27 858 Gewasbeschermingsbeleid

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 748 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 mei 2026

Uw Kamer heeft mij in het tweeminutendebat van 23 april 2026 van de afgelopen Landbouw- en Visserijraad gevraagd om te reageren op de wetenschapstoets die is uitgevoerd op vraag van de Tweede Kamer over het Omnibus voorstel voor de veiligheid van voedsel en diervoeder. Via deze brief wil ik graag inhoudelijk reageren op dit verzoek. Daarnaast heb ik ook het verzoek van uw Kamer doorgeleid naar het Ctgb, die met een aparte reactie zal komen op de wetenschapstoets. Naast de reactie op de wetenschapstoets heb ik in recente schriftelijke vragen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1790) toegezegd om te reageren op een aantal inhoudelijke en technische vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie van uw Kamer, daar kom ik in deze brief op terug.

Graag wil ik opnieuw benadrukken, net als in eerdere brieven over dit onderwerp, dat veiligheid voor mens, dier en milieu voor mij een belangrijk uitgangspunt is en blijft, dat de basis vormt voor de Europese regelgeving waar in deze omnibus voorstellen naar wordt gekeken. Daarnaast is het een uitgangspunt van dit kabinet om te kijken waar regelgeving mogelijk kan worden vereenvoudigd, volgend uit het coalitieakkoord van D66, VVD en de CDA, waarin staat bekrachtigd dat dit kabinet de Europese Omnibus-wetgeving onderschrijft. Met deze twee uitgangspunten kijk ik dan ook naar dit Omnibus voorstel, waarin het kabinet de Nederlandse inzet op dit voorstel inhoudelijk baseert op het BNC-fiche over dit voorstel (Kamerstuk 22 112, nr. 4261) en de twee aangenomen moties (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1771 en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744). Uit voorgaande debatten en schriftelijke vragen is het mij duidelijk dat onder een aantal van de partijen van uw Kamer zorgen leven over dit Omnibus voorstel. De discussie rondom het Omnibus voorstel liggen zowel rondom het proces van Omnibus voorstellen, bijvoorbeeld het gebrek van een impact assessment, als de inhoud van het voorstel en de wijzigingen die met name op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvinden. Het is daarom goed om op 12 mei 2026 tijdens het geplande debat over dit Omnibus voorstel verder in gesprek te gaan.

Reactie op de wetenschapstoets van uw Kamer

Het Omnibus voorstel is een zeer breed pakket aan maatregelen, verdeeld over 10 verordeningen en 4 richtlijnen. Het kabinet heeft voor het opstellen van haar positie gebruik gemaakt van het staff working document van de Commissie1, gesprekken met stakeholders, interne consultaties binnen de overheid en het onafhankelijke advies van het Ctgb. Aangezien dit voorstel gaat over regelgeving voor de veiligheid van ons voedsel en diervoeder is het goed dat hier aandacht voor is. De wetenschapstoets van de Tweede Kamer kan daarmee een nuttig aanvullend instrument zijn en ik heb daarom met interesse kennis genomen van deze wetenschapstoets. De Kamer heeft ervoor gekozen om de toets af te kaderen specifiek op het gewasbeschermingsmiddelengedeelte. In het kader van deze toespitsing van de wetenschapstoets zal ik mij in deze reactie ook met name richten op dat gedeelte. Ik heb het Ctgb, als de onafhankelijke autoriteit voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland, ook bereid heb gevonden om apart te reageren op de wetenschapstoets van uw Kamer. Zij zullen u apart hierover informeren.

Een onafhankelijke wetenschapstoets kan een belangrijke rol hebben in het debat over dit voorstel. Ik signaleer wel enkele onjuistheden in de wetenschapstoets, waar ik in mijn inhoudelijke reactie op zal reageren. De wetenschapstoets stelt vast dat het Omnibusvoorstel niet zal leiden tot het behalen van de gestelde doelen van het voorstel. Ik identificeer de volgende punten waar de wetenschapstoets op reflecteert in het Omnibus voorstel:

  • • Het aanpassen van het herbeoordelingssysteem voor werkzame stoffen

  • • Bescherming van mens en milieu

  • • Bewijslast

  • • Versnelde toelating van biocontrol

  • • Respijttermijnen en artikel 4(7) van de Verordening 1107/2009

  • • Verhouding tot Nederlandse beleidsplannen

  • • Lex silencio positivo

  • • Uitvoerbaarheid en haalbaarheid

  • • Reactie op de aanbevelingen van de wetenschapstoets

Het aanpassen van het herbeoordelingssysteem voor werkzame stoffen.

De wetenschapstoets levert kritiek op het inrichten van een risicogestuurd herbeoordelingssysteem in plaats van het bestaande periodieke herbeoordelingssysteem. Om een overzicht te geven hoe deze beide systemen zich verhouden tot elkaar heb ik deze twee systemen hieronder in een tabel uiteengezet.

Huidig herbeoordelingssysteem

Voorgesteld herbeoordelingssysteem

Goedkeuringsduur

Tijdelijk (regulier 10–15 jaar)

Voor onbepaalde tijd, behalve voor kandidaten voor vervanging (KvV), tijdelijke goedkeuringen onder artikel 4(7) en stoffen waar onzekerheden over bestaan bij goedkeuring.

Gebruikelijke activering herbeoordeling

Verstrijken goedkeuringstermijn

Indicaties voor veiligheidszorgen, nieuwe wetenschappelijke of technische inzichten, beschikbare monitoringsdata en aanvragen vanuit lidstaten. Daarnaast kunnen ook het wijzigen van goedkeuringscriteria, gegevensvereisten en richtsnoeren een reden zijn voor herbeoordeling.

Bewijslast

Bij producenten

Bij producenten, wel belangrijke voorwaarde is dat er een goed werkend signaleringsprogramma in is gericht op Europees niveau om de juiste risicosturing te geven in de herbeoordelingen.

Werkprogramma

Periodieke werkprogramma’s op basis van goedkeuringsduur van toegelaten werkzame stoffen.

Werkprogramma stuurt op welke (groepen) stoffen een herbeoordeling wordt uitgevoerd. Dit werkprogramma wordt door de Commissie (op basis van advies door EFSA) en de lidstaten opgesteld.

Wat wordt herbeoordeeld?

Alle werkzame stoffen worden periodiek herbeoordeeld (voor alle onderdelen van de risicobeoordeling).

Stoffen met een bepaalde goedkeuringsduur worden periodiek volledig herbeoordeeld (Kandidaat voor vervanging, art 4(7), stoffen met onzekerheden).

Stoffen met goedkeuringsduur voor onbepaalde tijd worden in specifieke groepen volledig herbeoordeeld, wanneer deze door het werkprogramma worden aangewezen. Daarnaast is het ook mogelijk om voor een (groep) stof(fen) alleen specifieke onderdelen van een beoordeling opnieuw uit te voeren (bijv. alleen de risico’s voor bijen).

Impact op capaciteit

Tekort aan capaciteit, omdat elke werkzame stof moet worden herbeoordeeld. Praktijk is dat door gebrek aan capaciteit nu ook stoffen een procedurele verlenging krijgen, een onwenselijke situatie.

Gerichtere inzet van capaciteit mogelijk waar risico’s en zorgen bestaan over goedgekeurde werkzame stoffen.

Signaleringssysteem nodig?

Door periodiek systeem geen directe aanleiding hiertoe. Desondanks zou ook voor het huidige systeem nuttig zijn om een Europees georganiseerd signaleringssysteem in te richten als extra waarborg.

Belangrijke voorwaarde om een risicogestuurd systeem te kunnen sturen naar waar risico’s en zorgen bestaan over werkzame stoffen. Nederland zet zich in voor een mandaat bij EFSA voor een signaleringssysteem dat systematisch nieuwe wetenschappelijke informatie en monitoringsgegevens bijhoudt.

De auteurs van de wetenschapstoets geven aan dat er veel onduidelijkheid bestaat over de invulling van het risicogestuurd herbeoordelen van werkzame stoffen. Alhoewel er over enkele zaken wel onduidelijkheid of onzekerheid bestaat, is er over veel van de procedures al wel duidelijkheid. Zo wordt in het voorstel vastgesteld dat de Commissie de verplichting heeft om een werkprogramma op te stellen. Dit werkprogramma zal worden opgesteld op basis van indicaties voor zorgen over veiligheid met betrekking tot de gezondheid van mens, dier of het milieu, nieuwe wetenschappelijke of technische inzichten, beschikbare monitoringsdata en verzoeken vanuit lidstaten. Dit werkprogramma zal vervolgens worden vastgesteld door de Commissie, na stemming in het permanent comité (SCoPAFF) door middel van stemming door de lidstaten, net als nu al gebeurd voor periodieke werkprogramma’s. Daarnaast is de Commissie ook verplicht binnen 3 jaar een werkprogramma op te stellen voor de herbeoordeling van relevante werkzame stoffen zodra de goedkeuringscriteria van werkzame stoffen worden aangepast of wanneer nieuwe datavereisten en richtsnoeren voor werkzame stoffen zijn opgesteld. Deze maatregelen zorgen er ook voor dat er juist geen ongelijk speelveld ontstaat voor de beoordeling van nieuwe stoffen ten opzichte van toegelaten stoffen. Het werkprogramma zal daarnaast ook vaststellen welke lidstaten rapporteur zullen worden (het uitvoeren van de herbeoordeling), welke deadlines worden gehanteerd en wat voor informatie wordt gevraagd van producenten in de herbeoordeling.

Ik ben het eens met de auteurs dat er voor het werkprogramma meer duidelijkheid moet komen hoe de prioritering zal verlopen van het selecteren van groepen werkzame stoffen voor het werkprogramma. Nederland zet zich dan ook in voor een wetenschappelijk gebaseerd Europees signaleringssysteem, dat een belangrijke rol moet spelen in het inrichten van dit werkprogramma. Overigens heeft de Commissie hier nader toelichting op gegeven bij de ronde tafel van de Tweede Kamer op 26 maart jl., waarbij nadrukkelijk door de Commissie werd aangegeven dat zij van plan is een dergelijk mandaat aan EFSA te geven.

Overigens wordt er een onjuiste aanname door de auteurs gedaan over welke stoffen voor onbepaalde tijd worden toegelaten. Zij stellen dat dit voor alle werkzame stoffen zal gelden. In het voorgestelde systeem worden echter drie groepen stoffen, inclusief stoffen waar zorgen of kennishiaten over bestaan, uitgesloten van het risicogestuurde herbeoordelingssysteem en deze zullen nog steeds periodiek worden herbeoordeeld. In de kabinetsreactie staat bovendien aangegeven dat het Kabinet zich zal inzetten dat stoffen waarvoor zorgen bestaan vanuit de KRW, zoals de prioritaire stoffen, worden uitgesloten van een toelating voor onbepaalde tijd

Een belangrijke aanvulling op de wetenschapstoets is de huidige staat van dat periodieke herbeoordelingssysteem. Dit herbeoordelingssysteem werkt namelijk niet goed meer, zo worden er regelmatig werkzame stoffen procedureel verlengt omdat er geen capaciteit beschikbaar is om ze te herbeoordelen. Daarnaast is het systeem zo vastgelopen dat er ook nauwelijks capaciteit beschikbaar is voor de toelating van nieuwe werkzame stoffen, die soms veel veiliger kunnen zijn dan de bestaande (denk bijvoorbeeld aan biocontrol werkzame stoffen). Het huidige systeem remt daarmee innovatie en geeft Europa een ongelijk speelveld richting derde landen. Het is daarom belangrijk om tot een systematische verandering te komen, waar de Commissie nu een voorstel toe heeft gedaan. Uiteraard moet wel goed worden gekeken of het voorgestelde nieuwe systeem daadwerkelijk een verbetering is. Nederland zet zich daarom in voor aanvullende randvoorwaarden, zoals heldere termijnen, een goede wetenschappelijke basis, een transparant proces en een Europees ingericht signaleringssysteem.

De auteurs stellen dat er ook grote winst qua efficiëntie kan worden geboekt met maatregelen buiten het Omnibus voorstel om. Ik ben voorstander van het gebruik van innovaties om het toelatings- en herbeoordelingssysteem te verbeteren. Conform BNC-fiche, blijft Nederland open staan voor alternatieven die hetzelfde resultaat kunnen bereiken. Tegelijkertijd is het voor mij wel de vraag of daarmee de gewenste efficiëntieslag kan worden gehaald, versus een structurele systeemverandering. Het opstellen en uitvoeren van dergelijke nieuwe maatregelen zal geruime tijd kosten en hiervoor zal mogelijk opnieuw Europese besluitvorming voor nodig zijn, waarbij wij afhankelijk van het initiatief van de Europese Commissie zullen zijn.

Bescherming van mens en milieu

De auteurs geven aan dat het voorgestelde risicogestuurde herbeoordelingssysteem zal zorgen voor extra risico’s van werkzame stoffen, doordat deze voor onbepaalde tijd worden toegelaten op de Europese markt. Als reden hiervoor wordt aangegeven dat de huidige goedkeuringscriteria nog onvoldoende de effecten van langdurige blootstelling meenemen voor mens en milieu. Alhoewel ik het eens ben dat er gekeken moet worden naar deze langdurige blootstelling, ben ik het niet eens dat dit een argument is tegen de voorgestelde maatregelen in het Omnibus voorstel. Deze zorg geldt immers zowel voor het huidige periodieke herbeoordelingssysteem als het voorgestelde risicogestuurde herbeoordelingssysteem.

Een risicogestuurd herbeoordelingssysteem leent zich juist beter om op dergelijke nieuwe beoordelingscriteria te anticiperen. Dit kan door een werkprogramma op te stellen voor relevante werkzame stoffen die opnieuw langs deze nieuwe beoordelingscriteria moeten worden gelegd, hiertoe is de Europese Commissie toe verplicht om dit binnen 3 jaar op te stellen onder het Omnibus voorstel. In het huidige systeem zou dat gebruikelijk pas gebeuren als de werkzame stoffen aan de beurt zijn voor hun periodieke herbeoordeling (dat kan soms door huidige vertragingen 20 jaar duren).

Bewijslast

Op het punt bewijslast zou ik graag willen benadrukken dat de conclusie van de auteurs dat de bewijslast bij een herbeoordeling niet langer bij de producent ligt, niet klopt. De onderdelen, waar de verplichting voor producenten staat beschreven om bewijslast aan te leveren om te voldoen aan de goedkeuringscriteria, worden niet gewijzigd. Dit geldt zowel voor de werkzame stoffen als voor middelen.

Het is in het voorgestelde risicogestuurde herbeoordelingssysteem wel van groot belang dat de Europese Commissie en lidstaten in staat zijn om de juiste keuzes te maken om een werkprogramma inrichten. Er komt namelijk wel meer initiatief te liggen bij de Commissie en lidstaten. Om dit inzicht te kunnen hebben zet Nederland zich in voor een Europees signaleringssysteem dat belegd moet worden bij de EFSA.

Versnelde toelating biocontrol

Ik ben het eens met de auteurs dat de huidige definitie van biocontrol niet voldoet, dit komt overeen met de Nederlandse positie over het voorstel (Kamerstuk 22 112, nr. 4261) en is een belangrijk punt waar Nederland zich voor inzet in de gesprekken in Brussel over dit voorstel. In het voorstel worden al drie categorieën van biocontrol stoffen genoemd, het is mij niet duidelijk of de auteurs deze drie categorieën bedoelen. Deze drie categorieën zijn:

  • • Micro-organismen

  • • Anorganische stoffen die voorkomen in de natuur, met de uitzondering van zware metalen en diens zouten

  • • Stoffen van biologische oorsprong of stoffen die synthetisch zijn geproduceerd, maar functioneel en structureel identiek zijn.

Voor Nederland is het van belang dat aan deze categorieën wordt toegevoegd dat deze stoffen ook een laag risico profiel moeten hebben.

Ik ben het eens met de auteurs van de wetenschapstoets dat er naast de procedures ook gekeken moet worden naar beoordelingscapaciteit en hoe beoordelingskaders passend kunnen worden gemaakt voor de verschillende vormen van biocontrol. Dit valt echter buiten de kaders van deze verordening. Nederland heeft hier bijvoorbeeld het verduurzamingsloket gewasbeschermingsmiddelen en het «green team» bij het Ctgb voor ingericht.

Respijttermijnen & artikel 4(7)

Over de respijttermijnen («grace period» in de wetenschapstoets) is inmiddels al veel correspondentie met uw Kamer geweest via Kamervragen en Kamerbrieven (bijvoorbeeld Kamerstuk 22 112, nr. 4305 en Kamerstuk 27 858, nr. 742). Ik verwacht dat de impact van deze maatregel voor Nederland beperkt zal zijn. In Nederland is het Ctgb verantwoordelijk voor besluiten over de respijttermijn bij het vervallen of intrekken van een toelating. Het Ctgb weegt bij het bepalen van de termijn verschillende factoren mee, zoals de mate van risico, de mate van onvoorzienbaarheid, het moment en duur van het teeltseizoen en de omvang van de bestaande voorraad. Dit is vastgelegd in een beleidsregel. Het Ctgb blijft deze zorgvuldige afweging maken, ook als de verordening een langere maximale respijttermijn mogelijk maakt. Ondanks de beperkte verwachte impact heeft Nederland zich uitgesproken in Brussel tegen het verlengen van de respijttermijnen. Reden hiervoor is dat dit alsnog het level playing field kan verlagen doordat andere landen deze respijttermijnen mogelijk wel maximaal zullen inzetten.

Het is goed om daarnaast een duidelijk onderscheid te maken tussen artikel 46 (respijtperioden), artikel 4(7) (tijdelijke goedkeuring werkzame stoffen) en vrijstellingen onder artikel 53 (mogelijkheid om een middel voor een zeer beperkte duur toe te passen terwijl dat niet is toegelaten). De casus waar de auteurs naar verwijzen over de Suzuki fruitvlieg gaat over de procedure van artikel 53, hier is geen phasing-out plan voor verplicht. Naast dit Omnibus voorstel is het mijn ambitie om stevig in te zetten op het stimuleren van duurzame alternatieven, zodat vrijstellingen steeds minder nodig zullen zijn. Dit is voor mij een belangrijk punt van aandacht in het convenantstraject dat ik ben gestart over het verminderen van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen.

Verhouding tot Nederlandse beleidsplannen

De auteurs stellen in de wetenschapstoets dat zij conflicten voorzien tussen geldende regelgeving en het Omnibus voorstel. Zij baseren zich hierbij op de eerder vastgestelde conclusies. Deze conclusie is afhankelijk of de maatregelen een negatief effect hebben op de veiligheid van mens, dier en milieu. Daarom is het ook mijn uitgangspunt om mij in te zetten dat dit Omnibus voorstel het huidige veiligheidsniveau blijft waarborgen, zodat dit Omnibus voorstel geen nadelige impact heeft op andere Nederlandse beleidsplannen, zoals de Kaderrichtlijn water.

Lex silencio positivo

Ik ben het eens met de auteurs dat het een onwenselijke situatie zou zijn als middelen via een Lex silencio positivo op de Nederlandse markt zouden komen. De gestelde beoordelingstermijn is niet realistisch haalbaar voor toelatingsautoriteiten, zeker bij de voorgestelde brede definitie van biocontrol. Nederland zet zich dan in Brussel ook in dat deze maatregel wordt aangepast naar een haalbaarder termijn of dat deze maatregel van tafel gaat. Een belangrijke verduidelijking op de wetenschapstoets is wel dat de Lex silencio positivo alleen voor een heel specifiek onderdeel in het voorstel wordt toegepast. Namelijk voor de wederzijdse erkenning van biocontrol middelen die al zijn toegelaten in een andere lidstaat in dezelfde klimaatzone of waar Nederland betrokken lidstaat is en de zonaal rapporteur heeft beoordeeld dat het biocontrolmiddel toegelaten kan worden. De impact van deze maatregel is dus wel beperkter dan uit de wetenschapstoets blijkt.

Uitvoerbaarheid en haalbaarheid

De auteurs van de wetenschapstoets geven aan dat het Omnibus voorstel op het gebied van gewasbescherming juist meer capaciteit gaat kosten en dat dit tegen de gestelde doelen van het Omnibus voorstel is. De auteurs geven hiervoor aan dat het versnellen van de toelating van stoffen, de periodieke herbeoordeling van middelen en het inrichten van het werkprogramma extra capaciteit zullen vragen.

Het klopt dat het versnellen van toelating van (duurzamere) biocontrol stoffen extra capaciteit kost, de Commissie geeft aan dat dit een belangrijke reden is voor het voorstel dat zij doet, om capaciteit effectiever te kunnen inzetten om dit soort stoffen sneller op de Europese markt te krijgen. Daarnaast stelt de Commissie 15 extra FTE beschikbaar voor de EFSA. Ik sluit me aan bij de zorg van de auteurs dat mogelijk met het voorstel het nationaal herbeoordelen van middelen complexer wordt. Nederland zet zich daarom in dat de herbeoordeling van middelen synchroon blijft lopen met de herbeoordeling van werkzame stoffen, ook met het nieuwe systeem. Daarnaast wil ik, zoals ik ook eerder al in deze brief aangaf, erop wijzen dat het huidige systeem is vastgelopen en daarmee niet goed uitvoerbaar is.

De auteurs stellen dat de voorgestelde wijzigingen van het Omnibus voorstel ook betekent dat medeoverheden en andere actoren een grotere rol krijgen in het identificeren en agenderen van risico’s van gewasbeschermingsmiddelen na toelating. Ik herken niet direct deze rol voor medeoverheden die de auteurs schetsen, nu hebben deze medeoverheden geen zorgplicht zoals de auteurs beschrijven en dit wordt met dit voorstel ook niet beoogd. Nederland zet zich in voor een signaleringssysteem op Europees niveau. Tegelijkertijd herken ik wel de zorgen die medeoverheden richting mij uiten over de maatschappelijke opgaven van gewasbescherming. Dit wordt een punt waar in het Convenant gewasbescherming nadrukkelijk aandacht voor zal zijn en waar medeoverheden bij betrokken zullen worden.

Het klopt dat het nieuwe systeem tijd nodig zal hebben om geïmplementeerd te worden, het is mijn inzet dat de tijd die hiervoor nodig is op de lange termijn juist leidt tot een effectievere inzet van de beschikbare beoordelingscapaciteit.

Reactie op de aanbevelingen van de wetenschapstoets.

De auteurs doen een viertal aanbevelingen op basis van de uitgevoerde analyse:

  • 1. Behoud periodieke herbeoordeling voor alle stoffen.

    Appreciatie: Zoals eerder in de brief aangegeven, zie ik wel degelijk voordelen in een goed ingericht risicogestuurd herbeoordelingssysteem. Wel zal het mijn inzet zijn om voor specifieke groepen stoffen de periodieke herbeoordeling te behouden.

  • 2. Behoud het voorzorgsprincipe van het huidige systeem.

    Appreciatie: Het voorzorgsbeginsel wordt niet aangepast met het Omnibus voorstel (artikel 1(4) van de verordening (EG) 1107/2009). Het is voor mij ook een belangrijk punt dat dit behouden blijft, ik zal dan ook mij tegen voorstellen keren die het voorzorgsbeginsel willen aanpassen of verwijderen.

  • 3. Zet «Green lanes» in voor biocontrols

    Appreciatie: Hier wordt in het Omnibus voorstel invulling aan gegeven en dit is in Nederland ook al deels geïmplementeerd met het verduurzamingsloket en het green team bij het Ctgb. Ik ben het eens dat de definitie van biocontrol beter moet worden ingericht, hier zet ik mij in Europa voor in.

  • 4. Sta geen verlenging toe van «Grace periods»

    Appreciatie: Dit is in lijn met de Nederlandse positie, wel met de kanttekening dat, zoals eerder al aangegeven, deze maatregel van het Omnibus pakket maar een beperkte impact kent voor Nederland.

Ten algemene sluit de wetenschapstoets hiermee gedeeltelijk aan bij de Nederlandse inzet op dit Omnibus voorstel. Nederland zet zich in voor een verduidelijking en versterking van het voorgestelde risicogestuurde herbeoordelingssysteem. Daarnaast zet Nederland zich in voor een veilige en heldere definitie van biocontrol, zodat de voorgestelde voordelen alleen bij veilige werkzame stoffen terecht komen. Nederland is tegen de lex silencio positivo in de voorgestelde vorm en is ook kritisch over het voorgestelde verruimen van de respijttermijnen. Daarnaast is Nederland voorstander van het stimuleren van biocontrol en vindt het dan ook een goed idee om green lanes in te richten bij toelatingsautoriteiten.

Reactie op vragen GroenLinks-PvdA-fractie

Aanvullende reactie op vragen GroenLinks-PvdA-fractie van het schriftelijk overleg informele Landbouw- en Visserijraad 3–5 mei.

In de beantwoording van het schriftelijk overleg over de informele Landbouw- en Visserijraad heb ik aan de GroenLinks-PvdA-fractie toegezegd in deze brief een terugkoppeling te geven over het verloop van de onderhandelingen en de verwachte tijdlijn.

Op 16 december 2025 bracht de Europese Commissie dit Omnibus voorstel uit, vanaf dat moment is het wetgevingsproces in de Raad en het Europees Parlement begonnen. Voor de Raad verloopt dit proces via raadswerkgroepen (in dit geval de «AGS»-groep), dit zijn vergaderingen op ambtelijk niveau, waarbij over de tekst van een wetsvoorstel wordt vergaderd en onderhandeld. Het voorzitterschap (op dit moment Cyprus) heeft daarbij een belangrijke rol in het opstellen van nieuwe tekstvoorstellen op basis van de inbreng van lidstaten. Deze tekstvoorstellen kunnen in een volgende vergadering weer worden behandeld, dit is een iteratief proces dat geruime tijd kan duren. Specifiek voor dit Omnibus voorstel is op 12 januari de eerste behandeling geweest in de raadswerkgroep, waarbij de Commissie het voorstel heeft gepresenteerd en er ruimte was voor vragen. Na deze eerste vergadering heeft er ongeveer elke twee weken een vergadering over dit Omnibus voorstel plaatsgevonden, waarbij onderdelen van het voorstel zijn behandeld. Nadat Nederland op 6 februari jl. haar BNC-fiche heeft vastgesteld, heeft Nederland actief haar positie ingebracht tijdens deze raadswerkgroepen. Deze inzet is ook gebaseerd op de motie Podt & Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1771) en motie Den Hollander & Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744). Daarnaast heeft Nederland actief toenadering gezocht met verscheidene lidstaten om gemeenschappelijke posities te vinden op dit voorstel. De raadswerkgroepen lopen op dit moment nog steeds en bevinden zich, op een heel specifiek onderdeel van databeveiliging voor biociden na, nog niet in de besluitvormende fase. Mijn verwachting is dat voor de belangrijke onderdelen van dit Omnibus voorstel, waaronder het gewasbeschermingsgedeelte, besluitvorming pas onder het volgend voorzitterschap (Ierland) zal plaatsvinden. Besluitvorming zal plaatsvinden door stemming in het zogenaamde Coreper (een hoog-ambtelijk comité van de 27 lidstaten) of in de RAZ (Raad Algemene Zaken).

Daarnaast zou ik nog terugkomen op een aantal vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie omdat hiervoor nadere afstemming nodig was:

Vraag:

Hoe kijkt het kabinet naar het toelaten van pesticiden voor onbepaalde tijd, indien deze ten minste één stof bevatten die voor onbepaalde tijd is toegelaten? Kan het kabinet toelichten welke specifieke waarborgen zij bepleit bij onderhandelingen over dit punt? Zet het kabinet zich in voor het verkrijgen van de nationale bevoegdheid om middelen (uit voorzorg) terug te trekken zodra uit onderzoek blijkt dat er mogelijk onaanvaardbare risico’s zijn voor mens en milieu? Behoudt Nederland de bevoegdheid om deze middelen, die voor onbepaalde tijd zijn toegelaten, op eigen initiatief te herbeoordelen?

Antwoord:

Nederland behoudt de bevoegdheid om middelen op eigen initiatief te herbeoordelen. Artikel 44 van verordening (EG) 1107/2009 wordt met het Omnibus voorstel niet gewijzigd en het blijft daarmee voor lidstaten mogelijk om een toelating van een gewasbeschermingsmiddel te wijzigen of in te trekken. Ook voor werkzame stoffen die voor onbepaalde tijd zijn goedgekeurd zal overigens blijven gelden dat het gewasbeschermingsmiddel waar deze werkzame stof in zit eerst nog op nationaal niveau zal moeten worden beoordeeld en toegelaten.

Vraag:

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben aanvullende vragen over het recht om als lidstaat herbeoordeling aan te vragen voor mogelijk zorgwekkende stoffen die eerder zijn toegelaten. Deze leden vragen het kabinet om duidelijk te maken welke Nederlandse instantie(s) aan zet zijn om gezondheidsrisico’s te identificeren en signaleren, die aanleiding geven om stoffen in het Europese werkprogramma opnieuw te beoordelen. Hoe wordt dit toezicht nationaal georganiseerd en hoe verzekert het kabinet dat mogelijke risico’s blijvend en effectief worden gemonitord? Kan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) ook op eigen initiatief een herbeoordeling aanvragen voor een bepaalde stof? Aan welke criteria moet een in dat geval stof voldoen om ter worden herbeoordeeld?

Antwoord:

In het voorgestelde systeem hebben lidstaten inderdaad de mogelijkheid om herbeoordelingen te vragen van werkzame stoffen. Ik zet mij in Europa juist in om een dergelijk signaleringssysteem op Europees niveau te organiseren, in het kader van vereenvoudiging van regelgeving lijkt het mij van belang dat een dergelijk systeem voor heel Europa wordt ingericht en dat niet elk lidstaat dat apart doet. Formeel zal de mogelijkheid tot het vragen voor een herbeoordeling, zoals nu in artikel 18 voorzien, bij de lidstaat en dus het kabinet liggen, daarbij geadviseerd door het Ctgb. Een dergelijk verzoek is niet aan criteria gebonden. De Commissie heeft verschillende mogelijkheden: een tussentijdse herbeoordeling op grond van artikel 21; als er aanwijzingen zijn dat de stof niet meer voldoet aan de goedkeuringscriteria. Of de stof plaatsen op een werkprogramma voor volledige of gedeeltelijke herbeoordeling (artikel 18, resp. 18a van het voorstel).

Vraag:

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn bezorgd over de uitvoeringslasten van het omnibuspakket voor de Ctgb en de EFSA, die reeds kampen met grote achterstanden bij lopende beoordelingen. Hoe groot is de bestaande achterstand bij (her)beoordelingsprocedures? Kan het kabinet toelichten welke aanvullende capaciteit deze organisaties nodig zouden hebben om de bestaande vertragingen in te halen? Hebben deze organisaties of de EC hier een analyse van gemaakt? Hoe reageert het kabinet op de stelling van de EFSA-voorzitter, Nikolaus Kriz, die in een openbare dialoog op 15 april jongstleden aangaf dat het omnibuspakket geen oplossing zou bieden voor de opgebouwde vertragingen? Op welke wijze zou het omnibuspakket wél kunnen leiden tot het effectief versnellen van (her)beoordelingsprocedures, bijvoorbeeld door het standaardiseren en digitaliseren van bepaalde werkprocessen? Is de mogelijke efficiencywinst van zulke maatregelen al onderzocht en zo ja, welke winst er te behalen? Indien dit enkel te realiseren is met aanvullende middelen, zou dit dan betaald moeten worden met publieke middelen of door een bijdrage te vragen van de vervuilende industrie? Welke soort bekostiging bepleit het kabinet?

Antwoord:

Volgens het staff working document2 van de Europese Commissie bestond er in december 2025 een lijst van 210 werkzame stoffen die onderdeel zijn van een herbeoordelingsprocedure, in dit document is meer te lezen over dit onderwerp. Er bestaat geen overzicht van welke aanvullende capaciteit nodig is bij de EFSA en nationale toelatingsautoriteiten.

De opmerkingen van Nikolaus Kriz kloppen inderdaad in het specifieke geval van de huidige opgebouwde vertraging. Deze opgebouwde achterstand moet eerst worden weggewerkt, omdat de lopende herbeoordeling van deze stoffen eerst nog moet worden afgerond voordat zij een goedkeuring voor onbepaalde tijd kunnen krijgen. De beoogde efficientieslag met het nieuwe herbeoordelingssysteem zal dan ook pas na enkele jaren voelbaar zijn. Het is dus bij mijn weten niet zo dat de EFSA zich heeft uitgesproken tegen het Omnibus voorstel.

Er is geen recente analyse van mogelijke efficiencywinst van het standaardiseren en digitaliseren. Uiteraard is het altijd belangrijk om te kijken waar efficientieslagen te maken zijn, dat geldt zowel voor het huidige periodieke systeem als het voorgestelde risicogestuurde systeem. Dit zijn veranderingen die ongeacht het herbeoordelingssysteem moeten worden geïmplementeerd om met de tijd mee te gaan. Het is echter geen realistische gedachte dat alleen daarmee het vastgelopen herbeoordelingssysteem op gang kan worden geholpen. Het risicogestuurde systeem is, als het goed wordt ingericht, wel een structurele oplossing die dit kan doen.

Daarnaast worden er middelen ingezet vanuit de begroting LVVN, via amendement lid Podt, om de EFSA te ondersteunen in de beoordeling van nieuwe biocontrol stoffen.

Vraag:

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet met klem om adviezen en inzichten over de uitvoerbaarheid van maatregelen door zowel de Ctgb en de EFSA zwaar mee te laten wegen in de kabinetsinzet op dit punt. Als die niet beschikbaar zijn, vragen deze leden om hier indien mogelijk een zienswijze op te vragen bij zowel de Ctgb als de EFSA.

Antwoord:

Het Ctgb heeft een advies3 uitgebracht over het Omnibus voorstel op 23 januari 2026, dit advies heeft zwaar meegewogen in het kabinetstandpunt. EFSA heeft zover ik weet geen (schriftelijk) advies uitgebracht over het Omnibus voorstel.

De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens

Naar boven