Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200227858 nr. 19

27 858
Gewasbeschermingsbeleid

nr. 19
AANVULLENDE LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 8 november 2001

De vaste commissies voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij1 en voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer2 hebben een aantal vragen voorgelegd aan de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over de nota «Zicht op gezonde teelt» (27 858, nrs. 1 en 2).

Deze vragen en de daarop gegeven antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Ter Veer

De voorzitter van de commissie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Th. A. M. Meijer

De griffier voor deze lijst,

Brandsema

1

In de persoonlijke brief van de heer Alders aan de Tweede Kamer d.d. 23 oktober jl. doet hij enkele aanbevelingen, te weten:

1) het onderzoeken op haalbaarheid van drie met name genoemde punten om de ontstane impasse te doorbreken;

2) aansluiten bij de Europese aanpak enerzijds en anderzijds uitgaan van een risicobenadering, rekeninghoudend met specifieke omstandigheden en belangen.

Ziet de regering mogelijkheden deze punten om te zetten in wetgeving? En hoe lang denkt zij hier voor nodig te hebben totdat deze wetgeving in werking kan treden? Wil de regering inhoudelijk reageren op deze brief?

In reactie op de brief van de heer Alders wijs ik op de herprioritering van het beoordelingsprogramma van het CTB. Hierbij worden middelen die gebaseerd zijn op bestaande werkzame stoffen en die naar het oordeel van het CTB potentieel kritisch zijn voor mens en milieu, beoordeeld wanneer de einddatum van de toelatingstermijn in zicht komt. Het betreft gewasbeschermingsmiddelen gebaseerd op 19 stoffen op de zgn. A-lijst van het CTB. Voor de overige gewasbeschermingsmiddelen, die gebaseerd zijn op ca. 200 werkzame stoffen op de B- en C-lijst, volgt het CTB het tempo van de Europese beoordeling en besluitvorming. Wanneer er weer beoordelingscapaciteit bij het CTB beschikbaar komt (naar verwachting in 2004), zal begonnen worden met de beoordeling van de stoffen op de B-lijst (30 werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen). Concluderend kan gesteld worden dat het beoordelingsprogramma van het CTB reeds grotendeels is afgestemd op het tempo van Europese beoordeling en besluitvorming.

Met betrekking tot de aanbeveling de herprioritering van het beoordelingsprogramma door het CTB met grote spoed juridisch zeker te stellen merk ik op dat naar het oordeel van de regering een afdoende juridische basis voor de herprioritering bestaat. Tijdens de heropening van het debat over de implementatie van de Biocidenrichtlijn in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 op 6 november jl. is overigens een amendement ingediend met betrekking tot de expliciete wettelijke verankering van de herprioritering van het CTB.

Met betrekking tot de aanbeveling de toelating van middelen op basis van nieuwe, innovatieve stoffen te versnellen, merk ik het volgende op. Op dit moment ben ik in overleg met Nefyto en CTB om de knelpunten bij de toelating van middelen op basis van nieuwe werkzame stoffen te analyseren, en te bezien in hoeverre deze knelpunten opgelost kunnen worden. Opgemerkt zij dat de nadruk bij deze analyse ligt op het verkennen van de mogelijkheden binnen de kaders van het bestaande toelatingsbeleid. Het verdient immers de voorkeur om op zo kort mogelijke termijn de toelating van middelen op basis van nieuwe stoffen te versnellen. De resultaten van deze analyse worden besproken in een bestuurlijk overleg op 8 november a.s. Vervolgens zal de regering de Tweede Kamer hierover zo spoedig mogelijk informeren.

Tot slot zij naar aanleiding van de brief van de heer Alders opgemerkt dat een wetswijziging die het mogelijk moet maken dat zogenaamde uitbreidingstoelatingen eenvoudiger kunnen worden gerealiseerd thans in voorbereiding is. Naar verwachting zal dit wetsvoorstel spoedig in de ministerraad kunnen worden behandeld en aan de Raad van State voor advies worden voorgelegd.

2

Wil de regering een analyse geven van geïntegreerde teeltsystemen die thans worden toegepast en wil zij daarbij aangeven waarom deze thans vastlopen?

Onlangs is een onderzoek gestart naar mogelijke knelpunten bij de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming. De resultaten zal ik u zo spoedig mogelijk mededelen.

3

Welke rol zal de rijksoverheid hebben bij het tot stand komen en de uitvoering van de beoogde certificering?

De eisen waaraan telers in het beoogde certificeringsstelsel zullen moeten voldoen, zullen zijn gebaseerd op certificatieschema's die worden vastgesteld door een college van deskundigen. Het college zal die schema's dienen uit te werken binnen door de overheid te stellen randvoorwaarden. De overheid zal vervolgens toetsen of de voorgestelde schema's in overeenstemming zijn daarmee. Nog nader zal worden uitgewerkt welke informatie overheid en certificerende instelling zullen uitwisselen. Dit betreft ook de informatieuitwisseling over de controle en het toezicht.

4

Nu harmonisering in de Europese Unie wordt uitgesteld tot tenminste 2008, is de regering bereid haar beleid ten aanzien van toelating van bestrijdingsmiddelen over de volle breedte te herzien?

Vanaf 2001 wordt bij de uitvoering van het nationale toelatingsbeleid voor het overgrote deel van de gewasbeschermingsmiddelen aangesloten bij het tempo van het Europese beoordelingstraject. De herprioritering van het beoordelingsprogramma van het CTB is in dit kader van belang. Ik verwijs u hierbij verder naar het antwoord op vraag 1.

5

Hoe denkt de regering certificering af te dwingen in een markt waarin 70% van de Nederlandse levensmiddelenmarkt door slechts vier grote retailers, en de groente- en fruitmarkt door overwegend één grote organisatie wordt beheerst? Past dit bij de MDW-operatie van de regering?

Aangezien het concept van geïntegreerde gewasbescherming op gecertificeerde bedrijven de volle steun heeft van het landbouwbedrijfsleven is naar het oordeel van de regering geen sprake van dwang om zich te laten certificeren.

De regering onderkent dat aan certificering administratieve lasten zijn verbonden voor de telers. Gezien de instemming van de landbouwsector met het concept, acht de regering invoering van het certificeringsstelsel echter niet in strijd met de MDW-operatie.

Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 heeft de overheid enige bemoeienis met de uitwerking van het certificeringsstelsel. Die bemoeienis acht zij noodzakelijk om het proces naar een duurzame wijze van produceren te versnellen en te waarborgen dat de milieubelasting door chemische gewasbeschermingsmiddelen binnen afzienbare tijd tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggedrongen. De evaluatie van het Meerjarenprogramma gewasbescherming steunt de regering in de opvatting dat in deze niet volledig op marktwerking kan worden vertrouwd. Mede gezien het belang dat met het beoogde doel is gediend acht de regering deze bemoeienis niet in strijd met de MDW-operatie.

6

Welke consequenties heeft uitstel van harmonisatie van het gewasbeschermingsbeleid tot 2008 voor het Nederlandse gewasbeschermingsbeleid, voor het toelatingsbeleid, voor het landbouwbedrijfsleven, voor de fabrikant en voor de Nederlandse wetgeving?

Als gevolg van het in de jaren negentig ingezette toelatingsbeleid, dat mede gebaseerd was op de Bestuursovereenkomst MJP-G en is vastgelegd in regelgeving, zijn de afgelopen jaren milieukritische middelen komen te vervallen. Nederland kent daardoor, net als een aantal andere lidstaten die eenzelfde beleid hebben gevoerd, een verkleind middelenpakket. De meeste lidstaten hebben er voor gekozen de Europese harmonisatie af te wachten. Zij beschikken door het uitstel van de harmonisatie nu langer over een wat omvangrijker middelenpakket.

Door de herprioritering van het beoordelingsprogramma voor bestaande gewasbeschermingsmiddelen volgt het CTB bij de uitvoering van het nationale toelatingsbeleid momenteel het tempo van de Europese beoordeling en besluitvorming, met uitzondering van de 19 stoffen op de A-lijst. Uitstel van de harmonisatie houdt in dat voor een deel van deze stoffen er een langere periode zit tussen de Nederlandse en Europese beoordeling.

De gevolgen voor de fabrikanten zijn dat zij langer de tijd hebben voor de vulling van de dossiers ten behoeve van de Europese beoordeling.

Omdat de datum van 25 juli 2003 in de richtlijn zal worden gewijzigd tot eind 2008, zal ook de bestrijdingsmiddelenregelgeving hierop aangepast moeten worden. Artikel 23 van de wet voorziet reeds in een algemene maatregel van bestuur om in die situatie te voorzien. Deze algemene maatregel van bestuur zal in 2002 in procedure worden gebracht.

7

Kan gegarandeerd worden dat in 2008 het gewasbeschermingsbeleid geharmoniseerd is?

In het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de beoordeling van de werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen (COM(2001)444) geeft de Commissie aan dat 2008 een waarschijnlijker einddatum is waarop de Europese beoordeling zal zijn afgerond. Of deze einddatum wordt gehaald hangt af van het verder aanpassen van de beoordelings- en besluitvormingsprocedures, voldoende capaciteit en financiële middelen en of alle belanghebbenden zich aan de wettelijke termijnen houden.

Nadat de EU een werkzame stof voor tenminste één toepassing positief heeft beoordeeld en op bijlage I van de richtlijn heeft geplaatst, dienen de lidstaten vervolgens binnen een periode van maximaal 4 jaar alle toegelaten gewasbeschermingsmiddelen op basis van deze werkzame stof met alle bijbehorende toepassingen te beoordelen aan de Europese toelatingscriteria. Alles in ogenschouw nemend zou omstreeks 2012 sprake kunnen zijn van een situatie, waarbij de gewasbeschermingsmiddelen zijn beoordeeld aan de Europese toelatingscriteria. Overigens kunnen ook na de Europese harmonisatie verschillen in omstandigheden leiden tot afwijkende toelatingsbesluiten tussen lidstaten.

8

Klopt het dat na juli 2003, wanneer de fabrikanten de dossiers voor herbeoordelen van stoffen in Brussel ingeleverd moeten hebben, zo'n 500 stoffen van de lijst verdwijnen? Waarom? Wat zijn de consequenties hiervan voor de toelating van middelen in Nederland? Kan aangegeven worden om welke stoffen het gaat?

Ja. In eerdergenoemd verslag geeft de Commissie aan dat circa 500 werkzame stoffen in de EU na 25 juli 2003 niet meer verkrijgbaar zullen zijn. Deze stoffen vervallen omdat

1. de stoffen negatief door de EU zijn beoordeeld. De toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen op basis van deze stoffen moeten door alle lidstaten worden ingetrokken. Tot nu toe heeft dit nauwelijks gevolgen voor Nederland omdat de meeste toelatingen hier al waren vervallen.

2. de fabrikanten ervoor hebben gekozen dat zij deze stoffen niet zullen verdedigen en hiervoor geen onderzoeksdossiers zullen indienen

3. de ingediende dossiers bij de volledigheidscontrole niet compleet blijken te zijn op de vastgelegde termijn.

Voor acht stoffen met landbouwkundige toelatingen in Nederland, die niet worden verdedigd door de fabrikanten en bijgevolg in juli 2003 zullen komen te vervallen, heeft Nederland op 15 oktober jl. aan de Commissie meegedeeld dat het onder bepaalde voorwaarden gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor tijdelijke maatregelen voor essentiële toepassingen van middelen op basis van deze stoffen. Dit omdat uit een analyse van het CTB, de Plantenziektenkundige Dienst en LTO Nederland was gebleken dat er nog geen doeltreffend landbouwkundig alternatief is voor deze acht stoffen en er geen aanwijzingen zijn dat voor de betreffende toepassingen van middelen op basis van deze acht stoffen en het CTB positief over de toelating heeft geoordeeld. Het gaat om de volgende stoffen: chloorfenvinfos, azaconazool, flucycloxuron, metoxuron, kwaternaire ammoniumverbindingen, natrium-P-tolueensulfonchlooramide, zilvernitraat en natriumhypochloriet.

9

Welk standpunt heeft de Nederlandse regering bepleit toen bekend werd dat harmonisatie in 2003 niet haalbaar bleek? Wanneer is dit gebeurd en door wie? Wat hebben de overige lidstaten bepleit? Welke reactie is vervolgens van de zijde van de Commissie vernomen?

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft tijdens de Raad van Landbouwministers in november 2000 en recent in de Raad van oktober jl. een interventie geplaatst waarin hij heeft aangedrongen op een versnelling van de harmonisatie van het toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen. Hierbij heeft Nederland bij de Europese Commissie aangedrongen op vroegtijdige anticipatie op de verwachte sterke toename van het aantal dossiers waarover de komende jaren besluiten dienen te worden genomen en op uitbreiding van de personele capaciteit. De Nederlandse interventie werd breed ondersteund door de overige lidstaten. De Commissie is voornemens om de capaciteit binnen haar eigen diensten en bij de Europese Voedselautoriteit uit te breiden om verdere vertraging van de Europese harmonisatie te voorkomen.

Nederland heeft verder er bij de Commissie op aangedrongen om de meest schadelijke stoffen zo snel mogelijk te harmoniseren.

10

Heeft de Nederlandse regering nog andere stappen ondernomen in internationaal verband na de bekendmaking dat harmonisatie in 2003 niet haalbaar is?

Zie antwoord op vraag 9.

11

Heeft de Europese Commissie of het Europees Parlement het voornemen om richtlijn 91/414 te wijzigen? Zo ja, waarom? Welke wijzigingen liggen in het verschiet? Wanneer zal naar verwachting de richtlijn aangepast zijn?

Ja. Een wijziging van de richtlijn is onder andere nodig om de einddatum, waarop de beoordeling van bestaande werkzame stoffen moet zijn afgerond, te wijzigen van 26 juli 2003 naar eind 2008. Daarnaast zal de Commissie in de richtlijn de in juli 2003 aflopende termijn verlengen tot naar verwachting 2007 voor enkele specifieke stoffen met landbouwkundig essentiële toepassingen die niet meer verdedigd worden en die voldoen aan vastgestelde criteria. Verder heeft de Commissie voorgesteld om het principe van de alternatieventoets in de richtlijn op te nemen. Hierover is de discussie nog gaande. Tenslotte heeft de Commissie een aantal technische wijzigingen van de richtlijn voorgesteld.

De Commissie zal in afwachting van de reacties van het Europees Parlement en de Raad op het verslag over de uitvoering van de richtlijn, in 2002 concrete wijzigingsvoorstellen indienen. Naar verwachting zal een gewijzigde richtlijn uiterlijk in juni 2003 zijn vastgesteld.

12

Klopt het dat lidstaten hun toelatingsbeleid afstemmen op Europese harmonisatie? Welke zijn dat?

De meeste lidstaten volgen het tempo van de Europese beoordeling en besluitvorming over werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen. Behalve Nederland voeren Duitsland en Engeland, onafhankelijk van de Brusselse agenda, integraal of op onderdelen (residu), een vervroegde herbeoordeling uit. Deze lidstaten hanteren daarbij de Europese toelatingseisen.

13

Heeft de regering inmiddels onderzoek gedaan naar de opgebruik- en aflevertermijnen die in de overige lidstaten gangbaar zijn? Kan de Kamer dit eerder beloofde onderzoek nog vóór 17 november tegemoet zien?

De regering heeft geïnventariseerd wat het beleid met betrekking tot het stellen van aflever- en opgebruiktermijnen is in een aantal lidstaten. Zoals in de brief van 19 september jl. (TK 2001–2002, 27 858, nr. 6) is aangegeven biedt artikel 4, lid 6 van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn alleen bij een tussentijdse intrekking van een toelating de lidstaten expliciet de mogelijkheid tot het stellen van een aflever- en opgebruiktermijn. Deze termijnen dienen in verhouding te staan tot de reden van de intrekking.

De noordelijke lidstaten (Denemarken, Zweden, Finland) hebben begin jaren negentig op basis van nationaal beleid en vóór de implementatie van de richtlijn in de nationale wetgeving, de toelating van een groot aantal kritische gewasbeschermingsmiddelen beëindigd. Thans lopen zij in de pas met het Europese beoordelingstraject en passen zij de geharmoniseerde werkwijze toe nadat een werkzame stof negatief door de EU beoordeeld is. Deze werkwijze, die gebaseerd is op een besluit van de Commissie en geen situatie is die vermeld is in artikel 4, lid 6 van de richtlijn, is op hoofdlijnen als volgt. Wanneer de EU besloten heeft een werkzame stof niet op bijlage I van de richtlijn te plaatsen, moeten de lidstaten binnen zes maanden na het van kracht worden van dit besluit alle toelatingen die gebaseerd zijn op deze stof intrekken, waarbij een opgebruiktermijn van maximaal één jaar gesteld kan worden.

Duitsland past sinds de implementatie van de richtlijn in de nationale wetgeving in 1998 voor alle werkzame stoffen de Europese regels toe. Gewasbeschermings-middelen worden in principe voor een periode van tien jaar toegelaten. Als aan het einde van de toelatingstermijn de toelatinghouder niet meer geïnteresseerd is in een verlenging van de toelating, gaat Duitsland ruimer om met de Europese regels voor afleveren opgebruiktermijnen. Wanneer er namelijk tijdens de looptijd van de toelating van het middel geen problemen zijn gesignaleerd op het terrein van milieu, arbeidsomstandigheden en volksgezondheid, wordt er een opgebruiktermijn vastgesteld van maximaal twee jaar. Deze werkwijze is overigens genotificeerd bij de Europese Commissie.

Als in Duitsland een herbeoordeling (tussentijds of aan het eind van de toelatingstermijn) leidt tot het vervallen van een toelating, dan wordt er geen aflever- of opgebruiktermijn gesteld. Artikel 4, lid 6 van de richtlijn biedt de mogelijkheid om bij een tussentijdse intrekking van de toelating een uitverkoop- en opgebruiktermijn vast te stellen, maar daar maakt Duitsland geen gebruik van.

Engeland laat gewasbeschermingsmiddelen op basis van bestaande werkzame stoffen, die nog niet door de EU zijn beoordeeld, in principe voor een onbeperkte periode toe. De toelatingen worden wel periodiek herbeoordeeld. Dan moet aanvullende informatie geleverd worden. De toelatingen lopen gewoon door. Bij negatieve informatie over een middel of stof wordt de toelating ingetrokken. Hierbij geeft Engeland opgebruiktermijnen van meestal twee teeltseizoenen. Dit geldt ook voor milieukritische middelen. Omdat het gaat om tussentijdse intrekkingen van bestaande toelatingen is dit een situatie zoals weergegeven is in artikel 4, lid 6 van de richtlijn.

België verzoekt bij het in beeld komen van de einddatum van de toelatingstermijn van tien jaar, de toelatinghouder om aanvullende informatie. De toelatinghouder heeft daarbij de mogelijkheid om aan te geven dat hij alleen een verlenging van de toelating wenst voor een beperkte periode van uitverkoop en opgebruik van een middel. Een dergelijke verlenging wordt op verzoek verleend op basis van minimale aanvullende informatie en een minimale inhoudelijke beoordeling. Strikt genomen kent België geen beleid voor aflever- en opgebruiktermijnen volgens artikel 4, lid 6 van de richtlijn. In plaats daarvan verleent België een tijdelijke verlenging van de toelating, waarbij gebruik wordt gemaakt van de overgangsbepaling van de richtlijn (artikel 8, lid 2) waarin de mogelijkheid is opgenomen om nationale eisen toe te passen zolang de Europese beoordeling van een stof nog niet is afgerond.

De zuidelijke lidstaten lopen volledig in de pas met het Europese beoordelingstraject. Een nationaal beleid voor aflever- en opgebruiktermijnen is voor deze lidstaten niet aan de orde.

14

Kunnen onder de huidige omstandigheden, met de huidige regelgeving, Nederlandse middelen en toepassingen voorlopig worden toegelaten in afwachting van de Europese beoordeling? Hoe doen de andere lidstaten dit? Is daarvoor in Nederland wetswijziging nodig? Zo ja, wanneer zal de regering een voorstel tot wetswijziging aan de Kamer voorleggen?

De Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn biedt de mogelijkheid dat – op aanvraag – alleen voor nieuwe werkzame stoffen, waarvan het dossier door de Commissie volledig is verklaard, voorlopige toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen van deze stoffen kunnen worden afgegeven voor een periode van drie jaar. In deze periode wordt de werkzame stof door de EU beoordeeld voor plaatsing op bijlage I van de richtlijn. Na plaatsing van de nieuwe stof op bijlage I van de richtlijn, moet de lidstaat op basis van een nieuwe toelatingsaanvraag een middel van deze stof integraal beoordelen aan de Europese toelatingscriteria. Deze bepaling is opgenomen in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

Voor gewasbeschermingsmiddelen op basis van bestaande werkzame stoffen kent de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en de Gewasbeschermingsmiddelen-richtlijn niet de mogelijkheid van voorlopige toelatingen. In Nederland volgt het CTB vanaf begin dit jaar de werkwijze zoals neergelegd in de herprioritering (zie verder het antwoord op vraag 1).

De meeste overige lidstaten volgen in het toelatingsbeleid voor bestaande middelen het tempo van de Europese beoordeling en besluitvorming over bestaande werkzame stoffen. Zij hebben de toelatingstermijnen van de gewasbeschermingsmiddelen in lijn gebracht met de Europese beoordelingsagenda. Behalve Nederland voeren Duitsland en Engeland, onafhankelijk van de Brusselse agenda, integraal of op onderdelen (residu), een vervroegde herbeoordeling uit (zie ook antwoord op vraag 12).

15

Is voor vereenvoudiging van toelatingsprocedures, bijvoorbeeld voor biologische middelen of gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong, in Nederland wetswijziging nodig? Zo ja, wanneer zal de regering een dergelijk voorstel tot wetswijziging aan de Kamer voorleggen?

Nee. Het CTB voert reeds een beleid waarbij voor bepaalde categorieën biologische middelen (zoals micro-organismen, feromonen, plantversterkers), wanneer hiervoor een aanvraag is ingediend, vereenvoudigde dossiereisen toegepast worden. Ook mag de aanvrager gemotiveerd afwijken van bepaalde dossiereisen bij middelen met een laag risicoprofiel.

16

Is voor toelating van gebruik door derden in Nederland wetswijziging nodig? Zo ja, wanneer zal de regering een dergelijk voorstel tot wetswijziging aan de Kamer voorleggen?

Nee, hiervoor is geen wetswijziging nodig. Ingevolge artikel 5, zesde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 bestaat voor wetenschappelijke instanties, lichamen, organisaties en instellingen die werkzaamheden verrichten of mede verrichten op het gebied van de landbouw, dan wel organisaties van gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen de mogelijkheid om aanvragen voor uitbreiding van de doeleinden waarvoor een gewasbeschermingsmiddel mag worden gebruikt, bij het CTB in te dienen. Voor de toelating van dergelijke derdenuitbreidingen geldt ingevolge artikel 16 van de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 een aangepast regime, dat er in voorziet dat bepaalde toelatingseisen zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, niet van toepassing zijn. Het betreft de eisen dat een middel voldoende werkzaam moet zijn en geen onaanvaardbare uitwerking mag hebben op planten of plantaardige producten.

17

Is voor wederzijdse toelating van middelen tussen lidstaten in Nederland wetswijziging nodig? Zo ja, wanneer zal de regering een voorstel tot wetswijziging aan de Kamer voorleggen? Zo nee, welke belemmeringen zijn er alvorens tot wederzijdse toelating kan worden overgegaan?

Nee, er is geen wetswijziging nodig. De huidige Bestrijdingsmiddelenwet 1962 biedt deze mogelijkheid al. Wederzijdse erkenning op basis van artikel 10 van de richtlijn houdt in dat – op aanvraag – een lidstaat een middel voor een bepaalde toepassing moet toelaten zonder dat een integrale beoordeling wordt herhaald wanneer dat middel met die toepassing al in een andere lidstaat is toegelaten. Voorwaarden voor een dergelijke toelating via wederzijdse erkenning zijn dat:

– de werkzame stof van dat middel door de EU positief is beoordeeld en op bijlage 1 van de richtlijn is geplaatst;

– het middel/de toepassing is beoordeeld aan de Europese toelatingseisen;

– de aanvrager voor een toelating op basis van wederzijdse erkenning heeft aangetoond dat de agrarische, fytosanitaire en ecologische (inclusief klimatologische) omstandigheden in de betrokken lidstaten vergelijkbaar zijn.

Tot nu toe is in Nederland nog geen gebruik gemaakt van het toelaten van middelen op basis van wederzijdse erkenning omdat er nog maar weinig (14) stoffen op bijlage I van de richtlijn zijn geplaatst. Overigens maakt het CTB bij de beoordeling van middelen wel zoveel mogelijk gebruik van beschikbare evaluaties van andere lidstaten.

18

Wat heeft het gesprek met industrie en landbouwbedrijfsleven over de stagnatie van de toelating van landbouwkundig onmisbare middelen opgeleverd?

Zoals aangegeven in het Algemeen Overleg op 2 oktober jl. over opgebruiktermijnen, heeft de regering in een bestuurlijk overleg met de agrochemische industrie en het CTB op 14 september jl. afgesproken om de knelpunten bij de toelating van middelen op basis van nieuwe werkzame stoffen te analyseren, en na te gaan in hoeverre deze knelpunten opgelost kunnen worden. De resultaten van deze analyse worden besproken in een vervolgoverleg op 8 november a.s. Vervolgens zal de regering de Tweede Kamer hierover zo spoedig mogelijk informeren.

19

Klopt het dat de Europese Commissie een aparte regeling voor «essential uses» gaat instellen? Heeft Nederland dit bepleit? Wanneer komt deze regeling en wat zal naar verwachting de inhoud zijn?

De Commissie heeft zowel in Verordening (EG) 451/2000 als in het verslag aan het Europees Parlement en de Raad voorgesteld een regeling te treffen met tijdelijke maatregelen voor «essentiële toepassingen». Tijdens de behandeling van het verslag in de Landbouw- en Milieuraad in oktober hebben alle lidstaten aangegeven het principe als zodanig te kunnen ondersteunen. Het Europees Parlement heeft zich er nog niet over uitgesproken.

Nederland heeft in de discussies in het kader van het opstellen van Verordening (EG) 451/2000 ingestemd met voorzieningen voor kleine toepassingen, die niet langer door de fabrikant verdedigd worden en derhalve in juli 2003 zullen verdwijnen. Nederland heeft er toen voor gepleit dat een dergelijke regeling geen verdere vertraging van de harmonisatie mag opleveren.

Tot half oktober jl. konden lidstaten formele claims bij de Commissie indienen voor essentiële toepassingen. Nederland heeft onder voorwaarden voor acht stoffen claims voor essentiële toepassingen ingediend. Aan de hand van de door de lidstaten ingediende claims zal de Commissie in 2002 tijdelijke oplossingen en maatregelen uitwerken ten behoeve van een wijziging van de richtlijn. Naar verwachting zal uiterlijk in juni 2003 de betreffende wijziging van de richtlijn zijn vastgesteld.

20

Klopt het dat het middel Topaz pentacozool als landbouwkundig onmisbaar middel per 1 juli 2001 niet is toegelaten terwijl de toelating van Topaz als gewoon middel verlengd is tot 2007?

Het middel Topaz (op basis van penconazool) heeft thans uitsluitend een reguliere toelating voor de toepassing in roos en aardbei onder glas. In het kader van de herprioritering van het beoordelingsprogramma van het CTB staat de stof penconazool op de B-lijst. Vanwege het in beeld komen van de einddatum van de toelatingstermijn (augustus 2001) heeft het CTB in het kader van de herprioritering recent de middelen op basis van deze stof procedureel verlengd tot het tijdstip waarop de Europese beoordeling van deze stof is afgerond. Aangezien deze stof op lijst 3 van de EU staat zal naar verwachting de Europese beoordeling in de periode 2006–2008 plaatsvinden. Om die reden heeft het CTB de reguliere toelating van Topaz voor de genoemde toepassingen verlengd tot 2007.

Naast de reguliere toelating waren er van Topaz van rechtswege landbouwkundig onmisbare toepassingen toegelaten in frambozen, bramen en aardbeien in de volle grond. Deze toelatingen zijn van rechtswege automatisch vervallen op 1 juli jl. omdat niet aan de voorwaarden van de landbouwkundige onmisbaarheidsregeling werd voldaan (o.a. het niet ingediend hebben van een aanvraag met een volledig dossier).

21

Wie stelt de prioritering van de werkzaamheden van het CTB vast: de minister van VROM, het CTB of de staatssecretaris van LNV?

De herprioritering van het beoordelingsprogramma voor bestrijdingsmiddelen is naar de mening van de regering de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid van het CTB. De voor het bestrijdingsmiddelenbeleid verantwoordelijke bewindslieden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de werkzaamheden van het CTB. Hieronder valt ook de herprioritering.

22

Is overeenstemming met betrokken partijen over de doelstellingen in de nota «Zicht op gezonde teelt»? Zo nee, waar zitten de verschillen? Welke definitie van geïntegreerd telen hanteert de regering?

De nota Zicht op gezonde teelt is in nauwe samenspraak met betrokken maatschappelijke organisaties tot stand gekomen. Daarbij is vastgesteld dat de doelen als minder milieudruk, geen vermijdbare risico's, schoon water en schone bodem en lucht, brede instemming hebben. Deze doelen zijn ook de basis onder het toelatingsbeleid en het WVO-beleid voor de open teelt. In Zicht op gezonde teelt wordt deze lijn voortgezet en onder meer vertaald in geïntegreerde gewasbescherming op gecertificeerde bedrijven.

De landbouwsector als geheel is kritisch over nut en noodzaak van enkele in te zetten instrumenten, zoals bijvoorbeeld de heffing op gewasbeschermingsmiddelen.

Van geïntegreerde gewasbescherming is sprake indien een teler al het mogelijke doet of nalaat om geen chemische gewasbeschermingsmiddelen te hoeven gebruiken. Dat betekent dat een teler inzicht moet hebben in alle factoren die een risico vormen voor het welslagen van een teelt. En dat een teler bij de talrijke beslissingen die hij vóór en tijdens de teelt moet nemen, steeds kiest voor materiaal, middelen en methoden die het gebruik van chemische middelen zoveel mogelijk overbodig maken.

23

Welke prioritering voor beoordelingen wordt momenteel door het CTB gehanteerd? Hoe lang is deze prioritering houdbaar?

Het CTB geeft prioriteit aan de herbeoordeling van middelen die gebaseerd zijn op bestaande werkzame stoffen en die naar het oordeel van het CTB potentieel kritisch zijn voor mens en milieu. De herbeoordeling van deze middelen vindt plaats wanneer de einddatum van de toelatingstermijn in zicht komt. Het gaat om gewasbeschermingsmiddelen op basis van 19 stoffen op de zgn. A-lijst. Voor de overige gewasbeschermingsmiddelen, die gebaseerd zijn op ca. 200 werkzame stoffen op de B- en C-lijst, volgt het CTB thans het tempo van de Europese beoordeling en besluitvorming.

Het CTB geeft verder binnen de EU-kaders prioriteit aan de beoordeling van aanvragen voor de toelating van middelen op basis van nieuwe werkzame stoffen, aan gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong en aan alle nieuwe aanvragen van middelen die gebaseerd zijn op bestaande werkzame stoffen op de B- en C-lijst.

24

Hoeveel nieuwe minder kritische middelen liggen ter beoordeling bij het CTB thans voor? In welk tempo worden deze middelen beoordeeld?

Tot nu toe heeft het CTB tien voorlopige toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen op basis van nieuwe werkzame stoffen verleend. Op dit moment zijn er 36 aanvragen voor voorlopige toelatingen bij het CTB in behandeling. Voor 27 hiervan geldt dat er sprake is van een vertraging in de behandeling omdat de dossiers onvolledig zijn. De overige negen aanvragen worden op dit moment door het CTB beoordeeld.

Deze stand van zaken is aanleiding geweest voor een bestuurlijk overleg met Nefyto en CTB. Daarbij is geconstateerd dat er te weinig voortgang wordt geboekt bij het toelaten van nieuwe middelen. Naar aanleiding van dit bestuurlijk overleg op 14 september jl. is een analyse gemaakt van de knelpunten bij de toelating van middelen op basis van nieuwe werkzame stoffen, en is nagegaan in hoeverre deze knelpunten binnen de bestaande wettelijke kaders opgelost kunnen worden. De resultaten van deze analyse worden besproken in een bestuurlijk overleg op 8 november a.s. Vervolgens zal de regering de Tweede Kamer hierover zo spoedig mogelijk informeren.

25

Is de regering voornemens de beoordeling van teeltsystemen in plaats te stellen van beoordeling van middelen? Wanneer wil zij daarmee beginnen? Is daarvoor in Nederland wetswijziging nodig? Wanneer kan de Kamer een dergelijk voorstel tot wetswijziging tegemoet zien?

Het toelatingsbeleid is thans – conform de Europese regelgeving terzake – gebaseerd op een benadering waarbij elk middel afzonderlijk wordt beoordeeld aan de hand van toelatingscriteria (de stofgerichte benadering). Zoals aangegeven in de nota «Zicht op gezonde teelt», biedt certificering wellicht mogelijkheden voor een zogenaamde teeltsysteembenadering, waarbij de milieubelasting van het gebruik van een middel wordt beoordeeld in de context van de teelt en waarbij rekening wordt gehouden met het gebruik van de overige chemische middelen.

In samenwerking met betrokken partijen wordt deze benadering thans uitgewerkt. Deze nadere uitwerking leert dat de complexiteit groot is, maar dat er desalniettemin voldoende draagvlak bestaat om het concept van de teeltsysteembenadering op een voortvarende wijze verder te verkennen. Uit deze verkenning kan mogelijk een aantal kansrijke opties voortvloeien. Indien dit het geval is, zal een meer concrete beleidsuitwerking in de loop van volgend jaar zijn beslag kunnen krijgen. Hierbij zal nadrukkelijk aandacht geschonken moeten worden aan de mogelijkheden en beperkingen van juridische aard, waaronder in eerste instantie de Europese.

26

Kan de regering nader uiteenzetten in hoeverre het certificeren van bedrijven volgens de nota «Zicht op gezonde teelt» zich verhoudt tot het certificeren van bedrijven zoals dat momenteel door marktpartijen wordt gedaan? Wie zullen in de Commissie van Deskundigen deelnemen?

Basis voor de certificering zijn de certificatieschema's die worden opgesteld door een College van deskundigen. Van overheidszijde zullen slechts voorwaarden aan de inhoud van die schema's worden gesteld voor zover noodzakelijk om de gewenste reductie in de milieubelasting te bereiken en voor zover nodig ter bescherming van personen die in de praktijk met gewasbeschermingsmiddelen werken.

Op dit moment is nog geen College van Deskundigen gevormd. Opzet is dat in dat college alle betrokken partijen zijn vertegenwoordigd.

27

Is de regering bereid de voorgenomen heffing van tafel te halen?

De regering ziet geen aanleiding de voorgenomen heffing niet in te voeren.

28

Is de regering bereid pas na toegezegde en noodzakelijke wetswijziging het traject van de nota «Zicht op gezonde teelt» in te zetten?

Geïntegreerde gewasbescherming is gericht op bedrijfsvoering die de teler zo weinig mogelijk afhankelijk maakt van chemische gewasbeschermingsmiddelen en derhalve ook van de beschikbaarheid daarvan. De nota Zicht op gezonde teelt heeft mede als doel telers te ondersteunen bij aanpassing van hun bedrijfsvoering. Daartoe is een aantal actiepunten genoemd, zoals ontwikkeling en verspreiding van kennis over geïntegreerde gewasbescherming. Ook is wijziging van regelgeving aangekondigd, onder meer om belemmeringen voor toelating van chemische gewasbeschermingsmiddelen weg te nemen.

Ik acht het niet gewenst en ook niet noodzakelijk om de uitvoering van de nota op te schorten in afwachting van de effectuering van voorgenomen wijziging van wetgeving.

29

Hoe hard zal volgens de regering het Nederlands landbouwbedrijfsleven de benoemde landbouwkundig onmisbare middelen voor het resistentiemanagement nodig hebben?

Voor een aantal toepassingen van de benoemde landbouwkundig onmisbare stoffen is resistentiemanagement van belang zolang er geen andere stoffen voor hetzelfde doel zullen zijn toegelaten.

30

Klopt het dat er momenteel of in de nabije toekomst geen middelen meer zijn om in Nederland «gezond» zilveruitjes, spruiten en witlof te telen?

Voor spruiten zijn er voor verschillende plagen nauwelijks of geen middelen meer over en zijn voorzover bekend niet-chemische bestrijdingsmethoden ook niet beschikbaar. Voor zilveruitjes en witlof zijn er eveneens gaten in het maatregelenpakket.

31

In welke Europese landen heeft de overheid een programma ter vermindering van chemische gewasbeschermingsmiddelen opgesteld? Wat zijn de hoofdlijnen van bijvoorbeeld het Zweedse programma?

Zoals in bijlage 1 van de nota «Zicht op gezonde teelt» is aangegeven hebben binnen de EU voornamelijk de Noordelijke EU-landen (Denemarken, Zweden, Finland) nationaal beleid gericht op vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In Denemarken richtte het beleid (Pesticide Action Plan) zich in de periode 1987–1997 op vermindering van het gebruik en op vermindering van de behandelfrequentie (aantal keren dat een akker wordt bespoten). Nieuw beleid (periode 2000–2002) richt zich op een verdere vermindering van de behandelfrequentie en op een zo laag mogelijk gebruik in gevoelige gebieden (bijv. stroken land langs meren en beken). Om de doelstellingen te halen wordt vooral ingezet op kennisvermeerdering van boeren en tuinders.

In Zweden is sinds 1986 beleid (in drie opeenvolgende programma's) voor reductie van het middelengebruik. De doelstellingen richtten zich in het eerste en tweede programma op het behalen van reductiepercentages. Zweden heeft in deze twee programma's 68% volumereductie en 75% emissiereductie bereikt. Het huidige beleid (1997–2001) richt zich op vermindering van het bespoten areaal. Diverse maatregelen worden ingezet om de doelstellingen te verwezenlijken, o.a. promotie van geïntegreerde gewasbescherming.

Sinds 1995 heeft Finland beleid (zogenaamd Agrimilieuplan), dat voornamelijk is gericht op het terugdringen van emissie van nutriënten en pesticiden naar oppervlakte water. Een van de onderdelen van dit plan is een subsidieregeling voor telers die maatregelen op hun bedrijf doorvoeren die tot vermindering van pesticiden gebruik leiden. De looptijd van het plan is in 2000 verlengd tot 2006.

In de EU-landen om ons heen is het beeld wisselend. In België valt het opstellen van plannen voor een reductie van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onder de gewestelijke bevoegdheden. Alleen Vlaanderen is bezig met het opstellen van een plan. Het streven is om in 2005 een vermindering van 50% te realiseren t.o.v. 1990. Duitsland heeft geen speciaal beleid voor vermindering, maar richt zich met name op de toelating van middelen. Ook het Verenigd Koninkrijk heeft geen beleid gericht op vermindering. Hier richt het beleid zich met name op «Good Agricultural Practice» via «Codes of Practice».

In Frankrijk wordt sinds 2000 een interministerieel actieprogramma uitgevoerd dat gericht is op de vermindering van de vervuiling van het water. Onderdeel van dit plan is een vermindering van het gebruik van bepaalde bestrijdingsmiddelen.

De Zuidelijke EU-landen Spanje, Italië, Portugal en Griekenland hebben nationaal geen wet- en regelgeving gericht op een lager gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Swildens-Rozendaal (PvdA), Ter Veer (D66), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Feenstra (PvdA), Poppe (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Stellingwerf (ChristenUnie), M. B. Vos (GroenLinks), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Passtoors (VVD), Th. A. M. Meijer (CDA), Hermann (GroenLinks), Geluk (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Oplaat (VVD), Schoenmakers (PvdA), Waalkens (PvdA), Udo (VVD), Herrebrugh (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD) en Dijsselbloem (PvdA).

Plv. leden: Van Vliet (D66), Depla (PvdA), Ravestein (D66), Zijlstra (PvdA), Albayrak (PvdA), Kant (SP), Mosterd (CDA), Van Middelkoop (ChristenUnie), Van der Steenhoven (GroenLinks), Scheltema-de Nie (D66), Verbugt (VVD), Cornielje (VVD), Rietkerk (CDA), T. Pitstra (GroenLinks), Kamp (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Van Wijmen (CDA), Buijs (CDA), Weekers (VVD), Dijksma (PvdA), Bolhuis (PvdA), O. P. G. Vos (VVD), Vacature (PvdA), Te Veldhuis (VVD) en Duivesteijn (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling: Leden: Witteveen-Hevinga (PvdA), Van Middelkoop (ChristenUnie), Feenstra (PvdA), Verbugt (VVD), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), ondervoorzitter, Th. A. M. Meijer (CDA(, voorzitter, Luchtenveld (VVD), Van Wijmen (CDA), Kortram (PvdA), Ravestein (D66), Van der Steenhoven (GroenLinks), Van Gent (GroenLinks), Rietkerk (CDA), Oplaat (VVD), Van der Staaij (SGP), Schoenmakers (PvdA), Waalkens (PvdA), Udo (VVD), Mosterd (CDA), Ten Hoopen (CDA) en Depla (PvdA).

Plv. leden: Dijksma (PvdA), Stellingwerf (ChristenUnie), Valk (PvdA), Van Lente (VVD), De Wit (SP), Van Heemst (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Van Beek (VVD), Geluk (VVD), Schrijer-Pierik (CDA), Blok (VVD), Biesheuvel (CDA), Crone (PvdA), Giskes (D66), M. B. Vos (GroenLinks), Halsema (GroenLinks), Van den Akker (CDA), Niederer (VVD), Van 't Riet (D66), Spoelman (PvdA), Hindriks (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), VIsser-van Doorn (CDA), Leers (CDA) en vacature PvdA.