Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201627859 nr. 93

27 859 Modernisering Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA)

Nr. 93 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 juli 2016

In deze brief informeer ik uw Kamer over de uitkomst van een uitvoeringstechnische tussenevaluatie van de wet BRP1. De Wet basisregistratie personen (Wet BRP) heeft op 6 januari 2014 de Wet gemeentelijke basisregistratie persoonsgegevens (Wet GBA) vervangen. Naar aanleiding van vragen over de effectiviteit van een aantal nieuwe onderdelen van de wet heb ik een tussentijdse evaluatie toegezegd op aandringen van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Zij hebben aandacht gevraagd voor enkele zaken waar gemeenten in de praktijk tegenaan lopen. Deze tussentijdse thermometer in de uitvoeringspraktijk is uitgevoerd vooruitlopend op de evaluatie van de wet die over enkele jaren zal plaatsvinden.

Deze tussenevaluatie is uitvoeringstechnisch ingestoken. Het geeft antwoord op een negental onderzoeksvragen die samen met de NVVB/VNG zijn opgesteld, die allemaal betrekking hebben op onderdelen van de wet die nieuw zijn ten opzichte van de Wet GBA. De vraag daarbij was of gemeenten uitvoeringstechnisch goed om kunnen gaan met deze nieuwe onderdelen van de wet zoals de bestuurlijke boete, het aanstellen van een toezichthouder en de bijhouding van de gegevens van niet-ingezetenen in de BRP. Het betreft constateringen met betrekking tot wat is gewijzigd en wat daarvan de gevolgen zijn voor de uitvoeringspraktijk.

De vragen zijn gesteld door:

  • een enquête te houden onder medewerkers burgerzaken. Er was sprake van een respons van 199 gemeenten;

  • vier groepsgesprekken te houden: 2 x met medewerkers burgerzaken, 1 x met medewerkers van gemeenten in hun rol als afnemer van de BRP en 1 x met afnemers van de BRP.

De resultaten bevestigen dat er reden is tot één aanpassing van de wet BRP: aanpassing van de procedure bij vertrek naar het buitenland als niet alle personen van het betreffende adres vertrekken. De gewijzigde procedure zoals die nu in de wet BRP staat, houdt in dat personen anderen niet meer kunnen machtigen tot het doen van aangifte. Als niet alle ingeschrevenen van een bepaald adres naar het buitenland vertrekken, moet iedereen van dat adres in persoon aan de balie verschijnen. Deze gewijzigde procedure is destijds opgenomen op verzoek van uw Kamer (motie Oosenbrug) met goede intentie en als doel gedwongen achterlating en uithuwelijking tegen te gaan. Gemeenten hebben in de uitvoering geprobeerd met deze nieuwe procedure te werken, maar gebleken is dat het gewenste effect niet bereikt wordt doordat mensen bij vertrek helemaal niet meer aan de balie komen of zich pas uitschrijven als ze al weg zijn. Gemeenten hebben dan ook gevraagd de gewijzigde procedure terug te draaien. Dit verzoek wil ik inwilligen bij de eerstvolgende wijziging van de Wet BRP. Tegelijkertijd wil ik graag in overleg met uw Kamer bezien hoe de problematiek die de Kamer met het aannemen van de motie van mevrouw Oosenbrug terecht agendeert, in samenspraak met gemeenten, wel opgelost kan worden.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, S.A. Blok


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl