Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201827858 nr. 433

27 858 Gewasbeschermingsbeleid

Nr. 433 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR MEDISCHE ZORG

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 juli 2018

Op 7 november jongstleden heb ik met uw Kamer van gedachten gewisseld over de aanwezigheid van verschillende residuen van gewasbeschermingsmiddelen in de voeding, in het bijzonder op aardbeien. In mijn brief van 11 december 20171 heb ik u een onderzoek toegezegd. Hierbij meld ik u de resultaten van dit onderzoek. Twee vragen worden beantwoord:

  • is de dagelijkse voeding in Nederland veilig, gelet op de op producten aanwezige residuen van gewasbeschermingsmiddelen met mogelijk dezelfde werking?

  • zijn in Nederland verkochte aardbeien veilig, ook als daarop verschillende residuen worden aangetroffen?

Residuen in de dagelijkse voeding in Nederland

Voor het verkrijgen van een antwoord op de eerste vraag heb ik het RIVM gevraagd berekeningen te maken van de cumulatieve blootstelling van de Nederlandse bevolking aan gewasbeschermingsmiddelen. Aangezien de effecten sterk kunnen verschillen voor verschillende organen moet hierbij naar de effecten op individuele organen worden gekeken. Het RIVM heeft dit gedaan voor de blootstelling aan stoffen met twee verschillende effecten op het centraal zenuwstelsel en twee verschillende effecten op de schildklier. Dit zijn de effecten waarvoor EFSA inmiddels in kaart heeft gebracht welke stoffen deze effecten kunnen veroorzaken. EFSA heeft in haar werk het centraal zenuwstelsel en de schildklier als eerste uitgewerkt, omdat voor die organen het hoogste risico werd verwacht.

De resultaten van deze blootstellingschattingen staan in bijgaand RIVM-rapport «Cumulative exposure to residues of plant protection products via food in the Netherlands»2.

Het RIVM is bij de berekening uitgegaan van in Nederland op producten voorkomende residuen van gewasbeschermingsmiddelen (monitoringsresultaten periode 2014 t/m 2016) en van Nederlandse voedingspatronen. De cijfers geven dus een beeld van de blootstelling van de bevolking in de jaren 2014 tot en met 2016. Er is daarbij gekozen voor het uitsplitsen van de resultaten voor vier leeftijdsgroepen:

  • kinderen van twee t/m zes jaar;

  • jeugd van zeven t/m zeventien jaar;

  • volwassen van 18 t/m 69 jaar; en

  • ouderen van 70 jaar en ouder.

Er is naar groepen van soortgelijke stoffen gekeken. Voor drie van de onderzochte stofgroepen blijkt de blootstelling voor alle leeftijdsgroepen ruim onder de gezondheidskundige grenswaarde te blijven. De gezondheidskundige grenswaarde ligt honderd keer lager dan de hoeveelheid waar bij proefdieren geen nadelig effect is waargenomen.3 Wanneer deze grenswaarde wordt overschreden is actie gewenst om deze marge van honderd te herstellen. Dit kan door maatregelen te nemen om de blootstelling te verlagen.

Voor één van de stofgroepen ligt de blootstelling van kinderen van 2 t/m 6 jaar in de buurt van de gezondheidskundige grenswaarde. Bij deze groep kinderen wordt de cumulatieve blootstelling vooral bepaald door één stof, te weten pirimicarb. Voor pirimicarb is de maximale residunorm sinds augustus 2016 verlaagd. Verwacht wordt dat deze genomen maatregel zal leiden tot aanpassingen in het gebruik, waardoor de gevonden blootstellingsgehalten zullen afnemen.

Ik heb het RIVM gevraagd te schatten welke blootstelling te verwachten is nu de wetgeving voor pirimicarb is aangepast. Ook zal ik het RIVM vragen om, zodra de monitoringgegevens van residuen op producten van 2017 en 2018 beschikbaar zijn, de cumulatieve blootstelling opnieuw te berekenen.

Conclusie op basis van het onderzoek naar cumulatieve blootstelling

Ik concludeer dat onze voeding voldoende veilig is, ook als we door het eten van producten met gelijke en/of verschillende residuen worden blootgesteld aan stoffen met een gelijk effect. Wat de cumulatieve effecten betreft geldt deze conclusie alleen voor de blootstelling aan de vier onderzochte stofgroepen. Voor andere stofgroepen kan pas een uitspraak worden gedaan als de effecten op andere organen dan het centraal zenuwstelsel en de schildklier zijn vastgesteld. Ik zal ook die cumulatieve blootstelling in beeld laten brengen zodra ook deze stofgroepen door EFSA zijn vastgesteld.

Aardbeien met verschillende residuen

Het RIVM heeft op mijn verzoek een globale berekening gemaakt van alle gevallen waarin de NVWA verschillende residuen op aardbeien heeft aangetroffen. Een cumulatieve berekening – optelling per groep stoffen met hetzelfde effect – is voor de meeste stoffen die op aardbeien worden gebruikt nog niet mogelijk. Daarom heb ik het RIVM gevraagd de aardbeien geïsoleerd van de overige gegeten voeding te beoordelen en de aangetroffen stoffen te sommeren alsof die allemaal dezelfde werking zouden hebben.

Ook in deze beperkte berekening is uitgegaan van de monitoringsgegevens van residuen op producten over de jaren 2014 t/m 2016, in totaal circa tweehonderd monsters aardbeien. Per monster werd voor elke aangetroffen stof de ingeschatte inname bij de consumptie van een grote portie4 uitgedrukt in percentage van de gezondheidskundige grenswaarde. Van alle aangetroffen stoffen werden deze percentages opgeteld. In één geval lagen de opgetelde percentages boven de honderd procent, duidend op een overschrijding van een hypothetische gezondheidskundige grenswaarde5; alle andere lagen daar ruim onder. De stof iprodion, die verantwoordelijk was voor de overschrijding is recent verboden.

Op basis van deze informatie concludeer ik dat aardbeien, wanneer deze los van het overige dagmenu worden beoordeeld, aan de gezondheidskundige grenswaarden voldoen. Of dit ook geldt in samenhang met de rest van de dagelijkse voeding, moet uit onderzoek blijken als de methode voor het berekenen van cumulatieve blootstelling volledig is uitgewerkt.

Conclusie en vervolgacties

In dit onderzoek is de blootstelling beoordeeld aan stoffen die een werking hebben op de schildklier en op het centraal zenuwstelsel. De resultaten geven aan dat voor de onderzochte stoffen de «klassieke» methode van beoordeling per stof bevredigend werkt en niet heeft geleid tot over het hoofd zien van zorgelijke combinatierisico’s. De blootstelling ligt in de meeste gevallen ruim onder de gezondheidskundige grenswaarde. Als aardbeien geïsoleerd van de overige voeding worden beoordeeld, blijkt de consumptie hiervan ook niet tot overschrijding van de gezondheidskundige grenswaarden te leiden.

Zodra de monitoringsresultaten van residuen op producten over 2017 en 2018 beschikbaar zijn zal ik de berekeningen opnieuw laten uitvoeren, om te zien of de blootstelling inderdaad binnen de veiligheidsmarges blijft.

Tenslotte heb ik EFSA en het RIVM gevraagd aandacht te geven aan een goede communicatie over de veiligheid van het voedsel, als het om residuen gaat. Deze communicatie moet op orde zijn, niet alleen als zich een probleem met een bepaald middel aandient. Ook heb ik hen gevraagd prioriteit te blijven geven aan de ontwikkeling van de systematiek voor de cumulatieve blootstelling. Naar verwachting komt de uitwerking voor die andere orgaansystemen in de periode 2019–2023 beschikbaar. Zodra zich hierover nieuwe ontwikkelingen voordoen, zal ik u daarover informeren.

De Minister voor Medische Zorg, B.J. Bruins


X Noot
1

Kamerstuk 27 858, nr. 345. De aanleiding was een bericht in Trouw van 4 november 2017, zie https://www.trouw.nl/home/aardbeien-zes-keer-giftiger-dan-ander-fruit-door-cocktaileffect-~a091bd90/.

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

X Noot
3

Deze veiligheidsmarge van 100 leidt wel tot discussies dat de normen onrealistisch laag zijn en dat zonder enig gezondheidseffect tientallen kilo’s van een voedingsmiddel dat de norm overschrijdt gegeten zouden kunnen worden. Hierbij gaat men echter voorbij aan een wenselijke veiligheidsmarge voor een mogelijke hogere gevoeligheid van de mens en effecten op de langere termijn.

X Noot
4

In het geval van aardbeien is een «grote portie» 16 gram per kilo lichaamsgewicht; dit betekent 1 kg aardbeien voor een volwassene van 70 kilo en 240 gram voor een kind van 15 kilo.

X Noot
5

Deze fictieve gezondheidskundige grenswaarde is een «worst-case waarde», die globaal zou gelden als alle gevonden middelen dezelfde werking zouden hebben en dus terecht worden opgeteld.