Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200227824 nr. 6

27 824
Aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 29 oktober 2001

Inleiding

Het is verheugend dat de leden van de PvdA-fractie en de leden van de VVD-fractie met instemming hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Ik dank de leden van de VVD-fractie voor de door hen uitgesproken waardering voor het feit dat deze omvangrijke en technisch complexe materie met bekwame spoed is ter hand genomen en de regering daarbij ook open oor heeft gehad voor de op- en aanmerkingen die vanuit de rechtspraktijk naar voren zijn gebracht. Het doet mij genoegen dat de leden van de VVD-fractie zich kunnen vinden in de gekozen oplossing ten aanzien van de relatieve bevoegdheid in huurzaken.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat het hen bevreemdt dat er kennelijk geen spoed is betracht met de indiening van dit wetsvoorstel, nadat wetsvoorstel 26 855 tot herziening van het procesrecht in burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg in het voorjaar van 2001 is aangenomen in de Tweede Kamer. Dienaangaande wijs ik erop dat het wetsvoorstel, dat op 1 februari 2001 voor advies naar de Raad van State is gezonden, niet alleen omvangrijk is, maar op onderdelen ook buitengewoon complex, waardoor voor een zorgvuldige voorbereiding nogal wat tijd nodig is gebleken. Met name geldt dit voor de bepalingen die zijn opgenomen om het herziene procesrecht aan te passen aan de komende vernieuwingen in de rechterlijke organisatie van de wetsvoorstellen 27 181, 27 182 en 27 878. Overigens is de indiening van het wetsvoorstel voorafgegaan aan die van wetsvoorstel 27 878, houdende Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie. De leden van de PvdA-fractie wensen voorts duidelijkheid over de te verwachten datum van inwerkingtreding van de genoemde wetsvoorstellen. Het is in beginsel de bedoeling dat de genoemde wetsvoorstellen gelijktijdig in werking treden. Uit wetgevingstechnisch oogpunt is het wel mogelijk dat het herziene procesrecht eerder in werking treedt, doch dat lijkt voor de praktijk niet wenselijk in verband met het daardoor kort na elkaar wijzigen van verschillende regels. Omgekeerd is er in de in wetsvoorstel 27 878 vervatte aanpassingswetgeving bij de wetsvoorstellen 27 181 en 27 182 van uitgegaan dat bij het inwerkingtreden daarvan het herziene procesrecht reeds zou zijn ingevoerd, zodat het technisch gezien niet mogelijk is om de invoering van dit wetsvoorstel tot een later tijdstip uit te stellen. Op korte termijn zal door mij worden bezien of het daadwerkelijk verantwoord is de wetsvoorstellen in te voeren op 1 januari 2002, zoals totnogtoe steeds mijn bedoeling is geweest.

Op de vragen van de leden van de PvdA-fractie over advisering door de NVVR ga ik als volgt in. De NVVR is door mij op 14 september 2000 om advies gevraagd over het wetsvoorstel. De adviesaanvraag was toegespitst op de vraag of er naast de faillissementsprocedure en de procedure op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven nog andere procedures zijn die met een verzoekschrift aanvangen, doch waarvan het niet wenselijk is dat zij onder het regime van de nieuwe algemene regeling van de verzoekschriftprocedure komen te vallen. De NVVR is daarbij gevraagd haar advies op korte termijn, zo enigszins mogelijk voor 25 oktober 2000 uit te brengen. De NVVR heeft mij bij brief van 24 oktober laten weten af te zien van advisering over het wetsvoorstel, omdat de genoemde termijn voor de wetenschappelijke commissie van de NVVR te kort bleek en het opstellen van een lijst van procedures waarvoor de algemene verzoekschriftprocedure niet zou moeten gelden voor de wetenschappelijke commissie niet de gebruikelijke manier van adviseren was. De NVVR heeft derhalve geen oordeel over het wetsvoorstel uitgesproken.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts naar de aanpassingen in de rijkswetgeving en de lagere regelgeving. Met betrekking tot de rijkswetgeving merk ik op dat aanpassing daarvan niet op korte termijn gerealiseerd zal kunnen worden. De goede werking van het herziene procesrecht is echter niet afhankelijk van aanpassing van de rijkswetgeving. Bepalingen in rijkswetten die aanpassing behoeven zullen voorlopig kunnen worden toegepast in het licht van de nieuwe regels van procesrecht. Om een voorbeeld te noemen: in de Rijksoctrooiwet 1995 wordt voor een aantal rechtsvorderingen bepaald dat de eiser bepaalde stukken bij conclusie van eis in het geding dient te brengen (artikelen 58, tweede lid, 70, tweede lid, en 76, eerste lid). Deze bepaling zal in verband met het vervallen van de conclusie van eis in het nieuwe procesrecht aldus moeten en kunnen worden toegepast dat de eiser de desbetreffende stukken ofwel aan de dagvaarding zal moeten hechten, ofwel deze in het geding zal moeten brengen bij akte houdende produkties, te nemen op de eerstdienende dag althans voor de conclusie van antwoord. Bij de aan te passen lagere regelgeving, die overigens zeer beperkt van omvang is, moet gedacht worden aan regels op het niveau van algemene maatregel van bestuur en dus niet aan regelgeving van lagere overheden. Overleg met de VNG behoeft daarom niet plaats te vinden. De noodzakelijke wijzigingen in de lagere regelgeving zijn inmiddels neergelegd in een ontwerp-algemene maatregel van bestuur, die voor advies aan de Raad van State is gezonden.

Het is verheugend dat de algemene toepasselijkheid van verzoekschriftprocedures door de leden van de fractie van GroenLinks vooralsnog instemmend wordt ontvangen en dat deze leden van mening zijn dat de terminologische wijzigingen met betrekking tot het openbaar ministerie eraan bijdragen dat verouderde onderscheidingen tussen procespartijen verdwijnen.

ALGEMEEN OVERZICHT VAN DE AANPASSINGEN

De leden van de PvdA-fractie wensen nog een nadere toelichting op de zinsnede dat ten aanzien van verzoekschriftprocedures waarvoor de algemene regeling niet in werking is getreden, de rechter die algemene regeling zoveel mogelijk analoog toepast. Met deze opmerking in de memorie van toelichting is gedoeld op de inmiddels lange reeks van uitspraken van de Hoge Raad waarbij bepalingen uit de huidige twaalde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering analoog zijn toegepast op verzoekschriftprocedures waarvoor die titel niet in werking is getreden. Deze jurisprudentiële ontwikkeling, die in de literatuur algemeen positief wordt gewaardeerd, heeft tot gevolg dat naar huidig recht de regels van de artikelen 429a e.v. Rv feitelijk een aanzienlijk ruimere werking hebben dan alleen voor de procedures waarvoor zij formeel in werking zijn getreden. Deze gang van zaken brengt mee dat voor tal van verzoekschriftprocedures die thans formeel nog niet onder het bereik van de artikelen 429a e.v. Rv vallen maar waarop die regels thans wel analoog worden toegepast, de gevolgen van de algemene toepasselijkheid van de regels van de verzoekschriftprocedure in het herziene procesrecht beperkt zullen zijn.

Voorbeelden van analoge toepassing van regels van de verzoekschriftprocedure zijn de mogelijkheid van een proceskostenveroordeling in procedures op grond van de (oude) Algemene Bijstandswet, met overeenkomstige toepassing van artikel 429k, tweede lid, Rv (HR 13 maart 1992, NJ 1993, 96), alsmede de beslissing dat ook in niet-429a-procedures in appel het beroepschrift gemotiveerd dient te zijn, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 429o, eerste lid jo. 429d, eerste lid, Rv (HR 15 december 1989, NJ 1990, 351). Andere voorbeelden kunnen gevonden worden in de noot van prof. Vranken onder HR 21 september 1990, NJ 1991, 36.

ARTIKELSGEWIJS

Hoofdstuk 5. Ministerie van Justitie

Artikel 4. Faillissementswet

C en D

De leden van de PvdA-fractie wensen een nadere toelichting op het feit dat de redactie van het voorgestelde artikel 87 meer verruimd moet worden ten opzichte van hetgeen is aangekondigd in de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 26 855. Op blz. 179 van die memorie van toelichting is uiteengezet dat met de in wetsvoorstel 26 855 voorgestelde regeling van de lijfsdwang verband houdt de regeling van verzekerde bewaring in de Faillissementswet. Daardoor zijn wijzigingen in laatstbedoelde regeling wenselijk. In de eerste plaats wordt in overeenstemming met de algemene gijzelingsregeling schrapping voorgesteld van artikel 89 Fw, dat dwingend voorschrijft dat gijzeling, indien gevorderd, in bepaalde gevallen moet plaatsvinden. Daardoor krijgt de rechter de vrijheid ieder gijzelingsverzoek op zijn eigen merites te beoordelen. Daarbij dient duidelijk te zijn dat een gijzelingsverzoek ook kan worden toegestaan in andere gevallen dan die welke thans in artikel 89 Fw zijn opgenomen, te weten het opzettelijk niet nakomen van de verplichtingen van de artikelen 91, 105 en 116 Fw (niet verlaten woonplaats, verschijnings- en inlichtingenplicht ingeval van oproeping en ter verificatievergadering). Ook thans kan faillissementsgijzeling ook buiten deze gevallen worden toegestaan (HR 23 december 1976, NJ 1977, 618). Als criterium voor de rechter is in de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 26 855 genoemd «het niet nakomen van de verplichtingen die de Faillissementswet oplegt». Gebleken is dat dit criterium in twee opzichten te beperkt is. In de eerste plaats zijn er ook wettelijke verplichtingen van de gefailleerde in verband met zijn faillissement, die niet in de Faillissementswet zelf zijn neergelegd. Te denken valt aan het strafrechtelijke gebod zich te onthouden van bedriegelijke bankbreuk (artikel 341 Wetboek van Strafrecht), dat in het genoemde arrest van de Hoge Raad van 23 december 1976 is aanvaard als een grond voor faillissementsgijzeling. In de tweede plaats dient er ook bij gegronde vrees voor het niet nakomen van zodanige verplichtingen ruimte te bestaan voor faillissementsgijzeling. De Hoge Raad heeft zulks voor het huidige recht eveneens in zijn arrest van 23 december 1976 uitgesproken. Deze beide elementen zijn in de voorgestelde redactie van artikel 87 Fw verwerkt.

Artikel 15. De Wet schadefonds geweldsmisdrijven

De leden van de PvdA-fractie kunnen zich niet op voorhand vinden in het voorstel om de procedure op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven niet onder de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te brengen en wensen terzake een nadere onderbouwing van het standpunt van de regering. Daarop ga ik gaarne als volgt in. Tegen het onder de algemene verzoekschriftregels brengen van de procedure op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven bestonden, in verband met de werkbelasting die dit op korte termijn zou geven, bezwaren bij zowel het schadefonds als het gerechtshof 's-Gravenhage. Op grond van deze bedenkingen heb ik gemeend dat het mede met het oog op het belang van een voortvarende afhandeling van het wetsvoorstel de voorkeur verdient op dit punt thans nog geen definitieve keuze te maken. Ik ben wel voornemens om dit punt op korte termijn met schadefonds en het gerechtshof op te nemen.

Ook de leden van de fractie van GroenLinks plaatsen in verband met de voorgestelde wijziging van artikel 16 Wet schadefonds geweldsmisdrijven een vraagteken. Zij betwijfelen of het wel juist is om met het oog op het beslag dat op de rechtspleging wordt gelegd indien één criterium voor toekenning van een tegemoetkoming uit het Schadefonds geweldsmisdrijven wordt verruimd, af te zien van het van toepassing verklaren van de derde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ik wil dit punt graag ophelderen. Anders dan deze deze leden veronderstellen wordt met het niet van toepassing verklaren van de derde titel van het eerste boek, aan slachtoffers van geweldsdelicten geenszins een rechtsmiddel uit handen genomen. In artikel 15 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven wordt de benadeelde immers met zoveel woorden de mogelijkheid geboden tegen een beslissing van de commissie Schadefonds geweldsmisdrijven een verzoekschrift in te dienen bij het Gerechtshof 's-Gravenhage. De vraag naar de toepasselijkheid van de algemene regels voor verzoekschriftprocedures heeft slechts betrekking op de procedureregels die gelden wanneer de benadeelde van zijn rechtsmiddel gebruik maakt.

Artikel 31. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

B

De leden van de PvdA-fractie vragen een nadere motivering waarom de regering de visie van de Staatscommissie IPR deelt dat er geen duidelijkheid bestaat over de uitleg van artikel 7 en artikel 8 van de Brussel II-verordening, met als gevolg dat de commune bevoegdheidsregel inzake echtscheiding van artikel 1.1.4 dient te worden gehandhaafd. Op deze vraag ga ik gaarne als volgt in. De verordening geeft in de artikelen 7 en 8 regels met betrekking tot haar formele toepassingsgebied. Artikel 7 geeft aan dat een verweerder met de nationaliteit (voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland moet hiermee het begrip «domicile» worden gelijkgesteld) van een lidstaat of met gewoon verblijf in een lidstaat uitsluitend volgens de bevoegdheidsregels van de artikelen 2 tot en met 6 van de verordening voor het gerecht van een andere lidstaat kan worden opgeroepen.

Art. 8 lid 1 van de verordening bepaalt dat in het geval dat de artikelen 2 tot en met 6 van de verordening niet een gerecht van een lidstaat aanwijzen, de gerechten hun bevoegdheid mogen baseren op nationale rechtsmachtbepalingen. Het Nederlandse recht kent geen bevoegdheidsregels die ruimer zijn dan die van de verordening. De Staatscommissie signaleert dat er onduidelijkheid bestaat over de interpretatie van de verordening voor het geval dat de verweerder niet door nationaliteit of gewoon verblijf is verbonden met een lidstaat. Volgens een deel van de Staatscommissie valt dit buiten het formele toepassingsgebied van de verordening, zodat daarvoor een aanvullende bevoegdheidsregel in het nationale recht gewenst is. Volgens een ander deel van de Staatscommissie valt dit geval wel binnen het formele toepassingsgebied van de verordening, zodat de rechter in een dergelijk geval eerst moet onderzoeken of hem op grond van artikel 2 van de verordening rechtsmacht toekomt. Is dat niet het geval, dan mag op de voet van artikel 8 van de verordening worden bezien of de rechter op grond van zijn nationale recht rechtsmacht toekomt, hetgeen in Nederland dan derhalve niet het geval zal zijn. Nu binnen de Staatscommissie deze beide opvattingen bestaan, verdient het de voorkeur, zoals ook de Staatscommissie adviseert, dat het wetsvoorstel duidelijkheid verschaft. Dat gebeurt door in artikel 1.1.4, eerste lid, te bepalen – samengevat – dat de Nederlandse rechter in gevallen welke buiten het formele toepassingsgebied van de verordening vallen zijn rechtsmacht bepaalt met overeenkomstige toepassing van de verordening. Het zal duidelijk zijn dat daarmee, ongeacht welke opvatting omtrent het toepassingsgebied van de verordening uiteindelijk juist zal blijken te zijn, materieel steeds de bevoegdheidsregels van de verordening zullen worden toegepast.

C

De leden van de PvdA-fractie vragen met betrekking tot de voorgestelde wijziging van artikel 1.6.2 waarom de regering zich heeft laten leiden door de Koninklijke Vereniging voor Gerechtsdeurwaarders (inmiddels Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders) om de deurwaarder de gelegenheid te geven naar bevind van zaken te handelen indien degene voor wie het exploot bestemd is, weigert om dit in ontvangst te nemen. Deze leden menen dat bestellingen per post risico's met zich meebrengen en daarom de oorspronkelijke redactie, volgens welke de deurwaarder primair een afschrift aan de woonplaats achterlaat en slechts indien dat feitelijk onmogelijk is een afschrift ter post bezorgt. Met de genoemde leden stem ik in dat er bij bestellingen per post een zeker risico kan bestaan dat de geadresseerde niet wordt bereikt. Anderzijds kunnen zich bij het achterlaten aan de woonplaats van degene die weigert het exploot in ontvangst te nemen situaties voordoen waarin een grote kans bestaat dat deze daarvan geen kennis zal nemen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de betrokkene door zijn aggressieve opstelling grond geeft voor de verwachting dat hij een achterlaten exploot terstond zal verscheuren of wegwerpen. Voor zodanige gevallen, waarin men kan aarzelen of het feitelijk onmogelijk is om het stuk aan de woonplaats achter te laten, kan een verzending per post de voorkeur verdienen met het oog op de mogelijkheid dat de betrokkene op het latere tijdstip van ontvangst wel bereid zal zijn van het stuk kennis te nemen. Om die reden is er door de KVG op aangedrongen de deurwaarder de mogelijkheid te laten zelf een afweging te maken op welke wijze het stuk het beste ter kennis van de betrokkene kan worden gebracht. Door de overeenkomstige toepasselijkheid van artikel 1.6.3, eerste lid, derde zin, zal de deurwaarder van zijn handelwijze op dit punt in alle gevallen verantwoording moeten afleggen in het exploot. Toetsing daarvan zal dus steeds mogelijk zijn. Met de voorgestelde regeling wordt naar mijn oordeel zo goed mogelijk bevorderd dat de betrokkene daadwerkelijk van het exploot zal kunnen kennisnemen.

Hoofdstuk 10. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Artikel 2. Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen

K

De leden van de GroenLinks-fractie vragen welke sanctie volgt, wanneer de rechter niet binnen de in artikel 17, tweede lid, Wet BOPZ gestelde termijn van vier weken beslist op het verzoekschrift van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf. Dienaangaande merk ik op dat er in het wettelijk systeem van wordt uitgegaan dat in de gevallen dat de rechter de termijn overschrijdt, de geneesheer-directeur ingevolge artikel 48, eerste lid, onderdeel b, subonderdeel 2, Wet BOPZ ontslag verleent. In de recht-spraak van de Hoge Raad (HR 23 februari 1996, RvdW, 64c) lijkt hierop een nuancering te zijn aangebracht. In de gevallen dat de vordering tijdig, dat wil zeggen voor het aflopen van de machtiging, is ingediend, loopt in de visie van de Hoge Raad de dwangopneming door totdat er definitief is beslist. Dit geldt ook in die gevallen dat de termijnoverschrijding is te wijten aan een termijnoverschrijding door de rechter. De rechter kan in deze gevallen bij de verlenging rekening houden met het aantal dagen waarmee hij de termijn heeft overschreden (zie ook Kamerstukken II 2000–2001, 27 289, nr. 7, blz. 31).

Hoofdstuk 11. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Artikel 4. Onteigeningswet

De leden van de fractie van GroenLinks constateren dat het herschreven artikel 24 onteigeningswet een indeling in leden ontbeert, hetgeen volgens deze leden in tegenspraak is met de laatste volzin («het voorschrift vervat in het vorige lid geldt niet etc.»). Dienaangaande wijs ik erop dat artikelen van de onteigeningswet wel zijn verdeeld in leden, doch dat deze leden, zoals bij oudere wetten vaker het geval is, officieel niet genummerd zijn. De laatste volzin van artikel 24 onteigeningswet is dan ook in feite het zesde lid daarvan. In overeenstemming met Aanwijzing voor de regelgeving nr. 237 is er bij het herschrijven van artikel 24 onteigeningswet van afgezien de leden alsnog te nummeren, nu ook de leden van de overige artikelen van hoofdstuk III van de onteigeningswet niet zijn genummerd. Het feit dat leden van een artikel niet zijn genummerd, staat er niet aan in de weg dat naar afzonderlijke leden wordt verwezen. De formulering van de laatste volzin van artikel 24 onteigeningswet, die is ontleend aan het huidige zevende lid, is derhalve correct.

Hoofdstuk 12. Aanhangige wetsvoorstellen

Artikel 2 a. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

M

De leden van de VVD-fractie stellen enige vragen naar aanleiding van artikel 1.8.2a, dat regels geeft voor de verwijzing van een zaak door of naar de kantonrechter. Deze leden wensen te vernemen welke sanctie zal worden verbonden aan een verzuim van de eiser, resp. van de gedaagde, om na een verwijzing door de kantonrechter naar een andere sector bij procureur te verschijnen. In de memorie van toelichting is op blz. 36 opgemerkt dat wanneer de eiser na een verwijzing door de kantonrechter naar een andere sector verzuimt om procureur te stellen, hij daartoe niet alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld, terwijl daaraan evenmin het gevolg van ontslag van instantie zal worden verbonden. Verzuimt de gedaagde om procureur te stellen, terwijl hij voor de verwijzing wel reeds in de procedure was verschenen, dan zal de zaak ook zonder dat hij verder in de procedure wordt vertegenwoordigd worden voortgezet. Een en ander houdt verband met het feit dat de verwijzing plaatsvindt in de stand waarin het geding zich bij de verwijzing bevindt (veelal zal de gedaagde reeds geantwoord hebben), zodat reeds verrichte proceshandelingen na de verwijzing geldig blijven. Een eenmaal verschenen partij zal daarom ook na de verwijzing moet worden aangemerkt als in het geding verschenen («eens verschenen, blijft verschenen»). Voor de eiser heeft het niet verder vertegenwoordigd zijn in de procedure – hetgeen zich uiteraard door de aanzegging in de verwijzingsbeslissing dat procureursbijstand vereist is slechts bij hoge uitzondering zal voordoen – tot gevolg dat hij geen handelingen kan verrichten waarvoor bijstand van een procureur nodig is. Te denken valt daarbij aan het nemen van conclusies en aktes en het verrichten van andere proceshandelingen ter rolle, waaronder bijvoorbeeld ook het vragen van pleidooi. Voorts brengt dit mee dat de eiser niet via zijn procureur op de rolzitting aanwezig is om een vonnis in ontvangst te nemen. Wel zal de griffier op de voet van artikel 2.11.3, eerste lid, een afschrift van het vonnis aan de eiser beschikbaar moeten stellen, hetgeen kan geschieden door toezending aan de door de eiser vóór de verwijzing genoemde – eventueel gekozen – woonplaats. De eiser kan in persoon verschijnen op een comparitie van partijen, om zijn zaak toe te lichten c.q. te bepleiten. Artikel 2.1.10, tweede lid, maakt voor comparities immers in alle gevallen verschijning in persoon mogelijk. Overlegging van stukken ter comparitie, al dan niet voorafgegaan door toezending op voorhand, acht ik eveneens niet onmogelijk. Langs die weg kunnen derhalve ook van de zijde van eiser stukken in het geding raken die relevant zijn voor het eventueel te leveren bewijs. Het doen van een bewijsaanbod is te beschouwen als een proceshandeling waarvoor vertegenwoordiging door een procureur vereist is. Vindt een comparitie plaats waarop de eiser verschijnt, dan ligt het met het oog op een goed verloop van de verdere procedure overigens wel in de rede dat de rechter, ook al is dat niet op grond van artikel 2.3.12 vereist, eiser in overweging wordt gegeven zich alsnog door een procureur te doen bijstaan. Voor de gedaagde ligt de zaak vergelijkbaar als voor de eiser: zonder procureur zal hij geen formele proceshandelingen kunnen verrichten waarvoor de bijstand van een procureur vereist is, maar wel kan hij eventueel in persoon ter comparitie verschijnen om inlichtingen te verstrekken en eventueel stukken over te leggen. Het niet kunnen verrichten van formele proceshandelingen behoeft er derhalve niet aan in de weg te staan dat de zaak nog tot een beslissing komt. Het zal duidelijk zijn dat de beslissing veelal wel in het nadeel zal kunnen uitvallen van de partij die geen procureur heeft, omdat die partij zonder procureur niet in staat is om stellingen te poneren c.q. stellingen van de wederpartij te weerspreken. Verder zal de rechter, wanneer de gelegenheid voor het nemen van een conclusie niet wordt benut, daaruit wellicht afleiden dat eerdere stellingen, welke inmiddels gemotiveerd door de wederpartij zijn betwist, niet langer worden gehandhaafd.

R

De leden van de VVD-fractie stellen artikel 2.2A.6 aan de orde, dat betrekking heeft op de situatie dat een kantonzaak zodanig samenhangt met een niet-kantonzaak (bijvoorbeeld een vordering in reconventie of in vrijwaring), dat deze samenhang zich verzet tegen afzonderlijke behandeling. In zo'n geval kan de kantonrechter in het nieuwe recht beide zaken behandelen, zo volgt uit de artikelen 2.2A.2 en 2.2A.5. Niet uit te sluiten valt dat bij deze nieuwe mogelijkheid de kantonrechter oordeelt dat de samenhangende zaken gezamenlijk ongeschikt zijn om te worden behandeld en beslist door één rechter. Voor dat specifieke geval maakt artikel 2.2A.6 verwijzing mogelijk naar een meervoudige kamer van een andere sector dan de sector kanton. De leden van de VVD-fractie vragen of zij het goed zien dat het enkele feit dat de kantonrechter de zaak te complex vindt, ertoe leidt dat procureursbijstand verplicht wordt. Dienaangaande wijs ik erop dat het in deze gevallen steeds gaat om een combinatie van zaken, waarvan er reeds één een niet-kantonzaak betreft. Voor die niet-kantonzaak zouden partijen dus – als de zaak niet wegens zijn samenhang met een kantonzaak daarmee gezamenlijk behandeld zou worden – reeds een procureur moeten stellen. Voor kantonzaken geldt geen verplichte procesvertegenwoordiging, maar juist wanneer zo'n zaak gezamenlijk behandeld moet worden met een niet-kantonzaak, kan bij gezamenlijke behandeling blijken van een zodanige complexiteit dat behandeling door een meervoudige kamer aangewezen is. Naar mijn oordeel zal de zaak dan ook voor partijen zodanig complex zijn, dat verplichte procesvertegenwoordiging op zijn plaats is. De grond voor de verplichte procesvertegenwoordiging wordt immers bij uitstek gevonden in de overweging dat bepaalde zaken door hun complexiteit of belang niet zonder procesvertegenwoordiging behandeld dienen te worden. Voor het maken van een uitzondering op de verplichte procesvertegenwoordiging in civiele zaken buiten de sector kanton, zie ik dan ook geen aanleiding. Wanneer partijen reeds over een gemachtigde beschikken die tevens advocaat is, zal deze na verwijzing veelal als procureur kunnen optreden. Het voor deze gevallen mogelijk maken van een meervoudige kamer uit de sector kanton valt naar mijn oordeel niet te verenigen met de aard van de kantonrechtspraak als unus-rechtspraak (artikel 2.3.2.1, eerste lid, Wet op de Rechterlijke Organisatie). Voorts verdient het naar mijn oordeel uit oogpunt van systematiek niet de voorkeur om voor deze zeer specifieke categorie van gevallen een afwijkend regime te creëren.

De leden van de fractie van GroenLinks zouden naar aanleiding van artikel 2.2A.1 graag een nadere toelichting krijgen op de noodzaak tot overbrenging van de regels van absolute competentie van de kantonrechter van de Wet op de Rechterlijke Organisatie naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dienaangaande antwoord ik dat als voorheen de absolute competentie van de gerechten geregeld zal worden in de Wet op de Rechterlijke Organisatie. Daartoe zal in artikel 2.3.1.3 van die wet ten aanzien van burgerlijke zaken worden bepaald dat de rechtbanken in eerste aanleg kennis nemen van alle burgerlijke zaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen. Doordat de kantongerechten niet langer als afzonderlijke gerechten zullen bestaan, omvat de absolute competentie van de rechtbanken derhalve mede de zaken die door de kantonrechter worden behandeld. Met andere woorden: de taakverdeling tussen de kantonrechters en rechters van de andere secoren van de rechtbank is niet langer een kwestie van absolute competentie. Over deze taakverdeling tussen de sectoren bepaalt het voorgestelde artikel 2.3.2.1, eerste lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie dat er een sector kanton is waarbinnen in enkelvoudige kamers kantonzaken worden behandeld. In de memorie van toelichting is daarbij aangekondigd dat in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering resp. in het Wetboek van Strafvordering zal worden aangeduid welke civiele en strafzaken kantonzaken zijn (Kamerstukken II, 1999–2000, 27 181, nr. 3, blz. 30–31). De Wet op de Rechterlijke Organisatie regelt derhalve de absolute competentie van de gerechten, alsmede voor de rechtbanken het bestaan en de inrichting van de sector kanton; het takenpakket van de kantonrechter wordt geregeld in het procesrecht.

W

De leden van de VVD-fractie vragen of een exploot op de voet van artikel 2.9.13, vierde lid, behoudens de bepalingen van de artikelen 1.6.1 en 2.3.1 zoveel mogelijk vormvrij is. Voorts willen zij weten of een aanzegging als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, onder i, moet worden opgenomen. Dienaangaande wijs ik erop dat wanneer de rechter een zaak op de voet van artikel 2.9.13 verwijst naar een andere kamer van hetzelfde gerecht, in de beslissing tot verwijzing een nieuwe roldatum wordt vermeld waarop de procedure wordt voortgezet. Deze nieuwe roldatum zal aan de gedaagde moeten worden aangezegd, wanneer tegen de gedaagde verstek is verleend. Daartoe strekt het exploot, bedoeld in artikel 2.9.13, vierde lid. Op het exploot zijn de algemene regels voor exploten van artikel 1.6.1 van toepassing. Het aanzeggingsexploot is geen dagvaarding: het gaat immers niet om het instellen van een vordering tegen de gedaagde en de vermelding van de gronden daarvoor, doch louter om het aanzeggen van de roldatum waarop de procedure wordt voortgezet, onder betekening van de daartoe strekkende rechterlijke beslissing tot verwijzing. De regels voor dagvaarding, vervat in artikel 2.3.1, zijn daarop dan ook niet van toepassing, ook niet de verplichting tot aanzegging van de gevolgen van verstek in het geval er meer gedaagden zijn, zoals bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, onder i. Daaraan bestaat ook geen behoefte, nu de gedaagde laatstbedoelde aanzegging reeds ontvangen heeft met de oorspronkelijke dagvaarding. Behoudens hetgeen voortvloeit uit de artikelen 1.6.1 en uit artikel 2.9.13, vierde lid, eerste zin, gelden er verder geen vormvereisten.

De leden van de VVD-fractie vragen of de verwijzing naar artikel 438a Rv in artikel 705 Rv, zoals dat op grond van artikel 26 855 komt te luiden, niet een verwijzing naar artikel 1.6.17 moet zijn. Deze vraag beantwoord ik bevestigend. De verwijzing is inmiddels gecorrigeerd in de nota van wijziging (Kamerstukken II, 2001–2002, 27 824, nr. 5, blz. 2).

De leden van de VVD-fractie vragen naar de mogelijkheid van herstel van een lacune ontstaan door het vervallen van artikel 19 van het Deurwaardersreglement. Met artikel 19 is vervallen dat degene wiens inkomen en vermogen blijkens de verklaring of bescheiden, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), niet uitkomen boven de bij artikel 34 Wrb gestelde grenzen, de president van de rechtbank kan verzoeken om een gerechtsdeurwaarder te gelasten in burgerlijke zaken kosteloos ambtshandelingen te doen verrichten. Zoals in de nota naar aanleiding van het nader verslag bij de Gerechtsdeurwaarderswet (Kamerstukken II 1999–2000, 22 775, nr. 16, p. 7) is aangegeven, blijft de toegankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder voor al zijn werkzaamheden en daarmee de toegankelijkheid tot de rechter gegarandeerd. De rechtzoekende wiens financiële draagkracht een bepaald bedrag niet te boven gaat, komt immers in aanmerking voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. Op grond van artikel 39 Wrb valt ook de dienstverlening door de gerechtsdeurwaarder daaronder (de zogeheten «kosteloze exploten»). In dat verband is nog van belang dat artikel 13 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder die goede gronden heeft om aan te nemen dat zijn cliënt in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand, hem daarop wijst. Indien zich in de praktijk knelpunten blijken voor te doen, zal uiteraard worden onderzocht welke oplossing daarvoor, gelet de aard en omvang daarvan, de meest geëigende is.

De leden van de VVD-fractie vragen of zij het goed zien dat het overgangsrecht van wetsvoorstel 27 878 directe werking heeft in die zin dat bij een vonnis van de kantonrechter voor de datum van inwerkingtreding, bij het aanwenden van rechtsmiddelen het nieuwe recht overeenkomstig wetsvoorstel 26 855 moet worden toegepast zodat voor verzet de termijn van 4 weken gaat gelden en dat appel met procureursbijstand moet worden ingesteld bij de rechtbank. Op deze vraag ga ik gaarne als volgt in. Voor het nieuwe procesrecht is overgangsrecht voorzien in artikel VII van wetsvoorstel 26 855. Voor de modernisering van de rechterlijke organisatie is overgangsrecht voorzien in de artikelen 1 en 2 van Hoofdstuk 15 van wetsvoorstel 27 878. Bij het ontwerpen van laatstbedoelde bepalingen is uiteraard rekening gehouden met het overgangsrecht van wetsvoorstel 26 855. In het geval van een vonnis van de kantonrechter dat voor de inwerkingtreding van het nieuwe procesrecht is tot stand gekomen, zal de termijn voor rechtsmiddelen ingevolge artikel VII, tweede lid, van wetsvoorstel 26 855 moeten worden bepaald aan de hand van het oude recht. Gaat het om een verstekvonnis, dan zal de termijn voor verzet derhalve 14 dagen belopen (artikel 81, eerste lid, Rv). De modernisering van de rechterlijke organisatie is op deze termijn niet van invloed. De vraag of hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter moet worden ingesteld bij de rechtbank, dan wel bij het gerechtshof, is een overgangsrechtelijke vraag bij de modernisering van de rechterlijke organisatie, nu de overbrenging van de kantonappellen naar de gerechtshoven wordt geregeld in wetsvoorstel 27 181. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van hoofdstuk 15 van wetsvoorstel 27 878 zal ook hier het oude recht van toepassing zijn, zodat het appel moet worden ingesteld bij de rechtbank.

Lopende kantonzaken worden ingevolge artikel 1 van hoofdstuk 15 van wetsvoorstel 27 878 van rechtswege overgedragen aan de rechtbank van het arrondissement waartoe het kantongerecht behoorde. Wordt vervolgens een vonnis gewezen, dan zal in het opschrift – waarvoor overigens geen wettelijke voorschriften bestaan – in elk geval vermeld worden van welk gerecht het uitgaat, derhalve bijvoorbeeld «rechtbank 's-Gravenhage». Het lijkt mij nuttig als in het opschrift tevens vermeld wordt dat de uitspraak uitgaat van de sector kanton, al zal dat natuurlijk ook blijken uit de inhoud van het vonnis. Vermelding van de eventuele nevenzittingsplaats in het opschrift lijkt mij niet strikt nodig. Op de desbetreffende vraag van de leden van de VVD-fractie antwoord ik dat in voorkomende gevallen kan worden gedagvaard voor de kantonrechter, rechtdoende in kort geding.

Tenslotte stellen de leden van de VVD-fractie enige vragen met betrekking tot het overgangsrecht voor na inwerkingtreding van het nieuwe recht ingestelde rechtsmiddelen tegen een vonnis in kort geding, gewezen onder het oude recht. Op die vragen ga ik als volgt in. Omdat ook een vonnis in kort geding een vonnis is van een arrondissementsrechtbank, zal de termijn voor verzet en appel op de voet van artikel VII, tweede lid, van wetsvoorstel 26 855 moeten worden bepaald aan de hand van het oude recht, zodat deze in beide gevallen veertien dagen beloopt (artikelen 81, eerste lid, en 295, derde lid, Rv). Uit het genoemde artikel VII, tweede lid, vloeit verder voort dat ook voor de mogelijkheid van het aanwenden van rechtsmiddelen het oude recht beslissend is. Dat betekent dat verzet tegen een verstekvonnis in kort geding dient te worden ingesteld bij de rechtbank (artikel 294 Rv) en derhalve niet bij de voorzieningenrechter. Over de vraag of het verzet voor de rechtbank dient te worden behandeld als gewone rolprocedure dan wel als kort-gedingprocedure ten overstaan van de rechtbank, bestaat in de literatuur verschil van inzicht en in de praktijk wordt bij bepaalde rechtbanken de ene benadering gevolgd en bij andere rechtbanken de andere. De deurwaarder die een verzetdagvaarding uitbrengt doet er derhalve goed aan zich van de plaatselijke gang van zaken op de hoogte te stellen.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals