nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 18 februari 2002
De leden van de VVD-fractie vroegen zich af welke problemen zich voordeden
met de voorziene vrijstelling voor diplomatiek en consulair personeel, waardoor
de vrijstelling in de praktijk te beperkt bleek.
De problemen waarop de leden van de VVD-fractie doelden, hebben zich voorgedaan
aan het eind van het jaar 2000 en aan het begin van het jaar 2001. Het ging
daarbij overigens niet zozeer om diplomatiek of consulair personeel maar om
personen, werkzaam bij in Nederland gevestigde internationale organisaties.
In bedoelde periode is in een aantal malen bij staandehouding door de politie
gebleken dat de betrokken personen in de stellige overtuiging verkeerden dat
zij op grond van de met hun organisatie gesloten z.g. zetelovereenkomst niet
in het bezit behoefden te zijn van een Nederlands rijbewijs en dat zij met
het aan hen in hun land van herkomst afgegeven rijbewijs in Nederland aan
het verkeer mochten deelnemen. Anders dan de betrokkenen meenden, is de thans
geldende vrijstellingsregeling echter betrekkelijk beperkt: zij strekt zich
slechts uit tot personen aan wie in Nederland de status van diplomatiek of
consulair ambtenaar is toegekend, alsmede tot gezinsleden van die personen.
De vigerende vrijstellingsregeling strekt zich derhalve niet uit dat alle
diplomatiek personeel. Voorts vallen personen die werkzaam zijn bij in Nederland
gevestigde internationale organisaties, thans zelfs geheel buiten de vrijstellingsregeling.
In enkele gevallen is tot vervolging van de betrokken bestuurders overgegaan.
Voor zover bekend hebben de ingestelde vervolgingen geresulteerd in schuldigverklaring
zonder toepassing van straf wegens verontschuldigbare dwaling ten aanzien
van de reikwijdte van de geldende vrijstellingsregeling. De in het voorstel
van wet voorziene uitbreiding van de vrijstellingsregeling tot alle geprivilegieerden
zal definitief een eind maken aan de problemen die zich hebben voorgedaan.
De leden van de VVD-fractie vroegen voorts op basis van welke gegevens
is gebleken dat er op verschillende punten van de Wegenverkeerswet 1994 nadere
aanscherping dan wel versoepeling nodig was. Heeft er – zo vroegen deze
leden – een evaluatie plaatsgevonden, en zo ja, wie heeft deze evaluatie
uitgevoerd?
De noodzaak tot bijstelling of versoepeling van de voorschriften op het
terrein van de rijvaardigheid en rijbevoegdheid is niet gebaseerd op de resultaten
van een evaluatie. Hoewel het (periodiek) uitvoeren van een evaluatie van
regelgeving naar mijn mening nuttig kan zijn, bestaat aan een (formele) evaluatie
op het hier aan de orde zijnde beleidsterrein minder behoefte. Op het terrein
van de rijvaardigheid en rijbevoegdheid vindt een aantal malen per jaar coördinatieoverleg
plaats tussen de bij het onderhavige beleidsterrein meest betrokken diensten
en organisaties. Vaste deelnemers aan dit coördinatieoverleg –
het Coördinatie Overleg Rijbewijzen en Certificaten (CORC) – zijn
de betrokken dienstonderdelen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat,
de Dienst Wegverkeer, de stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Nederlandse Vereniging Voor
Burgerzaken (NVVB).
Andere incidenteel betrokken organisaties hebben voor het overleg een
z.g. standing invitation.
In het kader van het coördinatieoverleg wordt met name gesproken
over de toepassing van de regelgeving op het terrein van de rijvaardigheid
en rijbevoegdheid in de praktijk, over eventuele problemen die zich bij die
toepassing voordoen en over oplossingsrichtingen voor aan het licht getreden
problemen. De in het voorstel van wet voorziene bijstellingen van de regelgeving
op het terrein van de rijvaardigheid en rijbevoegdheid komen dan ook voor
een belangrijk deel direct of indirect voort uit dit coördinatieoverleg.
Het coördinatieoverleg fungeert voorts als klankbordgroep in het kader
van voorgenomen regelgeving op het betrokken aandachtsterrein.
Bij nadere overweging is het wenselijk gebleken het voorstel van wet op
een drietal punten aan te vullen.
1. Bij mijn brief van 26 november 2001 aan de voorzitter van de Vaste
Commissie voor Verkeer en Waterstaat heb ik de indiening aangekondigd van
een wettelijke regeling met betrekking tot de publieke taken van het CBR.
Tot de publieke taken die in het kader van die wettelijke regeling zullen
worden opgedragen aan het CBR zal in ieder geval behoren de toepassing van
de in de artikelen 130 tot en met 134 van de Wegenverkeerswet 1994 voorziene
z.g. vorderingsprocedure.
De in het kader van die procedure aan de Minister van Verkeer en Waterstaat
opgedragen taken worden reeds sedert 1993 krachtens mandaat uitgeoefend door
het CBR (de Divisie Vorderingen). Aangezien de thans toegepaste mandaatconstructie
aanzienlijke fiscale gevolgen blijkt te hebben, acht ik het ongewenst die
constructie in stand te houden tot het tijdstip waarop de aangekondigde wettelijke
regeling tot stand zal zijn gekomen en in werking zal zijn getreden. In verband
daarmede wordt voorgesteld de in de artikelen 130 tot en met 134 van de Wegenverkeerswet
1994 aan de Minister van Verkeer en Waterstaat opgedragen taken reeds thans –
vooruitlopend op de aangekondigde wettelijke regeling – aan het CBR
te attribueren. Voor een toelichting op de daarmee verband houdende wijzigingen
moge worden verwezen naar de bij deze nota gevoegde nota van wijziging.
2. Ingevolge artikel 36, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 dienen
motorrijtuigen en aanhangwagens overeen te komen met de gegevens in het voor
het betrokken voertuig afgegeven kentekenbewijs en met de gegevens die omtrent
het voertuig zijn opgenomen in het kentekenregister. Voor bepaalde gegevens
blijkt dit echter niet mogelijk te zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan de
wielbasis van personenauto's, die in de praktijk bij normaal gebruik
kan gaan afwijken van de in het kader van de toelating tot het verkeer vastgestelde
waarde.
In verband hiermede wordt voorgesteld het vijfde lid van artikel 36 zodanig
aan te vullen dat nader te bepalen gegevens op nader te bepalen wijze mogen
afwijken van de gegevens op het kentekenbewijs en in het kentekenregister.
3. Tenslotte wordt voorgesteld om, ter zake van de in het kader van de
kentekenplicht geldende faciliteiten voor leden van nader aangewezen krijgsmachten
of civiele diensten, aan NAPMA (NATO Airborne Early Warning and Control Program
Management Agency) dezelfde status toe te kennen als thans reeds is toegekend
aan AFCENT. Daartoe wordt voorgesteld artikel 37, eerste lid, onderdeel c,
van de Wegenverkeerswet 1994 in die zin aan te vullen.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos