (kamerstukken II 1996/97, 25 087, nr. 3, blz. 5–6) en paragraaf 4.3.1.4.4. van de eerder vermelde notitie «Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht».

Regeling voor onderling overleg (artikel 26)

In het vijfde lid is op Nederlands verzoek de mogelijkheid gecreëerd om geschillen over de toepassing of interpretatie van het Verdrag, die in onderling overleg tussen de autoriteiten niet kunnen worden opgelost, te beslechten via een arbitrageprocedure. Voor een algemene toelichting op deze bepaling wordt verwezen naar paragraaf 3.4 van de eerder vermelde notitie «Uitgangspunten van het beleid op het terrein van het internationaal fiscaal (verdragen)recht».

Uitwisseling van inlichtingen (artikel 27)

Conform het verdragsbeleid op dit punt, zoals ook in de toelichting op artikel 26 is vermeld, is in dit artikel een arbitragebepaling opgenomen. In dit artikel is bepaald dat informatie kan worden verstrekt aan een arbitragecommissie en dat de leden van de arbitragecommissie zich dienen te houden aan de geheimhoudingsverplichtingen.

Inwerkingtreding (artikel 30)

Het Verdrag treedt in werking dertig dagen na de datum van ontvangst, langs diplomatieke weg, van de laatste van de schriftelijke mededelingen waarin de regeringen elkaar hebben medegedeeld, dat de in de respectievelijke staten grondwettelijk vereiste formaliteiten zijn vervuld. Na de inwerkingtreding vindt het Verdrag in beide landen voor bronbelastingen toepassing vanaf de dertigste dag na de inwerkingtreding en voor andere belastingen geldt dat de bepalingen van het Verdrag toepassing vinden voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op dat waarin het Verdrag in werking is getreden. Op verzoek van Koeweit is in het tweede lid een bepaling opgenomen op grond waarvan belastingplichtigen kunnen kiezen voor toepassing van de bepalingen van het Verdrag reeds met ingang van 1 januari 2001.

Beëindiging/opzegging (artikel 31)

Het Verdrag geldt in beginsel voor een periode van 5 jaar. Na afloop van deze periode wordt het Verdrag telkens met een gelijke periode verlengd tenzij een van beide staten aangeeft het Verdrag te willen beëindigen. Hierbij geldt een opzegtermijn van ten minste 6 maanden vóór het verstrijken van de eerste vijfsjaarsperiode of een van de daarop volgende vijfjaarsperioden. Het Verdrag houdt in dat geval voor zowel bronbelastingen als voor andere belastingen op van toepassing te zijn voor belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. J. Bos

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.