nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid,
onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).
Algemeen deel
Het wetsvoorstel strekt tot uitvoering van Richtlijn nr. 2000/12/EG van
20 maart 2000 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang
tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L
126; hierna aangeduid als de richtlijn).1 De richtlijn
is een officiële codificatie in de zin van het Interinstitutioneel Akkoord
van 20 december 1994 (PbEG C 102 van 4 april 1996). Dit betekent dat de richtlijnen
die het voorwerp van codificatie vormen, zijn ingetrokken (zie bijlage V van
de richtlijn) en vervangen door één enkele richtlijn die geen
enkele inhoudelijke wijziging bevat ten opzichte van de ingetrokken richtlijnen.
De Europese Commissie is begonnen met de codificatie van de richtlijnen,
omdat het Europese Parlement en de Europese Raad van Ministers (van Edinburgh
van 12 december 1992) hierop sterk hebben aangedrongen. De reden hiervoor
is dat wijzigingsrichtlijnen door de talrijke verwijzingen naar oudere richtlijnen
zeer moeilijk leesbaar zijn geworden. Een wijzigingsrichtlijn kan immers niet
goed worden begrepen zonder de voorgaande teksten van richtlijnen en besluiten
waarnaar wordt verwezen erbij te zoeken. Door de codificatie van richtlijnen
wordt de communautaire wetgeving begrijpelijker en toegankelijker gemaakt.
Daarnaast bestaat zonder codificatie een grote kans op het maken van fouten,
omdat bijvoorbeeld de teksten die een wijziging van een oorspronkelijke bepaling
inhouden niet in aanmerking worden genomen bij de lezing van die oorspronkelijke
bepaling. Dit probleem doet zich ook voor bij de rectificaties die bijvoorbeeld
voor een aantal bankenrichtlijnen zijn gepubliceerd. Voorts worden de teksten
van richtlijnen vereenvoudigd door uitgewerkte overgangsbepalingen te schrappen
evenals de daarop betrekking hebbende overwegingen.
Gekozen is voor een constitutieve codificatie in plaats van een declaratoire
codificatie, omdat bij een constitutieve codificatie één enkele
tekst ontstaat die rechtsgeldig is, hetgeen niet het geval zou zijn bij een
declaratoire codificatie. Bij een codificatie van laatstgenoemde aard zouden toekomstige wijzigingsrichtlijnen wederom moeilijk leesbaar zijn omdat
daarbij niet kan worden uitgegaan van de gecodificeerde tekst. De constitutieve
codificatie wordt door het overgrote deel van de lidstaten gesteund. Vanzelfsprekend
zijn bij de onderhavige codificatie van de bankenrichtlijnen alleen die richtlijnen
betrokken die als een geheel kunnen worden gezien. Dit laatste geldt niet
voor de richtlijnen betreffende de jaarrekeningen die zich er daarom niet
voor lenen om te worden meegenomen bij de onderhavige codificatie.
De richtlijn brengt geen inhoudelijke wijzigingen aan in de oorspronkelijke
richtlijnen. De richtlijn bevat dan ook noch een implementatieopdracht aan
de lidstaten noch een verplichting om de Commissie in kennis te stellen van
de implementatie van de bepalingen van de richtlijn. Vanuit het oogpunt van
een transparante wetgeving dienen toch in enkele wetten de verwijzingen naar
de thans ingetrokken richtlijnen te worden vervangen door een verwijzing naar
de gecodificeerde richtlijn. De wijzigingen betreffen de Wet toezicht kredietwezen
1992, de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993 en de
Wet melding zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen 1996. Het
onderhavige wetsvoorstel laat voorts verwijzingen naar een of meer richtlijnen –
zoals weergegeven in de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdelen
D, I en R – vervallen indien dat inhoudelijk geen wijziging tot gevolg
heeft.
Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat ook het Besluit toezicht effectenverkeer
1995, het Besluit jaarrekening banken, de Vrijstellingsregeling Wet toezicht
effectenverkeer 1995, de Vrijstellingsregeling wisselkantoren en de Regeling
beleggingen technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 verwijzen
naar richtlijnen die door de richtlijn zijn ingetrokken. Deze regelingen zullen
dus eveneens worden gewijzigd. Hetzelfde geldt voor de Collectieve garantieregeling
en het Beleggerscompensatiestelsel. De Nederlandsche Bank en de Stichting
Toezicht Effectenverkeer zien er op toe dat ook deze regelingen worden gewijzigd.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I, onderdelen D, I en R
De huidige bepalingen schrijven voor, dat de Bank haar bevoegdheid mede
gebruikt ter uitvoering van een of meer Europese richtlijnen. Welbeschouwd
is een dergelijk voorschrift niet nodig. Het staat buiten twijfel dat de Bank
haar regels overeenkomstig Europese richtlijnen moet stellen. De opdracht
aan de Bank om van haar bevoegdheden gebruik te maken om Europese richtlijnen
uit te voeren is bovendien uitdrukkelijk bepaald in artikel 3 van de Wet toezicht
kredietwezen 1992. Het voorgaande is, mutatis mutandis, ook van toepassing
op de minister. Zonder dat dat enige inhoudelijke wijziging tot gevolg heeft,
is daarom de verwijzing naar een of meer richtlijnen vervallen.
Artikel I, onderdeel M
De verwijzing naar de vier richtlijnen die in de huidige bepaling wordt
genoemd, moet worden vervangen door een nieuwe verwijzing. De verwijzing naar
de richtlijn betekent dat daarmee de inhoud van de bepaling enigszins wordt
uitgebreid. De richtlijn omvat namelijk niet alleen de nu in artikel 33 genoemde
richtlijnen (inclusief hun wijzigingen), maar ook de Richtlijnen 92/30/EEG
inzake toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis en 92/121/EEG
betreffende het toezicht op en de beheersing van grote risico's van kredietinstellingen.
Deze uitbreiding stuit in de praktijk echter niet op bezwaren. Artikel 33,
eerste lid, beoogt namelijk te voorzien in een uiterste mogelijkheid om maatregelen
te treffen indien een cruciaal element uit de minimumharmonisatie ontbreekt
omdat andere lidstaten niet, niet voldoende of niet tijdig de in dat lid genoemde richtlijnen hebben uitgevoerd. Deze elementen bevinden zich met name
in de in artikel 33, eerste lid, genoemde richtlijnen zodat een uitbreiding
met de richtlijnen 92/121/EEG en 92/30/EEG in de praktijk naar verwachting
geen verschil zal uitmaken. In dit verband wordt er op gewezen dat artikel
33, eerste lid, tot op heden nimmer is toegepast.
De Minister van Financiën,
G. Zalm