Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127827 nr. 1-2

27 827
Wijziging van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer en de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer alsmede een regeling voor diverse politieke ambtsdragers met betrekking tot geheven Waz-premie (aanpassing onkostenvergoedingen en compensatie Waz-premie)

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende wijziging van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer en de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer alsmede een regeling voor diverse politieke ambtsdragers met betrekking tot geheven Waz-premie (aanpassing onkostenvergoedingen en compensatie Waz-premie).

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

21 juni 2001

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de bedragen van de onkostenvergoedingen van de leden van de Tweede Kamer en van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal te wijzigen en diverse politieke ambtsdragers de mogelijkheid te bieden van een tegemoetkoming voor de over 1998 en 1999 geheven Waz-premie;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt na «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» toegevoegd: en Koninkrijksrelaties.

B

In artikel 7 wordt onder vernummering van het derde tot het vierde lid, een nieuw derde lid ingevoegd, dat luidt:

3. Ten aanzien van een kamerlid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, wordt het bedrag, berekend met toepassing van het tweede lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

C

Aan artikel 8 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt:

3. Ten aanzien van een kamerlid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, wordt het bedrag, berekend met toepassing van het tweede lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

D

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9

1. De kamerleden ontvangen een vergoeding voor aan de uitoefening van het kamerlidmaatschap verbonden kosten die f 4 403,– per jaar bedraagt.

2. Ten aanzien van een kamerlid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

3. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar door Onze Minister herzien aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande jaar.

ARTIKEL II

De Wet vergoedingen leden Eerste Kamer wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel a, wordt na «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» toegevoegd: en Koninkrijksrelaties.

B

Artikel 16 komt te luiden:

Artikel 16

1. De kamerleden ontvangen een vergoeding voor aan de uitoefening van het kamerlidmaatschap verbonden kosten die f 4 193,– per jaar bedraagt.

2. Ten aanzien van een kamerlid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, geldt in afwijking van het eerste lid een vergoeding van beroepskosten ter grootte van het bedrag, genoemd in het eerste lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

3. Het bedrag, genoemd in het eerste, wordt per 1 januari van elk jaar door Onze Minister herzien aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande jaar.

C

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst van het eerste lid wordt het cijfer «1.» geplaatst.

2. Een tweede lid wordt toegevoegd, dat luidt:

2. Ten aanzien van een kamerlid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, wordt het bedrag, berekend met toepassing van het eerste lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

D

In artikel 18 wordt onder vernummering van het derde tot het vierde lid, een nieuw derde lid ingevoegd, dat luidt:

3. Ten aanzien van een kamerlid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, wordt het bedrag, berekend met toepassing van het tweede lid, vermenigvuldigd met 100/P, waarbij P wordt berekend door het getal 100 te verminderen met het getal van het hoogste tarief, bedoeld in kolom IV van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

ARTIKEL III

1. Degene die in de periode van 1 januari 1998 tot 1 januari 2000 het ambt heeft bekleed van minister, staatssecretaris, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal of lid van het Europees Parlement, ontvangt op aanvraag voor elk van de jaren 1998 en 1999 waarover hij premie heeft betaald voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen een tegemoetkoming overeenkomstig de volgende leden.

2. De hoogte van de tegemoetkoming wordt voor elk van de jaren 1998 en 1999 berekend door het bedrag van de in dat jaar in het betreffende ambt genoten bezoldiging of schadeloosstelling, vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, doch in totaal niet meer dan f 84 000,–, te verminderen met f 29 000,–. Het resultaat wordt vervolgens vermenigvuldigd met het in het desbetreffende jaar geldende percentage voor de premie voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. De tegemoetkoming bedraagt voorts niet meer dan de betaalde premie.

3. Indien voor een betrokkene in een of meer van de jaren 1998 en 1999 ook andere inkomensbestanddelen tot het premie-inkomen in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen zijn gerekend, wordt het in het vorige lid genoemde bedrag van f 29 000,– voor het betreffende jaar op zijn verzoek vermenigvuldigd met een factor waarvan de teller het premie-inkomen uit het betreffende ambt is en de noemer het totale premie-inkomen.

ARTIKEL IV

1. Indien na 1 januari 2002 uitvoering wordt gegeven aan Artikel III, wordt het bedrag van de tegemoetkoming berekend overeenkomstig de tekst van dat artikel en vervolgens omgezet in euro.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 31 oktober 2000 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van wetten in verband met de vervanging van de gulden door de euro (Aanpassingswet euro) tot wet wordt verheven, worden de bedragen in de kolommen G en H van de tabel behorende bij de hoofdstuk I, artikel 1, van deze wet als volgt gewijzigd:

a. Bij nr. 95. wordt «f 4200» vervangen door: f 4403 en wordt «EUR 1958,97» vervangen door: EUR € 1997,99;

b. Bij nr. 116. wordt «f 4000» vervangen door: f 4193 en wordt «EUR 1865,49» vervangen door: EUR € 1902,70.

ARTIKEL V

1. Deze wet treedt met uitzondering van Artikel IV in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2001.

2. Artikel IV treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,