Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200227824 nr. 4

27 824
Aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 22 oktober 2001

De vaste commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Inleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het wetsvoorstel. Het bevreemdt deze leden dat er kennelijk geen spoed is betracht met indiening van dit wetsvoorstel, nadat wetsvoorstel 26 855 (Herziening procesrecht burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg) in het voorjaar 2001 is aangenomen in de Tweede Kamer. Gezien de samenhang met wetsvoorstellen 27 878 (Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie), 27 181 (Wet organisatie en bestuur gerechten) en 27 182 (Wet Raad voor de rechtspraak) wensen deze leden duidelijkheid over de te verwachten datum van inwerkingtreding van genoemde wetsvoorstellen.

Wat is de reden dat de NVvR in deze niet heeft geadviseerd? Heeft de NVvR te kennen gegeven zich te kunnen vinden in het wetsvoorstel?

In de memorie van toelichting wordt melding gemaakt dat rijkswetgeving bij rijkswet zal worden geregeld en dat lagere regelgeving op haar eigen niveau zal worden aangepast. De leden van de PvdA-fractie vragen of bedoelde aanpassingen tijdig, dat wil zeggen voor de inwerkingtreding van wetsvoorstel 26 855 (Herziening procesrecht burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg) en onderhavig wetsvoorstel zal geschieden. Is over lagere regelgeving reeds overleg gevoerd met belanghebbenden, waaronder de VNG?

De leden van de VVD-fractie hebben, los van enige concrete vraagpunten, met instemming kennisgenomen van de aanpassingswetgeving rond de herziening van het burgerlijk procesrecht. Zij spreken hun grote waardering uit voor het feit dat de regering deze omvangrijke en technisch complexe materie met bekwame spoed ter hand heeft genomen en daarbij ook open oor heeft gehad voor de op- en aanmerkingen die vanuit de rechtspraktijk naar voren zijn gebracht. Ook spreken zij hun waardering uit dat de regering de forumkeuze in het huurrecht heeft heroverwogen opdat alsnog, of beter gezegd, wederom van een exclusieve bevoegdheid sprake is van (kanton-)rechters in wier rechtsgebied het (beschermde) huurobject is gelegen. Deze leden hadden in het wetgevingsoverleg inzake de herziening van het huurrecht aandacht voor deze kwestie gevraagd. Zij kunnen zich vinden in de gekozen oplossing.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel waarin de burgerlijke rechtsvordering vereenvoudigd wordt. De leden van de GroenLinks-fractie spreken de hoop uit dat de voorgestelde wijzigingen ertoe bijdragen dat burgers, los van hun procesvertegenwoordigers, greep kunnen krijgen en houden op hun juridische problemen die ze aan de civiele rechter voorleggen.

De algemene toepasselijkheid van verzoekschriftprocedures wordt door de leden van de fractie van GroenLinks vooralsnog instemmend ontvangen. De terminologische wijzigingen, waarbij gedoeld wordt op de vervanging van de termen «op vordering van het openbaar ministerie» door «op verzoek van het openbaar ministerie» dragen er naar de mening van deze leden aan bij dat verouderde onderscheidingen tussen procespartijen verdwijnen. Het openbaar ministerie komt in zekere zin terminologisch gezien op gelijke voet te staan met andere procespartijen.

Algemeen overzicht van de aanpassingen

De leden van de PvdA-fractie zijn bekend met de (nieuwe) algemene regeling van verzoekschriftprocedures. Zij wensen nog nadere toelichting op de zinsnede dat ten aanzien van verzoekschriftprocedures waarvoor de algemene regeling niet in werking is getreden, de rechter die algemene regeling zoveel mogelijk analoog zal toepassen. Op welke wijze zal de rechter de algemene regeling naar analogie toepassen en kunnen er voorbeelden van analoge wetstoepassing worden genoemd?

Artikelsgewijs

HOOFDSTUK 5 MINISTERIE VAN JUSTITIE

Artikel 4 Faillissementswet

C en D

De leden van de PvdA-fractie wensen een nadere toelichting op het feit dat de redactie van het voorgestelde artikel 87 meer verruimd moet worden ten opzichte van hetgeen is aangekondigd in de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 26 855 (Herziening procesrecht burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg).

Artikel 15 De Wet schadefonds geweldsmisdrijven

De leden van de PvdA-fractie kunnen zich niet op voorhand vinden in de opvatting, dat de regering om haar moverende redenen het niet wenselijk vindt om in te grijpen in de wijze van procederen, ondanks positieve advisering van het Haagse Hof en de Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht. De verwijzing naar een mogelijke wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven naar aanleiding van een tweetal tijdens de behandeling van de Justitiebegroting aangenomen moties overtuigt niet. Deze leden wensen een nadere onderbouwing van het standpunt van de regering.

De regering betwijfelt of het wenselijk is dat de derde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering integraal van toepassing wordt verklaard op de verzoekschriftprocedure ingevolge de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Met het oog op het beslag dat op de burgerlijke rechtsvordering wordt gelegd indien één criterium voor toekenning van een tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt verruimd, ziet de regering op dit moment af van een dergelijke wijziging. De leden van de fractie van GroenLinks willen daarbij de vraag stellen of een dergelijk praktisch argument van doorslaggevend belang mag zijn om een rechtsmiddel uit handen te nemen van slachtoffers van ernstige geweldsdelicten. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven is expliciet in het leven geroepen om de solidariteit van de overheid met slachtoffers van geweldsdelicten tot uitdrukking te brengen. Wordt hier door dezelfde overheid slachtoffers de ruimte ontnomen om een afwijzende beslissing op hun verzoekschriften voor te leggen aan een rechterlijke instantie?

Artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

B

De leden van PvdA-fractie vragen een nadere motivering waarom de regering de visie van de Staatscommissie deelt dat er geen duidelijkheid bestaat over de uitleg van artikel 7 en 8 van de verordening, met als gevolg dat de commune bevoegdheidsregel inzake echtscheiding van artikel 1.1.4 dient te worden gehandhaafd.

C

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de regering zich heeft laten leiden door de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders om de deurwaarder de gelegenheid te geven naar bevind van zaken te handelen indien degene voor wie het exploit bestemd is, weigert om dit in ontvangst te nemen. De oorspronkelijke redactie geniet de voorkeur, omdat bestellingen per post risico's met zich meebrengen. Als de deurwaarder het exploit achterlaat op het adres van betrokkene, staat tenminste vast dat het afschrift achtergelaten is. Dit is naar de mening van deze leden in het belang van een goede rechtspraktijk. Zij vragen een nadere reactie van de regering.

HOOFDSTUK 10 MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Artikel 2 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen

K

Artikel 17 lid 2 Wet BOPZ geeft de rechter een termijn van vier weken om te beslissen op het verzoekschrift van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf. De leden van de GroenLinks-fractie vragen welke sanctie volgt op het niet nemen van een beslissing binnen deze termijn.

HOOFDSTUK 11 MINISTERIE VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Artikel 4 Onteigeningswet

Het herschreven artikel 24 Onteigeningswet ontbeert een indeling in leden, zo constateren de leden van de fractie van GroenLinks. Dit is in tegenspraak met de laatste volzin («het voorschrift vervat in het vorige lid geldt niet etc.»).

HOOFDSTUK 12 AANHANGIGE WETSVOORSTELLEN

Artikel 2

a. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

M

Uit de memorie van toelichting blijkt dat de rechter bij de bepaling van zijn absolute competentie niet alleen meer de stellingen van eiser in zijn beoordeling betrekt, maar dat zijn eigen voorlopig oordeel over het onderwerp van geschil bepalend zal zijn voor deze vraag. Leidt dit oordeel tot verwijzing, dan wordt al dan niet verplicht procuraat actueel. Wanneer eiser na verwijzing verzuimt procureur te stellen, dan zal hij daartoe niet alsnog in de gelegenheid worden gesteld, zo meldt de regering. Daaraan zal niet het gevolg ontslag van instantie worden verbonden. De leden van de VVD-fractie vragen welk gevolg dan wel aan dat verzuim zal worden verbonden. Laat gedaagde na een procureur te stellen en was hij wel al in het geding verschenen, dan zal evenmin ontslag van instantie volgen en zal de zaak op tegenspraak worden voortgezet. De leden van de VVD-fractie vragen welk gevolg aan dat verzuim zal worden verbonden. Wat mogen procespartijen wanneer de een wel en de ander geen procureur heeft gesteld nog wel, en wat mogen zij niet? Zij vragen de regering hier uitvoerig op in te gaan. Mogen deze (niet door een procureur bijgestane) procespartijen bijvoorbeeld wel ter comparitie hun zaak toelichten c.q. bepleiten, maar geen schriftelijke stukken indienen? Wat gebeurt er met bewijsaanbod of bewijsmateriaal, dat bijvoorbeeld tijdens of na een comparitie – al dan niet op verzoek van de rechter – aan het dossier wordt toegevoegd of aan een proces verbaal wordt gehecht? De leden van de VVD-fractie vragen hierover helderheid te verschaffen.

R

Door de invoering van artikel 2.2A.6 krijgt de kantonrechter ook de mogelijkheid te verwijzen naar een andere sector van de rechtbank wanneer hij de zaak te ingewikkeld vindt om als unus-rechter af te doen. De leden van de VVD-fractie vragen wat de gevolgen van deze verwijzing zijn. Blijkens het wetsontwerp is een meervoudige kamer in kantonzaken niet de bedoeling. Zien deze leden het goed dat het enkele feit dat de kantonrechter de zaak te complex vindt, ertoe leidt dat verplichte procureursbijstand wordt geëist? Want dat is het kennelijke gevolg van de verwijzing. Zou het dan niet de voorkeur verdienen om voor dergelijke gevallen een meervoudige kamer uit de sector kanton mogelijk te maken, dan wel een uitzondering te maken op de verplichte rechtsbijstand? Partijen zullen vaak al een advocaat/deurwaarder als gemachtigde hebben. Mogen die ook na de verwijzing als gemachtigde blijven optreden, althans kan de (kanton-)rechter – al dan niet desgevraagd – daartoe beslissen?

Artikel 2.2a.1 brengt wijzigingen in de absolute competentie van de kantonrechter. De leden van de fractie van GroenLinks zouden graag nadere toelichting zien op de noodzaak tot overbrenging van de regels van absolute competentie van de kantonrechter van de Wet op de Rechterlijke Organisatie naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

W

Blijkens artikel W wordt er een aanvulling gedaan op artikel 2.9.13 waarbij artikel 2.9.14 wordt uitgesloten. De leden van de VVD-fractie vragen of het oproepingsexploot behoudens de bepalingen van artikel 1.6.1 en 2.3.1 voor zover mogelijk vormvrij is. Ook willen zij weten of een aanzegging als bedoeld in artikel 2.3.1 onder i moet worden opgenomen?

In artikel 705 Rv (wetsontwerp 26 855) is een verwijzing opgenomen naar artikel 438a, maar daarbij wordt gedoeld op het huidige artikel 438a. De leden van de VVD-fractie vragen of dit niet een verwijzing naar artikel 1.6.17 moeten zijn?

De leden van de VVD-fractie hebben ook enkele vragen die worden opgeroepen in samenhang met de wetsvoorstellen 27 878 (Aanpassing modernisering rechterlijke organisatie) en 27 845 (Wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet en de Waterschapswet in verband met enige technische aanpassingen).

In artikel 19 van het deurwaardersreglement was de mogelijkheid opgenomen dat een partij zich tot de President van de rechtbank wendde om onder overlegging van een verklaring inkomsten/uitgaven toestemming te krijgen om kosteloos te procederen. Door de invoering van de Gerechtsdeurwaarderswet is die mogelijkheid verdwenen. Daardoor is een lacune ontstaan. Ziet de regering mogelijkheden om een voorziening te treffen in onderhavige aanpassingswetgeving of de aanpassingswetgeving naar aanleiding van de Gerechtsdeurwaarderswet, opdat die lacune zal worden weggenomen? Er is nu immers geen bevoegdheid meer van een President om een voorziening terzake te geven?

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of zij het goed zien dat het overgangsrecht van wetsvoorstel 27 878 directe werking heeft in die zin dat bij een vonnis van de Kantonrechter gewezen vóór ingangsdatum x en rechtsmiddelen die worden aangewend ná datum x, het nieuwe recht (overeenkomstig ontwerp 26 855) moet worden toegepast zodat voor verzet de termijn van 4 weken gaat gelden en dat appel met procureursbijstand moet worden ingesteld bij de rechtbank.

Door het overbrengen van lopende kantonzaken naar de rechtbank worden deze zaken door de rechtbank afgedaan. Moet het vonnis aan het hoofd het opschrift voeren «rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, nevenzittingsplaats Leiden» of mag net als thans aan het hoofd worden vermeld «De kantonrechter te Leiden». Mag in dit verband worden aangenomen dat in kort geding zaken in voorkomende gevallen wordt gedagvaard voor de kantonrechter, rechtdoende in kort geding?

Zien de leden van de VVD-fractie het goed dat een vonnis in kort geding (gewezen vóór datum x en waarbij rechtsmiddel is ingesteld ná die datum) de verzettermijn 4 weken wordt en de hoger beroepstermijn 4 weken? Moet het verzet in dit laatste geval worden ingesteld bij de rechtbank of bij «de voorzieningenrechter van de rechtbank, rechtdoende in kort geding»?

Mag de deurwaarder dagvaarden tegen een gewone roldatum?

* Eerder is abusievelijk een blanco verslag verschenen.

De voorzitter van de commissie,

Swildens-Rozendaal

De griffier voor dit verslag,

Stahlie


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Swildens-Rozendaal (PvdA), voorzitter, Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), Dittrich (D66), Rabbae (GroenLinks), Van Oven (PvdA), Kamp (VVD), ondervoorzitter, Rouvoet (ChristenUnie), O. P. G. Vos (VVD), Passtoors (VVD), Van Wijmen (CDA), De Wit (SP), Ross-van Dorp (CDA), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks), Weekers (VVD), Van der Staaij (SGP), Wijn (CDA), Vacature (PvdA).

Plv. leden: Wagenaar (PvdA), Balkenende (CDA), C. Cörüz (CDA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Hoekema (D66), Karimi (GroenLinks), Santi (PvdA), Luchtenveld (VVD), Slob (ChristenUnie), Van den Doel (VVD), Rijpstra (VVD), Rietkerk (CDA), Marijnissen (SP), Buijs (CDA), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Vacature (GroenLinks), De Vries (VVD), Van Walsem (D66), De Pater-van der Meer (CDA), Arib (PvdA).