Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 27858 nr. 747 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 27858 nr. 747 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 mei 2026
Met deze brief reageer ik op het verzoek van uw Kamer om een reactie op de brief die naar de Minister van LVVN is gestuurd door FNV. Dit verzoek heeft uw Kamer gedaan op 25 maart 2026. Aangezien deze brief over een onderwerp uit mijn portefeuille gaat, geef ik reactie in plaats van Minister van LVVN.
Allereerst wil ik graag benoemen dat veiligheid voor mens, dier en milieu voor mij van groot belang zijn als het gaat om het gebruik en toelating van gewasbeschermingsmiddelen en de werkzame stoffen van deze middelen. In de Nederlandse positie met betrekking tot het Omnibus-pakket komt dit ook prominent naar voren. Nederland is positief waar het regelgeving kan vereenvoudigen, maar wel met de belangrijke randvoorwaarde dat dit niet ten koste moet gaan van de veiligheid voor mens, dier en milieu. Alhoewel werknemers niet concreet worden uitgelicht in het Omnibuspakket, staat het buiten kijf dat ook zij een veilige werkomgeving moeten hebben. In de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen voor de mens wordt naast risico’s voor omstanders, omwonenden en consumenten (bij consumptiegewassen), ook nadrukkelijk rekening gehouden met toepassers en werkers. In regelgeving en wettelijke gebruiksvoorschriften bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bestaan dan ook nadrukkelijke regels waarmee gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen deze veilig kunnen toepassen. De brief van FNV kaart aan dat de vakbond grote problemen heeft met het Omnibus-pakket. Hieronder zal ik kort reageren op de oproepen van de FNV in de brief. De onderwerpen die FNV opbrengt, zijn in eerdere correspondentie met de Kamer uitvoerig aan bod gekomen (Kamerstuk 27 858, nr. 742 en Kamerstuk 22 112, nr. 4305).
Mijn uitgangspunt is dat een risicogestuurd beoordelingssysteem niet per definitie veiliger of minder veilig is in vergelijking met een periodiek beoordelingssysteem. Dit hangt af van hoe het systeem wordt ingericht. Tegelijkertijd wil ik er ook op wijzen dat het huidige (periodiek) herbeoordelingssysteem niet goed meer werkt en is vastgelopen waardoor de wachttijd voor nieuwe toelatingen en herbeoordelingen enorm toeneemt. Nederland steunt daarom een nieuw systeem als dit systeem voldoet aan duidelijke en veilige randvoorwaarden. Een risicogestuurd systeem biedt de mogelijkheid om capaciteit flexibeler in te zetten, aangezien er geen rekening meer met periodieke herbeoordelingen hoeft te worden gehouden. Door een risicogestuurd systeem is het ook mogelijk dat een (her)beoordeling eerder plaatsvindt dan binnen het huidige systeem. Er kan namelijk sneller worden gereageerd op wetenschappelijke inzichten en maatschappelijke zorgen. Met het risicogestuurde systeem blijft de bewijslast voor herbeoordelingen en toelatingen nog steeds bij de aanvrager liggen, dit verandert niet met het voorliggende voorstel. Daarom ben ik het niet eens met de uitspraak van FNV dat dit wel zo zou zijn.
Wat over het onderwerp respijtperioden in de brief van FNV is opgenomen ligt genuanceerd. Het instellen van respijtperioden is een nationale competentie, net als het instellen van de lengte van deze perioden. In Nederland besluit het Ctgb, de aangewezen toelatingsautoriteit, over het instellen van respijtperioden, waarbij nadrukkelijk de risico’s voor mens, dier en milieu mee worden gewogen1. Mocht een stof risicovol worden bevonden dan kan het Ctgb besluiten om geen respijtperiode in te stellen of een heel beperkte. Nederland is kritisch op het voorstel over respijttermijnen in het Omnibus-pakket en vindt het onnodig dat deze respijtperioden worden verlengd, tegelijkertijd zal de impact van deze maatregel in Nederland zeer beperkt zijn vanwege de bevoegdheid die het Ctgb daarvoor heeft.
De oproep van FNV met betrekking tot het gebruiken van nieuwe wetenschappelijke inzichten bij goedkeuringen, lijkt gebaseerd op de eerder gelekte conceptversie van het Omnibus-voorstel. In de gelekte versie werd de indruk gewekt dat er bij nationale beoordelingen geen nieuwe wetenschappelijke informatie mocht worden gebruikt. In het definitieve voorstel is verduidelijkt dat lidstaten de Europese Commissie kunnen vragen een actualisatie te geven aan de toelating van een werkzame stof als er nieuwe informatie is, zodat een lidstaat met de nieuwe stand van zaken kan beoordelen. Verder is in het definitieve voorstel opgenomen dat lidstaten aanvragen kunnen doen om nieuwe wetenschappelijke informatie mee te nemen in de programmering van het werkprogramma, onder het nieuwe artikel 18 en 18a van het voorstel. Dit nieuwe werkprogramma leent zich juist goed voor het meenemen van nieuwe wetenschappelijke informatie, aangezien dit nieuwe systeem flexibeler is en hier sneller op kan reageren. Aanvullend kunnen lidstaten te allen tijde toelatingen van middelen intrekken of aanpassen onder de voorwaarden van artikel 44 van verordening (EG) 1107/2009, dit wordt niet gewijzigd.
Voor de Omnibus-voorstellen presenteert de Europese Commissie (EC) geen impact assessments. De EC geeft als reden dat het gaat om urgente aanpassingen van politiek belang, die te veel vertraging zouden oplopen als er een volledig impact assessment moet worden uitgevoerd. Er is voor dit Omnibus voorstel door de EC wel een publieke consultatie uitgevoerd en er is een werkdocument opgesteld dat de onderbouwing geeft voor het voorstel. Het nemen van een behandelingsvoorbehoud zou ten koste gaan van de onderhandelingspositie van Nederland. Omdat de EC niet voor Nederland een impact assessment zal uitvoeren zou een behandelingsvoorbehoud, zoals de FNV voorstelt, Nederland politiek buitenspel zetten in de Europese discussie. Hierdoor kunnen belangrijke punten voor Nederland potentieel niet worden meegenomen en dat zou wat mij betreft zeer onwenselijk zijn.
Het vereenvoudigen van regelgeving is voor dit kabinet een speerpunt, in Nederland en in Europa. Het kabinet onderschrijft in het regeerakkoord het Omnibus-principe en benadrukt het belang om onnodige regeldruk te verlagen om Nederland en Europa competitiever te maken in deze tijden van geopolitieke onrust. Zoals eerder in deze brief aangegeven, is daarvoor wel het uitgangspunt dat dit niet ten koste moet gaan voor de veiligheid voor mens, dier en milieu. Het vereenvoudigen van dit Omnibus pakket kan bijvoorbeeld bijdragen aan een snellere transitie naar laagrisicomiddelen en biocontrol, wat in mijn ogen een positieve transitie is. Ik blijf mij daarom in Brussel inzetten voor een veilig en goed afgewogen compromis van het Omnibus pakket.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Beleidsregel van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden van inzake de respijttermijnen voor gewasbeschermingsmiddelen Staatscourant 2025, 44463 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen
Beleidsregel van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden van inzake de respijttermijnen voor gewasbeschermingsmiddelen Staatscourant 2025, 44463 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27858-747.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.