Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127840 nr. A

27 840
Wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 met betrekking tot de rijvaardigheid en rijbevoegdheid

A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 12 maart 2001 en het nader rapport d.d. 22 juni 2001, aangeboden aan de Koningin door de minister van Verkeer en Waterstaat. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 9 januari 2001, no. 01.000100, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat, mede namens de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 met betrekking tot de rijvaardigheid en rijbevoegdheid.

Het voorstel van wet bevat een aantal bepalingen op het terrein van de rijvaardigheid en rijbevoegdheid, zoals de methode van berekening van de in Nederland resterende geldigheidsduur van door het bevoegde gezag elders afgegeven rijbewijzen, het verhogen van de voorgeschreven minimumleeftijd voor het besturen van autobussen en autobussen met aanhangwagen van 18 naar 21 jaar, het opnemen van een regeling met betrekking tot de afgifte van internationale rijbewijzen en een aantal wijzigingen van de in de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) vervatte voorschriften. Deze laatste wijzigingen strekken tot het wegnemen van inmiddels aan het licht getreden onvolkomenheden of tot actualisering in verband met de ontwikkelingen die zich sedert de inwerkingtreding van hoofdstuk VI – met ingang van 1 juli 1996 – op het gebied van de rijvaardigheid en rijbevoegdheid hebben voorgedaan.

De Raad van State plaatst de volgende kanttekeningen bij het voorstel. In verband daarmee acht de Raad enige aanpassing van het voorstel wenselijk.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 9 januari 2001, nr. 01.000100, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 12 maart 2001, nr. W09.01.0014/V, bied ik U hierbij aan.

1. Artikel III, onderdeel H, voegt een nieuw hoofdstuk VI toe aan de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Op grond van het voorgestelde artikel 24a, eerste lid, onder b, kan het instituut ontheffing verlenen, indien toepassing van artikel 7 – op grond van dit artikel dient degene die rijonderricht geeft in het bezit te zijn van een door het instituut afgegeven certificaat – zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Niet duidelijk is in welke gevallen deze bepaling kan worden toegepast. Mede gelet op aanwijzing 131a van de Aanwijzingen voor de regelgeving verdient het daarom aanbeveling om in dit artikel alsnog het doel of de strekking ervan zo concreet mogelijk te omschrijven.

1. De toepassing van de in het voorgestelde nieuwe artikel 24a van de Wet rijonderricht motorrijtuigen (artikel III, onderdeel H) voorziene hardheidsclausule is overeenkomstig aanwijzing 131a van de Aanwijzingen voor de regelgeving gerelateerd aan het door artikel 7 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 beschermde belang. De memorie van toelichting is aangevuld met een passage waarin wordt gesteld dat de voorziene hardheidsclausule bijvoorbeeld zal worden toegepast indien een bepaalde periode moet worden overbrugd om te voorkomen dat onbedoeld, bijvoorbeeld als gevolg van administratieve onvolkomenheden, de bevoegdheid tot het geven van rijonderricht komt te vervallen. Voor het overige kunnen de gevallen waarin onverkorte toepassing van artikel 7 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 tot onbillijkheden van overwegende aard zal leiden, niet alle van te voren worden voorzien. Naar het oordeel van de ondergetekende is dit inherent aan het karakter van een hardheidsclausule.

2. De artikelen I, onderdeel Q, punt 2, II en V noemen de datum van 30 juni 1985. Deze datum wordt niet toegelicht. Die datum dient alsnog te worden toegelicht.

2. Zoals in het algemeen deel van de memorie van toelichting is uiteengezet, strekt de voorgestelde versoepeling van de legitimatievoorschriften bij de aanvraag van rijbewijzen er onder meer toe legitimatie ook mogelijk te maken op basis van een rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. Daarbij gaat het niet alleen om rijbewijzen die zijn afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet 1994, maar in beginsel ook om rijbewijzen die zijn afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet. Artikel II van het voorstel van wet voorziet er daartoe in dat rijbewijzen, afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, voor de toepassing van het gewijzigde artikel 111, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden gelijkgesteld met rijbewijzen die zijn afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet 1994. Teneinde te voorkomen dat als gevolg van de voorgestelde versoepeling van de legitimatievoorschriften ook rijbewijzen, afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, die hun geldigheid reeds lang hebben verloren, alsnog als legitimatiebewijs dienst zouden kunnen doen, is in de voorziene gelijkstellingsregeling een begrenzing in de vorm van een datum aangebracht. Daarbij is gekozen voor de datum van 30 juni 1985. De keuze voor die datum houdt verband met het feit dat bij koninklijk besluit van 23 september 1986 (Stb. 476) in het toenmalige Wegenverkeersreglement de voorziening is getroffen dat tegen overlegging van een (op basis van de Wegenverkeerswet afgegeven) rijbewijs dat na 30 juni 1985 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur – mits uiteraard aan de overige ten aanzien van de aanvraag gestelde eisen wordt voldaan – een nieuw rijbewijs kan worden afgegeven zonder dat de aanvrager met goed gevolg opnieuw rijexamen behoeft af te leggen.

Het uitgangspunt dat tegen overlegging van een rijbewijs dat zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, een nieuw rijbewijs kan worden afgegeven, is gehandhaafd in de met ingang van 1 juni 1996 in werking getreden, integraal herziene regelgeving ten aanzien van de rijvaardigheid en rijbevoegdheid, zoals deze is neergelegd in hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 en in het ter uitvoering daarvan vastgestelde Reglement rijbewijzen.

De memorie van toelichting bij artikel II van het voorstel van wet is aangevuld met een passage waarin de redenen voor het aanbrengen van een begrenzing in de voorgestelde gelijkstellingsregeling en de keuze voor de datum van 30 juni 1985 worden toegelicht.

Gezien het feit dat de meergenoemde datum van 30 juni 1985 uitsluitend betrekking heeft op rijbewijzen, afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, is die datum in het tot artikel I, onderdeel S, punt 2, verletterde artikel I, onderdeel Q, punt 2, geschrapt.

In het voorstel van wet zoals dat ter advisering aan de Raad werd voorgelegd, was meergenoemde datum van 30 juni 1985 – abusievelijk – ook opgenomen in artikel V. Aangezien de in die bepaling voorziene overgangsregeling verband houdt met de in het voorstel van wet voorziene verhoging van de minimumleeftijd voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie D (autobussen) van 18 naar 21 jaar, is de datum van 30 juni 1985 daar uiteraard niet relevant. Op grond daarvan is de betrokken datum in artikel V geschrapt.

3. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

3. Het voorstel van wet is op een enkel punt geactualiseeerd in verband met de inwerkingtreding, met ingang van 1 januari 2001, van de Wet personenvervoer 2000.

4. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het voorstel van wet op een drietal punten aan te vullen.

a. In verband met het feit dat besluiten van volkenrechtelijke organisaties informatieverplichtingen van lidstaten kunnen bevatten, wordt voorgesteld de groep instanties waaraan ingevolge artikel 43, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gegevens uit het kentekenregister kunnen worden verstrekt, uit te breiden met instellingen van volkenrechtelijke organisaties (artikel I, onderdelen D en J).

b. De in de Wegenverkeerswet 1994 voorziene vrijstelling van de Nederlandse rijbewijsplicht voor personen aan wie in Nederland de status van diplomatiek of consulair ambtenaar is toegekend, en voor hun gezinsleden, is te beperkt gebleken.

Voorgesteld wordt ook het overige diplomatieke en consulaire personeel en zijn gezinsleden, alsmede het personeel van in Nederland gevestigde internationale organisaties en zijn gezinsleden onder de vrijstelling te brengen (artikel I, onderdeel N, punt 2).

c. Voorgesteld wordt de bij de wet van 5 april 2001 tot wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (Stb. 180) in de Wegenverkeerswet 1994 aangebrachte wijzigingen op enkele punten bij te stellen. In de eerste plaats dient het aan artikel 1, eerste lid, toegevoegde onderdeel p te worden verletterd tot onderdeel q. Voorts zijn het aan artikel 111 toegevoegde zesde lid en het ingevoegde nieuwe artikel 134a onvolledig gebleken. Aangezien ook verwerkte gegevens met betrekking tot iemands rijvaardigheid privacygevoelige informatie kunnen bevatten, wordt voorgesteld de betrokken bepalingen zodanig aan te vullen dat zij behalve op de verwerking van gegevens met betrekking tot iemands gezondheid tevens zien op de verwerking van gegevens met betrekking tot iemands rijvaardigheid.

De door de Raad gemaakte redactionele kanttekening is in het voorstel van wet verwerkt.

De memorie van toelichting is aan de in het voorstel van wet aangebrachte wijzigingen aangepast.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U, mede namens mijn ambtgenoot van Justitie, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos

Bijlage bij het advies van de Raad van State van 12 maart 2001, no. W09.01.0014/V, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.

– In de artikelen V en VI «niet meer dan acht personen» vervangen door: meer dan acht personen.


XNoot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.